Lezen in tijden van corona

De geest van verzet

Rob Riemen

I
Op 13 juli 1942 om 4.00 uur vertrekt het 101e Reserve Politiebataljon van nazi-Duitsland uit het Poolse stadje Biłgoraj naar het iets verder gelegen dorp Jozéfow. In het dorpje wonen hoofdzakelijk Joden, ongeveer achttienhonderd. Het is nog vroeg in de ochtend en de bewoners van het dorp, niets vermoedend van wat komen gaat, slapen nog. Aangekomen aan de rand van het dorp spreekt de commandant, majoor Trapp, zijn vijfhonderd soldaten als volgt toe:

Mannen, vandaag zullen jullie een moeilijke maar noodzakelijke taak moeten volbrengen: Alle Joden hier moeten weg! Gezonde mannen neem je gevangen en die gaan naar een werkkamp. Alle vrouwen, kinderen, zieken en ouderen moeten worden doodgeschoten. Dit is een opdracht van het hoogste gezag! Vergeet niet: dit zijn de Joden die ons Duitsland willen vernietigen.

Vervolgens zegt de commandant iets opmerkelijks: ‘Wij moeten dit doen, het is onze plicht. Maar wie niet mee wil doen, mag nu gaan!’

Het 101e Reserve Politiebataljon bestaat uit ‘gewone mannen’; middelbare leeftijd, veertigers, vijftigers, uit arbeidersklasse en middenstand. Te oud voor het leger, te oud om opgevoed te zijn in de nazi-ideologie. De meesten houden zich überhaupt niet met politiek bezig. Bovendien zijn het geen slechte mensen, het zijn geen criminelen, moordenaars of sadisten. En toch, van de vijfhonderd zijn er slechts twaalf die weglopen. De rest voert de ‘opdracht van het hoogste gezag’ plichtsgetrouw uit. Op het einde van dag hebben ze vijftienhonderd vrouwen, kinderen, zieken en bejaarden doodgeschoten. Conform opdracht: in de nek. Desalniettemin raken uniformen bespat met hersenen, bloed en botsplinters.

Die avond zijn de meeste mannen ziek en walgen ze van wat ze hebben gedaan – maar toch zullen ze ook de volgende opdracht plichtsgetrouw uitvoeren. In totaal zal dit Reserve Politiebataljon 38.000 Joden vermoorden en 45.000 Joden afvoeren naar het concentratiekamp Treblinka.

Het is een van die eeuwige, vervloekte vragen geworden: hoe kan het dat gewone mensen, die voor de oorlog geen moordenaars of criminelen waren, zoiets onmenselijks doen – en blijven doen?

In het Archief van Duitse Oorlogsmisdaden zijn de verslagen van de verhoren van de leden van dit Reserve Politiebataljon 101 te vinden. Daaruit leren we het volgende:

  • Het was een opdracht en dan moet je gehoorzamen.
  • Je wilt de groep, je kameraden, niet afvallen.
  • Je conformeert je om geen buitenstaander te zijn.
  • Op deze wijze had het niet gemogen, het was walgelijk, maar het waren wel Joden, dus de vijand.

 

Na de Tweede Wereldoorlog is de westerse samenleving gebrandmerkt door de vragen: wat is hier aan de hand? Vanwaar dit kwaad? Waarom plegen gewone mensen onmenselijke daden?

In de jaren ’50 stelde een jonge Joodse Amerikaan, Stanley Milgram, de vraag: kan dit ook in Amerika gebeuren? Hij doet vervolgens een beroemd geworden experiment: diverse mensen, allemaal gewone brave, beschaafde burgers, worden gevraagd om mee te werken aan een experiment om het leervermogen en geheugen te verbeteren door middel van straf. In het experiment moet een leerling woordparen leren onthouden. De leraar noemt een trefwoord en de leerling moet het andere woord noemen. Bij ‘goed’ krijgt de leerling een compliment, bij ‘fout’ een elektroshock, bij volgende fouten van een steeds hoger voltage.

In dit experiment is de leerling een acteur, maar degenen die gevraagd worden om de ‘leraar’ te zijn weten dat niet. De leerling maakt fouten, toont pijn, maar de proefpersonen gaan toch door met het toedienen van de steeds hogere elektroshocks, conform opdracht… Wanneer de leerling ligt te kronkelen van de pijn en de proefpersoon wil stoppen, zegt de begeleider: ‘U heeft een contract getekend, u moet de regels volgen, bovendien ik neem de volledige verantwoordelijkheid op me…’ En vervolgens gaan tal van proefpersonen zelfs door tot de ultieme pijngrens.

Toen Milgram vervolgens onderzocht waarom, kreeg hij eenzelfde soort antwoorden als die van de soldaten die oorlogsmisdaden hadden gepleegd:

  • Er zijn regels, je moet gehoorzamen.
  • Ik volg een autoriteit, ik deed wat mij gezegd werd maar ik ben niet verantwoordelijk.
  • Ik had geen keuze.

 

Er is een tweede beroemd onderzoek naar de oorzaak van kwaadaardig gedrag: het Stanford Prison Experiment van Philip Zimbardo.

In 1971 laat hij vrijwilligers een gevangenissituatie nabootsen: de ene groep is ‘gevangene’, de andere groep ‘bewaker’. Ook nu waren de deelnemers gezonde, intelligente, normale mensen. Maar zij die de rol van gevangene kregen, werden al gauw apathisch, afhankelijk, volstrekt gehoorzaam aan de dominante macht. De groep bewakers leeft zijn macht uit en gaat al gauw vernederen, kwellen, misbruiken en martelen. Het experiment moet vroegtijdig worden gestaakt, omdat al snel bij beide groepen excessief gedrag ontstaat.

Wat de lotgevallen van het Bataljon en deze experimenten ons leren is:

  • Er zijn maar heel weinig echt goede en echt slechte mensen.
  • Ons handelen wordt al te vaak bepaald door de situatie waarin we ons bevinden.
  • Maar weinig mensen zijn een persoonlijkheid, hebben echt een eigen identiteit; in het algemeen spelen we een ‘rol’ en zijn we vooral wat onze omgeving of situatie van ons verlangt.
  • We spelen die rol door een diep gevoelde behoefte aan acceptatie: van ouders, van een partner, van een groep. We willen erbij horen, geen buitenstaander zijn.
  • We zijn in het algemeen zeer ontvankelijk voor de sociale macht: de sociale druk van familie, groep of de algemeen geldende opvattingen.
  • Liever passen we ons aan of gehoorzamen we, dan dat we zelf verantwoordelijk willen zijn, en door het constante aanpassen wordt ons karakter in hoge mate gevormd door degenen die ons domineren.
  • In tegenstelling tot wat we graag geloven, zijn we meestal niet onszelf! We zijn en we willen zijn wat anderen vinden dat we moeten zijn.
  • In bepaalde omstandigheden is bijna iedereen bereid om, conform opdracht, onmenselijke daden te plegen…

 

II
Met inachtneming van al deze pijnlijke feiten mag het duidelijk zijn dat zij die zich niet aanpassen en zich wel verzetten altijd uitzonderingen zijn! Maar wie verzet zich? Waarom? Wat is de geest van het verzet? Waarom lijkt die geest van het verzet zo weinig aanwezig in onze samenleving? En: is het mogelijk – en zo ja hoe? – die geest van verzet ons toch eigen te maken?

In zijn aangrijpende roman Alleen in Berlijn vertelt Hans Fallada het waargebeurde verhaal van – opnieuw – twee gewone, eenvoudige mensen uit de Duitse arbeidersklasse, die zich echter wel gaan verzetten tegen het Hitler-regime.

Otto en Anna Quangel hebben ook alle geloof in de Führer – totdat hun enige kind in 1940 aan het front om het leven komt. In de brief met het overlijdensbericht staat dat hun zoon ‘een heldendood voor zijn Führer en zijn Volk’ gestorven is, maar ze weten dat dat een leugen is. Deze jongen wilde niet vechten, hij wilde geen oorlog. Voor de ouders staat vast: Hitler heeft hun enige kind vermoord.

Ze besluiten tot verzet. Ze kunnen geen grote daden verrichten, maar ze willen iets doen. Tegen de Führer, maar ook tegen de maatschappij waarin niemand meer zelf mag denken en altijd moet doen wat er gezegd wordt, en waarin de mensen, zoals de ouders Quangel zich nu realiseren, ‘zonder liefde, zonder geloof, zonder doel, alleen op eigen voordeel zijn bedacht.’

Vervolgens besluiten ze om overal in Berlijn kaarten neer te leggen met teksten als: ‘Moeder! De Führer heeft mijn zoon vermoord.’ Wat ze hopen te bereiken is hun stadgenoten aan het denken te zetten, dat ze hun angst overwinnen en zich bewust worden van het feit dat het Hitler-regime moorddadig is en ieder die zich niet verzet medeplichtig maakt. Met gevaar voor eigen leven beschrijven Otto en Anna honderden kaarten met anti-naziteksten en verspreiden ze die in openbare gebouwen.

Maar de mensen zijn bang en leveren de kaarten die ze her en der vinden direct in bij de Gestapo. Otto en Anna Quangel worden opgepakt en weten dat ze het niet zullen overleven.

In de gevangenis, in afwachting van een showproces, komt Otto in de cel bij Dr. Reinhardt, een dirigent die de moed heeft gehad om te waarschuwen tegen het fascisme. Otto beziet als eenvoudige arbeider deze dirigent met veel scepsis, en hij houdt hem voor: ‘Dirigent zijn, muziek, wat heb je daar nu aan? Ik ben meubelmaker, mijn werk blijft wel honderd jaren goed. Maar muziek… als u ophoudt is er niets van uw werk overgebleven.’

De dirigent antwoordt Otto: ‘Toch wel, beste man. De vreugde van binnen bij de mensen die mooie muziek gehoord hebben, die blijft.’

Op een gegeven moment komt er een kleine dief in de cel, echt een kleine schoft, die ook hun brood steelt. Als de dirigent weer eens mild reageert, wordt Otto boos: ‘U bent te slap. We moeten dit gespuis eens flink op zijn nummer zetten!’

Maar de dirigent antwoordt: ‘Moeten wij dan net zo worden als de anderen? Die denken toch ook dat zij ons met slaan tot andere gedachten kunnen bekeren. Maar wij geloven niet in de heerschappij van geweld. Wij geloven in goedheid, liefde, rechtvaardigheid.’

Wanneer Otto gaat twijfelen over het nut van zijn verzet, zich realiseert dat hij niets heeft bereikt, dat alle kaarten die hij met gevaar voor eigen leven heeft verspreid braaf zijn aangegeven bij de Gestapo, dat hij en zijn vrouw omwille van een hopeloze zaak op een ellendige wijze aan hun einde zullen komen, zegt de dirigent streng:

Maar hoe kunt u dit nu zeggen! Zou u dan liever voor een onrechtvaardige zaak leven dan voor een rechtvaardige zaak sterven? Er is toch helemaal geen keuze, voor u zomin als voor mij. Omdat we zijn wie we zijn, moeten we deze weg volgen.

Deze opvatting van de dirigent is des te opmerkelijker omdat we al eerder tot de conclusie waren gekomen – op basis van verhalen uit de oorlog, bevindingen van psychologische experimenten en wellicht ook door eigen ervaringen – dat, omdat we zijn wie we zijn, we geen keuze hebben en we precies daarom ons aanpassen, conformeren, gehoorzamen, meegaan, ons niet verzetten.

Echter, de musicus die in het verzet is gegaan komt met exact dezelfde argumenten tot de tegengestelde conclusie: omdat we zijn wie we zijn, hebben we geen keuze, moeten we ons verzetten, ‘opdat wij wel fatsoenlijke, rechtvaardige, liefdevolle mensen blijven’! Dat is wat hij de moedeloze Otto voorhoudt.

Wat is het verschil?

Om dat antwoord te vinden moeten we eerst proberen het wezen van de geest van het verzet te doorgronden.

De Europese cultuur kent drie archetypen die ons daarover kunnen leren.

Het eerste archetype is: