Politiek

Ágnes Heller: een voorbeeld

Mitchell Cohen

Dit eerbetoon aan Ágnes Heller (1929–2019) van Mitchell Cohen verscheen oorspronkelijk in Dissent, in het najaarsnummer van 2019.

Cohen spreekt op zondag 10 november op de Nexus-conferentie.
Bestel nu nog entreekaarten.

Het eerste gesprek dat we voerden ging over het marxistisch humanisme. Dat was in 1986. Filosoof Ágnes Heller, afgelopen juli overleden in haar geboorteland Hongarije, was de belangrijkste student van Georg Lukács (1885–1971), de meest invloedrijke marxistische filosoof na Marx, ondanks zijn moeizame verhouding met de Hongaarse Communistische Partij.

Heller was naar New York gekomen om de Hannah Arendt-leerstoel in politieke filosofie aan de New School for Social Research te bekleden. Ik belde haar gewoon op en vertelde haar dat ik aan het schrijven was over Lucien Goldmann (1913–70), de Roemeens-Franse marxistisch humanist die zich in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in Frankrijk sterk had gemaakt voor het werk van Lukács. Zij had Goldmann nog gekend en ik wilde het met haar hebben over een debat dat ze met hem had gevoerd. ‘Kom morgen naar ons toe in de lobby’, zei ze. Daar trof ik haar met haar man en collega, Ferenc Fehér.

Zij was klein van postuur, maar barstte van de ideeën; hij, langer, met grijs haar en een terugwijkende haargrens, zat vol bedachtzame observaties. Ik liep over van vragen en was een tikje van mijn à propos toe zij juist eerst aan mij, een onbekende academicus, allerlei vragen stelden. Hoe en waarom was ik geïnteresseerd geraakt in het socialistisch humanisme? Wat vond ik van de interpretatie van tragedie van de jongere Lukács en van die van Goldmann in diens boek over Pascal en Racine? En wat dacht ik over onze tijd? Zijn humanistische waarden nog houdbaar, zelfs als een groot deel van Marx’ denken onhoudbaar is?

Uiteindelijk vroeg ik, ietwat aarzelend, naar het symposium dat Goldmann in 1968 had georganiseerd in Royaumont, een plek in Frankrijk beroemd als locatie voor gedachtenuitwisselingen – in dit geval was ook Theodor Adorno aanwezig. Heller en Goldmann raakten daar in een discussie verwikkeld over de esthetica van Lukács. Lukács had een relatief beperkte kijk op het realisme in de literatuur, hoewel zijn essays over Balzac, Zola en Mann vaak scherpzinnig waren en kwalitatief (meestal) van een totaal andere orde dan het socialistisch realisme dat de ‘partijlijn’ voorschreef. Heller verdedigde haar mentors pleidooi voor de roman die de aard van een samenleving onthulde via overtuigende personages en hun omstandigheden. Goldmann distantieerde zich van de minachting die de oudere Lukács koesterde jegens het surrealisme, Brecht, de ‘nouveau roman’ en andere avant-gardistische initiatieven.

‘Goldmann had gelijk, ik had ongelijk’, zei Heller tegen me. Deze simpele en eerlijke opmerking was veelzeggend over haar karakter: ze doordacht en heroverwoog de dingen voortdurend; als dat leidde tot een ander oordeel en een andere opvatting, dan was dat maar zo. Al snel werden we vrienden en werd ik uitgenodigd voor de feestjes die Heller en Fehér hielden bij hen thuis, toen nog in Chelsea, waar een keur aan academici en intellectuelen bijeenkwam. Mijn gesprekken met haar gingen door, zij het sporadisch, ook na haar terugkeer naar Boedapest in 1989.

Ik zag Ágnes voor het laatst in de herfst van 2018 in Manhattan, tijdens een feest voorafgaand aan haar negentigste verjaardag (ze zou in mei in Boedapest haar jaren als tachtiger achter zich laten; Ferenc overleed in 1994). Ditmaal, toen ik haar even weg kon stelen bij iedereen die haar wilde feliciteren, hadden we het niet over het marxistisch humanisme, maar over de ellendige toestand van de postcommunistische politiek in Hongarije. Zij was een felle tegenstander van de rechtse regering van Viktor Orbán, die zo pocht met zijn ‘illiberale democratie’. Er waren wetten aangenomen die, stukje bij beetje, leidden tot wat Heller een ‘quasi-dictatuur’ noemde: vrije pers onder druk, kieswetten verdraaid, de aanval op de Central European University, en dat alles in naam van een grimmig soort nationalistisch populisme, het ‘Hongarisme’.

Ontmoedigend, zei ze hoofdschuddend. Ondanks zijn afkeer van het communisme lijkt Orbán de typisch stalinistische salamitactiek te volgen en de ene na de andere liberale bescherming af te snijden, opperde ik. ‘Ja,’ zei ze, ‘ten gunste van zijn eigen macht en om een denkbeeldige puur Hongaarse worst te produceren. Hij wil alles Hongaars hebben, zonder buitenlandse, “globalistische” smetjes.’ De nationalisten hadden Lukács – geboren als György Löwinger – aangevallen omdat hij geen echte Hongaar zou zijn. Nu kreeg Heller, niet langer een marxist, net als geldschieter George Soros te maken met hetzelfde oude liedje dat nieuw noch typisch Hongaars was. Al eeuwenlang worden de Joden weggezet als ‘niet echt onderdeel van’ deze of gene natie.

Heller was, zoals veel Hongaren, na 1989 hoopvol gestemd. Maar in het tijdperk van Orbán werd ze getreiterd en belaagd met schandelijke verdachtmakingen. Het ‘Hongarisme’ heeft ervoor gezorgd dat het Lukács-archief, dat zich bevond in zijn woning aan de Donau, is gesloten. Zijn standbeeld werd uit een park verwijderd op verzoek van een lid van de gemeenteraad van Boedapest van Jobbik, een partij die nog chauvinistischer is dan Orbáns Fidesz, maar die wel door de laatste wordt gesteund. Hellers naam prijkt op een petitie tegen deze laffe acties, maar niet omdat ze een volgeling van Lukács bleef (ze liet het marxisme-leninisme decennia geleden al achter zich). Ze sprak zich uit voor academische vrijheid, tegen beleid dat doet denken aan dat van Andrej Zjdanov, Stalins misdadige commissaris voor cultuur, en natuurlijk ook om dankbaarheid te tonen aan haar voormalige leraar. Heller was een van de oprichters van de Lukács International Foundation, die strijd voor het behoud van alle geschriften. (Om volledig open te zijn: ook ik heb, samen met zo’n 1.600 anderen, een petitie ondertekend ter bescherming van het archief, waar ik in 1987 onderzoek heb gedaan.)

Kortom, Heller distantieerde zich van het nationalistische gebeuzel, zoals ze dat ooit deed met de ‘wetenschappelijke’ partijlijn van de Hongaarse Communistische Partij. Het slagen van de liberale democratie stond of viel volgens haar met de opbouw van stevige liberaal-democratische instituties; daarin was het Hongarije van na 1989 tekort geschoten. Toch zag ze zichzelf nadrukkelijk als Hongaarse patriot. Afzonderlijke personen waren niet van nature goed of slecht, stelde ze, en hetzelfde gold voor naties en landen. Maar een regering kon de slechtste instincten van de bevolking aanwakkeren, zeker gezien het feit dat de natiestaat ‘egoïstischer’ was dan andere staatsvormen.

Maar niet alles ging over politiek. De rest van ons gesprek ging over muziek en opera, onze gedeelde passies. We bespraken de verschillende uitvoeringen van Wagners Der Ring des Nibelungen, dat grootse kunstwerk dat vragen oproept over macht, de mens en zelfbedrog. ‘Het vreemde aan Lukács was’, zo vertelde ze, ‘dat hij helemaal niet naar muziek luisterde.’ Cultuur stond voor hem gelijk aan literatuur. ‘En we hebben het over iemand wiens zus thuis pianoles kreeg van Béla Bartók.’

Hij was toegewijd aan één zaak; zij zou zich gaan wijden aan meerdere.

 

II
Een blik op de levensloop van Heller toont waarom ze een citaat koesterde van Novalis, de Duitse Romanticus, dat Lukács citeerde in zijn pre-marxistische Theorie van de roman: ‘Filosofie is eigenlijk heimwee, een drang om overal thuis te zijn.’

Ze werd in 1929 geboren in Boedapest en wist de Tweede Wereldoorlog ternauwernood te overleven. Haar vader stierf in Auschwitz, terwijl zij met haar moeder op het nippertje aan de executie ontsnapten. Dat ze filosoof werd was volgens haarzelf te wijten aan haar behoefte het grote kwaad dat haar omringde te doorgronden en een schuld in te lossen bij hen die niet overleefden.

Ook werd ze gedreven door een drang naar verlossing. Op vijftienjarige leeftijd sloot Ágnes zich aan bij de zionistische beweging en nam ze deel aan een zomerkamp met het oog op een reis naar Palestina. Het lijkt erop dat ze in die tijd werd gegrepen door de ideeën van gemeenschapszin en de morele gelijkwaardigheid van elke vorm van arbeid. In Beyond Justice (1987) sprak ze nog steeds haar waardering uit voor de kibboets als manier van samenleven die ook een ‘omgevingsvoorwaarde’ schept voor individuele autonomie. Wat ze zelf typeerde als haar ‘persoonlijkheidsprobleem’ – dat ze zowel een collectivist als een individualist wilde zijn – lijkt mij eerder een bewonderenswaardige opgave. Ze zag zichzelf als Hongaar, Jood, vrouw en filosoof – niet per se in die volgorde.

Ze is uiteindelijk niet naar Palestina gegaan. Geïnspireerd door een biografie van Marie Curie schreef Heller zich in bij de universiteit van Boedapest om scheikunde en natuurkunde te studeren. Na het bijwonen van de colleges die Lukács gaf over cultuur besloot ze echter filosoof te worden. Ze werd lid van de Communistische Partij in 1947, aangetrokken door haar roep om gelijkheid. De Partij was toen nog niet aan de macht, maar zou dat dankzij steun uit Moskou spoedig zijn en verwerd al gauw tot een dictatuur onder leiding van de meedogenloze partijleider Mátyás Rákosi. De Partij had ‘aardse verlossing’ beloofd, maar dat bleek bedrog te zijn geweest. Algauw werd Heller verbannen uit de Partij.

Heller werd een marxist die, in haar eigen woorden, ‘vijandig stond tegenover het Hongaarse communisme’. Ze schreef haar doctoraalscriptie onder begeleiding van Lukács, werd zijn assistent, en sloot zich in 1954 weer aan bij de Partij. De omstandigheden waren veranderd. Imre Nagy was aan de macht gekomen – of beter gezegd: hij kwam aan de macht, verloor haar weer, om haar te herwinnen en nogmaals kwijt te raken. Deze partijprominent veranderde in een hervormer die de maatschappij en gevangenispoorten openbrak en ondertussen verwikkeld was in een slepende strijd tegen de nog immer machtige stalinisten.

Nagy kwam naar voren als leider in de revolutie van 1956, die op brute wijze door Sovjet-tanks werd neergeslagen toen zij het eenpartijstelsel begon te veranderen in een meerpartijenstelsel, de geheime dienst ontbond en uit het Warschaupact stapte. Nagy werd opgepakt, berecht en geëxecuteerd. (Het 1956 Instituut, een historisch onderzoekscentrum opgericht na de eervolle herbegrafenis van Nagy in 1989, wordt vandaag de dag bedreigd met annexatie door de nationalistische beweging – waarbij ze vergeten dat Nagy een communist bleef.)

Lukács, die vele malen gedwongen was om zich politiek te bekeren, onderdanig te zijn en zichzelf te vernederen voor zijn ‘afwijkende gedrag’, werd Nagy’s minister van Cultuur. Ook hij werd gearresteerd na de Sovjet-invasie en vervolgens opgesloten in het kasteel van graaf Dracula in Roemenië. Hoewel hij eerder kritiek had geuit op de werken van Kafka, zou hij daarna hebben bekend dat, nu ja, Kafka bij nader inzien wellicht toch een realist was. Lukács keerde uiteindelijk terug naar Boedapest onder huisarrest, zonder zijn leninisme op te geven. Hij deed ooit de laffe bewering dat zelfs de ergste vorm van socialisme altijd nog de voorkeur had boven de beste vorm van kapitalisme – wat afkeer wekte bij veel van zijn volgelingen, die zich afvroegen of het leven onder Stalin werkelijk beter was dan dat onder pak hem beet de Zweedse sociaaldemocraten. Heller noemde hem een ‘inconsistente bolsjewiek’ die zichzelf altijd als de ‘authentieke’ zag.

Net als Lukács omarmde Heller de revolutie van 1956. Die felle, bloedige strijd was ‘de belangrijkste politieke ervaring in mijn leven’, zei ze. Hoewel ze later Hannah Arendts theorie van het totalitarisme zou inpassen in haar eigen denken, nam Heller afstand van Arendts lezing van de gebeurtenissen in Hongarije. Arendt zag een ogenblik van directe democratie waarin de mensen uit hun dagelijkse sleur plots het publieke domein instapten. Voor Heller was dit beeld te romantisch en het resultaat van Arendts verlangen ‘absolute theoretische conclusies te trekken uit de geschiedenis van slechts tien dagen.’ Haar mede-Hongaren hadden in feite gestreden voor representatieve democratie en onafhankelijkheid. Heller raakte ervan overtuigd dat ‘zuivere democratie’ – democratie zonder ‘waarborgen’ – zou veranderen in ‘zuivere terreur’.

Na 1956 namen Moskou-loyalisten de macht over in Hongarije. Heller verloor haar baan aan de universiteit en werd wederom verbannen uit de Partij. Uiteindelijk nam de repressie iets af en veranderde ze in ‘goulashcommunisme’. Het uitgangspunt: de levensstandaard zou stijgen, op voorwaarde dat de politieke rust bewaard bleef. Er was weinig keuze en velen legden zich bij de situatie neer, maar de filosofen en sociologen van de ‘Boedapester School’ – Heller en andere leerlingen van Lukács – zag niets in het uitruilen van intellectuele aspiraties voor betere diners. Zo nu en dan werd hun toegestaan naar het buitenland te reizen – zo kon het regime laten zien dat het vrijheidslievend was – maar in eigen land waren hun ideeën niet welkom. Heller nam deel aan de ‘Korçula Summer Seminars’ op een eiland voor de kust van Joegoslavië, waar ‘kritische marxisten’ met elkaar alternatieven voor de officiële doctrine bespraken. Daar ontmoette ze Jürgen Habermas en Goldmann. Ze voelde zich ook aangetrokken tot een idee dat toen voornamelijk populair was in Frankrijk, namelijk dat van de revolutie in het alledaagse leven.

De situatie verslechterde toen Lukács, Heller en hun collega’s zich uitspraken tegen de invasie van Tsjecho-Slowakije in 1968. Na de dood van Lukács in 1971 verloren zijn studenten de bescherming van diens internationale prestige. Daarop volgde het ‘Proces tegen de filosofen’. De Partij stelde een ‘wetenschappelijke’ ondervraging van het marxisme van de Boedapester School voor. Heller en haar kameraden antwoordden, in haar woorden, dat ze ‘graag zouden deelnemen aan een openbare discussie… Maar we kunnen niet meewerken aan een discussie die georganiseerd is door de Partij en alleen openstaat voor degenen die de Partij uitnodigt, en bovendien alleen uit is op het omverwerpen van onze ondeugdelijke ideeën.’ De leden van de Boedapester School wisten zich snel gecensureerd wegens ‘rechtse dwalingen’ en werden gestalkt, lastiggevallen en ontslagen. Kafka bleek inderdaad een realist.

De enige uitweg voor Heller was in ballingschap gaan, eerst in Australië in 1977 en daarna in New York. Voor, tijdens en na haar ballingschap schreef ze boek na boek, artikel na artikel. Enkele titels, die ze vaak samen met haar echtgenoot en anderen schreef, geven een idee van de breedte van haar werk: The Theory of Need in Marx, Renaissance Man, Dictatorship over Needs, The Postmodern Political Condition, Beyond Justice, A Philosophy of History in Fragments, Immortal Comedy.

 

III
Waar Heller ook woonde, ze weigerde zich te schikken naar ‘de regels van het spel’, zoals ze het zelf noemde. Waar veel denkers – helaas té veel aan de linkerzijde van het politieke spectrum – beweren ‘kritische denkers’ te zijn en toch op een of andere manier altijd hun eigen uitgangspunten bevestigen, geloofde Heller dat serieuze overdenking je kan veranderen. Geen wonder dat ze soms echt ongemak opwekte.

Zo verklaarde ze dat ze geen feminist was. Niet omdat ze dacht dat mannen superieur waren – haar onderbouwing was anders: ze zou zich nooit meer identificeren met een ‘isme’, zei ze. Ieder ‘isme’, of dat nou feminisme, leninisme of ‘Hongarisme’ was, beperkte de onafhankelijkheid van het denken, drong niet-onderzochte categorieën op aan de verbeelding en poetste ongemakkelijkheden al te gemakkelijk weg. Egalitaristen die zich identificeerden met het jakobinisme, zo merkte ze scherp op, vergaten wat niet vergeten mocht worden: de jakobijnen hadden Olympe de Gouges geëxecuteerd, de schrijfster die bij de Franse revolutionairen had gepleit voor een ‘Verklaring van de Rechten van de Vrouw’. Het onthouden van vrijheid aan de vrouw had vrouwen in het verleden verhinderd grote filosofen of cultuurmakers te worden, zo oordeelde Heller, en vrijheid betekent altijd het vermogen om onafhankelijke keuzes te maken. ‘Ismes’ blokkeerden dat vermogen, terwijl het werkelijke belang van de vrouwenbeweging in haar ogen juist lag in het doorbreken van blokkades.

Hellers post-marxistische standpunten toonden een waardering voor het existentialistische denken, maar ook de sterke, blijvende invloed van de nadruk van het socialistisch humanisme op de individuele ontwikkeling door samen te leven in een gemeenschap. Ze zag zichzelf als ‘in de wereld geworpen’, een zinsnede ontleend aan Heidegger en Sartre. Maar ook als vrijheid betekent dat je jezelf moet vormgeven door keuzes te maken, dan nog word je geboren in een reeds bestaande wereld van sociale, economische en politieke verhoudingen. Bovendien bleef ze in Beyond Justice volhouden dat alle arbeid moreel gelijk was: ‘Het werk van de dokter is niet “belangrijker” dan dat van de loodgieter; het werk van de premier is niet “belangrijker” dan dat van de boer, want iedereen is even onmisbaar voor de sociale reproductie.’ Hogere salarissen voor bepaalde arbeidsvormen hebben ‘helemaal niets te maken met het intrinsieke “nut” van verschillende soorten werk.’ Dat heeft vooral te maken met de machtsverhoudingen in een samenleving. Bovendien brengt rijkdom geen menselijke voldoening, stelde ze; en rijkdom doet niets af aan het belang van wederkerigheid – een belangrijk begrip voor haar.

Het is altijd al een gevaarlijke illusie geweest te geloven dat je je bevindt op een bevoorrechte plek in de geschiedenis, stelde ze bovendien. Dat werd wel aangetoond door het bolsjewisme en evenzeer door de ineenstorting van het communisme. ‘Ik denk niet dat het filosofische systeem van Karl Marx noodzakelijkerwijs leidt tot de goelags’, schreef ze in 1998, net zo min als ‘Nietzsche met het nazisme te maken heeft.’ Het probleem lag, in haar eigen filosofische termen, niet zozeer in een ‘verkeerde uitvoering’ van het marxisme, maar in de aard van marxistisch-leninistische partijen.

De heersende macht uitdagen met een ‘alomvattend discours’ leidt maar al te gauw tot andere vormen van onderdrukking. Haar ‘uit de toon vallende’ beweringen leverde haar het verwijt op van minder verfijnde geesten dat ze het marxisme had ingewisseld voor ‘neoconservatisme’ of ‘postmodernisme’. Als ‘postmodernisme’ zoveel betekende als het afzweren van ‘totaliteit’ – een cruciaal begrip in Lukács’ meest invloedrijke werk History and Class Consciousness (1923) – dan kon ze die aanduiding wel accepteren, onder voorbehoud. In haar simpelste vorm was de premoderne politiek statisch, meende Heller, en reduceerde ze alle complexiteit tot ‘Eenheid’. De moderniteit was echter pluralistisch, dynamisch en kende verschillende ‘logica’s’. Het postmoderne politieke denken kon meerdere en tegenstrijdige vormen van politiek omvatten, sommige bevrijdend en andere niet. Net als Habermas verwierp Heller de irrationele en anti-Verlichtingstendensen van vele postmoderne denkers. Maar waar Habermas het heeft over het onvoltooide project van de Verlichting, stelde Heller dat dit project nooit voltooid kan en mag zijn. Ze sprak liever van de moderniteit als iets zonder einde, doordrongen van onvoorziene omstandigheden en dus ook mogelijkheden. Rechtvaardigheid zou altijd onvolledig zijn, en vooronderstelde noch een definitief bouwwerk, noch een verankering in fundamentele principes. Al kunnen we nooit een toestand van perfecte rechtvaardigheid scheppen, we kunnen wel de wereld ‘een beetje rechtvaardiger’ maken, vooral door burgerlijke moed. ‘Ethisch-politieke rechtvaardigheid’ moest ‘radicale tolerantie’ omarmen, evenals solidariteit en het nemen van ‘verantwoordelijkheid als burger’. Alle behoeften moesten ‘erkend’ worden, behalve die welke andere mensen reduceerden tot ‘louter middelen’ tot andere doeleinden.

Dit bracht haar ertoe de Europese Unie te steunen, zich te verzetten tegen de homogenisering van het populisme, en het illiberalisme te verwerpen. Dat deed ze terwijl ze zich verdiepte en opnieuw verdiepte in diverse denkers, van Arendt en R.G. Collingwood tot Heidegger en Hume. Ze sprak over Marx met Derrida. Ze bewonderde Edmund Burke om zijn esthetica, niet om zijn politiek.

 

IV
Halverwege de jaren negentig namen enkele redacteurs van Dissent deel aan een colloquium aan Princeton over democratie. Er werden prachtige papers gepresenteerd, door een fantastische groep denkers, waaronder Heller, Habermas, Michael Walzer en Eric Hobsbawm.

Na een lange dag van delibreren, zag ik in de lobby van het hotel waar we verbleven een ongebruikelijk tafereel: Heller en Habermas, recht tegenover elkaar, verwikkeld in een verhitte maar vriendelijke discussie. Ondertussen checkten er gasten in en uit. Hotelpersoneel, obers en piccolo’s stoven heen en weer. Geen van hen, daar ben ik van overtuigd, had enig benul wie deze figuren met hun vreemde manier van spreken waren, laat staan van hun onderwerp: Heidegger. Was hij een groot filosoof, ondanks al zijn zondes? (Heller.) Of de verkondiger van een ‘kwaadaardige religie’? (Habermas.) Het ging niet over Heideggers politiek: die verachtten ze beiden. Het meningsverschil betrof andere filosofische zaken, zoals ‘zijn’ en ‘tijd’.

Terwijl ik hun gedachtenwisseling observeerde, dacht ik na over wat Irving Howe – het brein achter de oprichting van Dissent, die niet veel eerder was overleden – ervan had kunnen maken. Hij stond erom bekend dat hij maar weinig geduld had als het op filosoferen aankwam. (Als zijn uithoudingsvermogen tekortschoot, begon hij met het haar op zijn achterhoofd te spelen.) Maar toch, als het over politiek ging, wilde hij denkers van het kaliber Habermas en Heller in Dissent. Ze erkenden, net als hij, de schade die het linkse illiberalisme en anti-humanisme had aangericht, maar ze weigerden alles ‘op te biechten’ om zich vervolgens naar de andere kant van het politieke spectrum te haasten als reactie op de kwellingen op links. Een dergelijke zelfbejubelende bekering behelsde geen heroverweging.

Toen Heller en Dissent elkaar kruisten, was dat een ontmoeting tussen een intellectueel uit Midden-Europa en de linkervleugel van de New Yorkse intellectuelen. Er waren overeenkomsten en verschillen, zowel in argumentatie als in ervaring. De confrontatie met Russische tanks was niet bepaald hetzelfde als de strijd tegen de Amerikaanse stalinisten, maar mccarthyisme en het Boedapester Proces tegen de filosofen wasemden eenzelfde soort stank uit. Howe was het trotskisme ontstegen, Heller het lukácsianisme. Waar tijdschriften als Telos, Thesis Eleven, Praxis International of Constellations een thuis werden voor haar filosofische overwegingen, werd Dissent dat voor haar politieke ideeën.

Dissent had langdurige banden met Hongaarse dissidenten en sprak steun uit voor de revolutie van 1956. Het publiceerde artikelen van dissidenten uit het Oostblok, die soms het land uit gesmokkeld moesten worden. Toen Howe mij naar Boedapest stuurde om het einde van het communisme te verslaan, ontdekte ik dat Dissent bij intellectuelen van de oppositie vermaard was en bekend stond als het kleine tijdschrift met linkse waarden dat hardnekkig afstand nam van de dictaturen die linkse begrippen uitbuitten.

Het was heel vanzelfsprekend dat Heller en Fehér onderdeel gingen uitmaken van de wereld van Dissent. Ze was tot de conclusie gekomen dat een onrechtvaardige wereld een beetje beter gemaakt moest worden, met het besef dat ze nooit volledig rechtvaardig zou zijn. Howe, een Amerikaanse liberaalsocialist die een autobiografie schreef getiteld A Margin of Hope, drong in zijn laatste artikel voor Dissent aan op een tweewerf maar nooit een driewerf hoera voor utopia. De uitgangspunten waren niet volledig hetzelfde, maar beide kwamen voort uit de grote lessen die zij trokken uit de ellende van de twintigste eeuw. Ergens aan het eind van de jaren tachtig hebben Heller, Fehér, Howe en ik samen aan de Upper West Side gedineerd om te discussiëren over politiek met het oog op een stuk voor Dissent. Al snel sierden ‘Agi’ en ‘Feri’, zoals ze heetten voor vrienden, de pagina’s van ons tijdschrift en behandelden onderwerpen variërend van de idee van het socialisme tot de tegenslagen van Gorbatsjov. Ze werden lid van de redactieraad.

Het was duidelijk dat Howe een diepe indruk op hen maakte. Tijdens een symposium ter ere van hem, in het najaarsnummer van Dissent in 1993, memoreerden Heller en Fehér Howe’s afkeer van Lukács: ‘te patricisch, te abstract en te gecompromitteerd.’ Toch zagen zij Howe als ‘belichaming van een Lukácsiaanse spreuk: echte moed blijkt niet uit het feit dat men zich verzet tegen de leraar, maar uit het feit dat men “nee” zegt tegen klasgenoten die de diepste morele en politieke overtuigingen hebben geschonden. Hij bleef verschoond van elke vorm van massasocialisme.’

Dat wil zeggen dat links de erfgenaam en niet de tegenstander moest zijn van al het goede in de klassieke liberale waarden. Niet Reagan, niet Thatcher, niet de commodificatie van de wereld, maar gelijkheid voor de wet en de autonomie van het individu. En dat samen met solidariteit, wederkerigheid en egalitarisme.

Over Howe zeiden ze verder: ‘Zijn uitingen van vriendschap kenden een unieke verfijning; hij was gespeend van alle valse grandeur van de Europese mandarijnen.’ Zijn ‘adellijkheid’ was een ‘persoonlijke verdienste, niet die van een kaste van notabelen en beroemdheden.’

Het is haast onmogelijk om betere woorden te vinden dan deze om Ágnes Heller te karakteriseren en te eren.

Vertaald door Thomas Heij.

 

Meer van Heller leest u in Nexus 74, waarin ze haar levensverhaal vertelt, en in Nexus 79, waarin zij haar leraar looft.