cultuur

De dood van de kathedralen

Marcel Proust

Dit klassieke essay van Marcel Proust verscheen in Nexus 8, met daarin ook een toelichtend essay van René Foqué. Een los exemplaar van dit nummer is hier te bestellen, of log in met uw leden account en lees het gehele essay online. 

Laten we voor een ogenblik veronderstellen dat het katholicisme sinds eeuwen is uitgestorven en de traditie van zijn eredienst verloren is gegaan.* Alleen de kathedralen, onbegrijpelijk geworden monumenten van een vergeten geloof, staan er nog, buiten gebruik, verstomd. Op zekere dag slagen geleerden erin de plechtigheden te reconstrueren die er vroeger werden gehouden, waarvoor de kathedralen waren gebouwd en zonder welke men er nog slechts een dode letter in zag; terwijl kunstenaars, aangespoord door de droom die grote tot zwijgen gekomen gevaarten tijdelijk nieuw leven in te blazen, deze voor een uur weer tot plaats van handeling willen maken van het geheimzinnige drama dat zich er te midden van geuren en gezangen in afspeelde, kortom voor de mis en de kathedralen willen ondernemen wat de Provençaalse dichters voor het theater van Orange en de antieke treurspelen hebben gedaan. Wat ze voor Romeinse ruïnes heeft gedaan, zou ze niet verzuimen te doen voor Franse monumenten, voor die kathedralen die de hoogste en meest oorspronkelijke uitdrukking van de geest van Frankrijk zijn.

En daar komen dan geleerden die de verloren betekenis van de kathedralen hebben weten terug te vinden: de beelden en de gebrandschilderde ramen herkrijgen hun betekenis, een mysterieuze geur hangt opnieuw in het godshuis, een gewijd drama speelt zich erin af, de kathedraal begint weer te zingen. De regering subsidieert met reden, met meer reden dan geldt voor de voorstellingen van het theater van Orange, van de Opéra-Comique en de Opéra, deze herleving van de katholieke plechtigheden, die van zo’n groot historisch, sociaal, beeldend en muzikaal belang zijn en waarvan de schoonheid alleen door Wagner is benaderd in Parsifal, dat er een imitatie van geeft.

Horden snobs trekken naar de heilige stad (of het nu Amiens, Chartres, Bourges, Laon, Reims, Beauvais, Rouen of Parijs is) en ondergaan eenmaal per jaar de emotie die ze vroeger in Bayreuth en Orange gingen zoeken: het kunstwerk genieten in het kader dat er speciaal voor gemaakt is. Jammer genoeg kunnen ze, zowel daar als in Orange, slechts nieuwsgierigen, slechts ‘dilettanti’ zijn; wat ze ook doen, in hen leeft niet de ziel van weleer. De kunstenaars die de gezangen zijn komen uitvoeren en de kunstenaars die de rol van de priesters spelen kunnen goed onderlegd zijn en zich hebben laten doordringen door de geest van de teksten. Maar ondanks alles kan men niet nalaten te bedenken hoeveel mooier die feesten moeten zijn geweest in de tijd toen het priesters waren die de missen celebreerden, niet om geletterden een idee van die plechtigheden te geven, maar omdat ze in de werkzaamheid ervan hetzelfde geloof hadden als de kunstenaars die het laatste oordeel op het timpaan boven het portaal beeldhouwden of de heiligenlevens op de ramen van de apsis schilderden. Hoeveel luider, hoeveel juister moet het totale werk hebben gesproken toen een heel volk de stem van de priester beantwoordde, op de knieën zonk als het belletje van de elevatie klonk, niet als nuchtere, stijlgetrouwe figuranten zoals in die retrospectieve voorstellingen, maar omdat ook zij geloofden, net als de priester en de beeldhouwer.

Ziedaar wat men zou denken als de katholieke godsdienst dood was. Maar hij bestaat, en om ons datgene voor te stellen wat levend was en in de volle uitoefening van zijn taak verkeerde, een kathedraal uit de dertiende eeuw, hoeven we die niet tot kader te maken van reconstructies en retrospectieven die misschien wel exact, maar totaal onbezield zijn.