Literatuur

Dagboek van een dief

Heilige ongehoorzaamheid

Bestel nu Dagboek van een dief in een prachtige nieuwe vertaling van Kiki Coumans (De Bezige Bij, 2019) via onze partner Athenaeum Boekhandel

 

Heilige ongehoorzaamheid

Door Patti Smith

In de eerste aangrijpende regels van Dagboek van een dief  toont Jean Genet zijn jeugdige verlangens, zijn uitgangspunten als dichter en zijn leefregels als man. Hij begint met een enkel zinnetje – ‘De kleding van dwangarbeiders is roze met wit gestreept’ – en zet zich vervolgens tot een paragraaf van proustiaanse proporties, waarin de lezer gelijk wordt meegesleurd naar het innerlijke heiligdom van de veroordeelde en vertrouwd raakt met zijn gebaren, geluiden en geuren, zijn onuitgesproken codes. We zien de bravoure van gespierde goden, gekleed in de gekleurde strepen van een pak voor een kinderfeestje of van een verkleurde suikerstok – kleuren die waarschijnlijk gekozen zijn om de dragers, de meest hardvochtige criminelen van Frankrijk, te bespotten.

Toch heeft Genet deze spot voorzien van een zekere grandeur. Dit zijn de kleuren van de leerschool van zijn keuze, waarvan hij overtuigd is dat hij ze op een dag zelf zal dragen, wanneer hij promoveert van vondeling tot crimineel tot veroordeelde. Als dat eenmaal achter de rug is, zal hij het voorrecht verkrijgen om zijn zelfgekozen kameraden te vergezellen op hun scheepstransport vanuit de Bretonse haven van Brest naar de Îles du Salut, vlak voor de kust van het nauwelijks gekoloniseerde Frans-Guyana. Hij verbeeldt zich als een van hen, geketend aan de enkels, op het modderige pad naar de gevangenis van Saint-Laurent-du-Maroni, waar de meest gevreesden op een veer over de van piranha’s vergeven Maroni rivier worden gevaren om vervolgens weg te rotten in de hel van Duivelseiland.

In zijn jonge geest ziet hij zichzelf als een stralende volgeling, gekroond met een doornige lauwerkrans, getooid in de kleuren van een heilige omkering. Toen hij zeven maanden oud was, werd hij in een mandje achtergelaten bij het Bureau d’abandon, de vondelingenkamer. Op zijn vijftiende belandde hij in de strafkolonie voor lichte vergrijpen en overtredingen in Mettray. Op zijn negentiende werd hij oneervol ontslagen uit het Franse vreemdelingenlegioen wegens zijn al te intieme omgang met een andere soldaat. Op amper twintigjarige leeftijd werd hij een vagebond die door de vreselijkste omstandigheden laveerde. Dit is het pad dat hij kiest in zijn jacht op de roze en witte strepen van de dwangarbeiders.

Zonder een duit op zak baant hij zich een weg door het Europa van 1932, dat krioelt van een netwerk vol bedelaars, door ongedierte geplaagd, verkleumd en hongerig, op zoek naar een beetje brood, een slappe kool, de miniemste schuilplaats. Vlaanderen. Polen. Nazi-Duitsland. Tsjechoslowakije. Andalusië, de Spaanse kunst, parallel in pas met pelgrims op de St. Jacobsroute. De jonge Jean, de zelfbewuste luis, de vagebond-dief, die pooiers en drugsdealers van dienst is. Stelen betekent eten, haast als een baan, maar misdaden plegen waarop een gevangenisstraf staat is een drang van geheel andere orde. Hij voert alle benodigde inwijdingsrituelen uit en verandert op zijn beurt de sfeer, hij verheft deze mannen en kroont ze met zijn zelfontworpen lauweren. Salvador, Lucien, Guy en Stilitano, blond als een schip, Billy Budd blond. Dit is een mannenwereld, waarin alle vrouwelijkheid verborgen blijft in een ruwe bolster. Hij houdt van hen op zijn meest miserabele momenten, of het nu is om hun kracht, elegantie, lelijkheid of een geweldig geschapen geslacht. En waarom houden zij van hem? Misschien omdat ze al voorzien dat ze ooit herinnerd zullen worden dankzij hem, ieder als een viooltje, een vergeet-me-nietje platgedrukt in het boek van zijn nog niet opgetekende levensverhaal. 

Veertien jaar later schrijft Genet Dagboek van een dief, zijn allermooiste autobiografische fictietekst. Hij is een openhartige observator die het leed en de opwinding van zijn eigen dwaasheden, beproevingen en ontwikkelingen herneemt. Hij verschuilt zich niet achter een masker, maar verhuld zich wel achter een sluier. Hij verbergt zich niet, maar extraheert het edele uit het onedele. De besmeurde bandiet gaat de nacht in als een coquette gekleed in kapotte kleding van tule bestikt met lovertjes die flikkeren als fonkelende sterren wanneer ze lamplicht vangen. Deze verandering van vodden – een symbool voor de innerlijke verlichting die hij beschrijft – komt niet voort uit feiten maar uit een weelderige waarheid. Want in de poëtische vorm van zijn memoires zijn feiten niet nodig, aangezien feiten veranderen door een veranderend perspectief. Hij verliest zichzelf, denkt na over zijn eigen ontwikkeling als schrijver, en gaat dan weer op weg naar een onderaardse wereld van mannen, met het vuur van geladen lichamen die draaien rond een zon van energie. Hij keert terug in het labyrint van deze vormende periode en raakt tegelijkertijd in de war wanneer hij verneemt dat de laatste gevangenen worden verscheept van Duivelseiland omdat de Franse Republiek omwille van de onmenselijke omstandigheden de strafkolonie definitief sluit. ‘Ik word gecastreerd, de schande wordt uit mij gesneden’, beklaagt hij. Hij wordt veroordeeld zijn straf uit te zitten buiten Parijs, in grove bruine wol. 

Dagboek van een dief werd oorspronkelijk gepubliceerd in 1949 in Frankrijk, maar verscheen pas in 1964 bij Grove Press. Het werd vaardig vertaald door de grote Bernard Frechtman, die Genets taalgevoel – straattaal soepeltjes verenigd met het sublieme – volledig in de vingers had. Ik kocht een exemplaar bij Eighth Street Bookshop in West Village, New York. Het lag op de ramsjtafel samen met andere Grove-klassiekers, edities van de Evergreen Review en de literaire erotica van Olympia Press – verboden boeken waarnaar verlangd werd. Voor 99 cent, in de winter van 1968. Snel pakte ik de metro terug richting Brooklyn, naar het appartement waarin ik woonde met Robert Mapplethorpe. Die avond, terwijl de sneeuw viel, las ik eruit voor aan Robert.

Voor mij was elke pagina een wonder, voor hem een toegangspoort naar een wereld die hem heimelijk aantrok en die hij op den duur zou vereeuwigen in beeld. Kunstenaars plunderen alles. Een tekstfragment, een muzikale frase, een standbeeld, met plezier ervaren totdat de kunstenaar – gegrepen door, zoals Proust beschrijft, een geweldige vreugde – alle aanbidding van zich afwerpt en zich zet tot het maken van eigen werk. De poëzie van Genet trok mij naar het schrijven; zijn beeldtaal trok Robert naar de camera.

In 1979 vertrok ik vanuit New York naar Detroit. Ik nam nauwelijks wat mee, maar wel mijn dagboeken, als geliefde talismans, en mijn boeken. Door het herlezen van Dagboek van een dief raakte ik meer en meer geobsedeerd door het plan om zelf af te reizen naar Frans-Guyana en Genet iets terug te brengen van de overblijfselen van zijn geliefde strafkolonie, al was het maar een handjevol aarde en steentjes. Ik had bedacht hem dat te geven via Gregory Corso of William S. Burroughs, die het beiden een waardige missie zouden vinden aangezien Genet aan keelkanker leed en de reis waarschijnlijk zelf niet meer zou maken. In 1981 reisde ik met mijn inmiddels overleden echtgenoot naar Saint-Laurent-du-Maroni en verzamelde er steentjes en aarde uit de massacel van de verlaten gevangenis. Ik stopte ze in een groot Gitanes-luciferdoosje. Maar het lukte me niet ze aan hem te overhandigen. In plaats daarvan reisde ik, na de dood van mijn man, naar Marokko en begroef het bij het graf van Genet, op de christelijke begraafplaats van Larache.

Terwijl ik daar nog wat rondhing, kwam er een kind naast me zitten. Er hing een verbleekte, zijdeachtige roos gevangen in de bladeren, die hij plukte en aan mij gaf. Ik keek de kleine jongen vriendelijk aan en stelde me voor dat Genet ontroerd zou zijn geweest door deze kleine bewaker bij zijn laatste rustplaats. ‘De schande is naar je toegekomen’, fluisterde ik, nu ik mijn missie had volbracht. Woorden zijn ook steentjes. Elk woord van Dagboek van een dief is een welbewust schrijfsel, waarmee Genet ons, steentje voor steentje, inneemt voor zijn drie-eenheid van overtreding, misdaad en verraad, die tot liefde getransfigureerd uit zijn pen vloeit. 

Vertaald door Thomas Heij

Fragment uit ‘Holy Disobedience: An Introduction to the New Edition’, door Patti Smith © 2018, uit The Thief’s Journal (Grove Press 1964), de Engelse editie van Dagboek van een dief van Jean Genet.

 


Lees ook:

• Nexus 78, ‘Lessen in tegencultuur’, met o.a. Camus en Ginsberg.

50 boekentips van Patti Smith.

The New Jerusalem, gedichten van Patti Smith.