Geschiedenis

De wereld redden?

Ágnes Heller

Dit essay verscheen in 2017, in Nexus 74, ‘Wat zal de wereld redden’. Bestel dit nummer als onderdeel van ons proefpakket.

 

Een getuigenis

Elke autobiografie is een vorm van getuigenis afleggen. We vertellen allemaal ons levensverhaal, aan onszelf en allerlei anderen. Alle autobiografische verhalen draaien om de verteller. De herinneringen van de verhalenverteller, de wijze waarop hij of zij geheugensporen aan elkaar knoopt tot een samenhangend verhaal, zijn en blijven diens persoonlijke eigendom.

Volgens Locke bepalen deze herinneringen en deze vertellingen de identiteit van ieder mens, of in elk geval zijn subjectieve identiteit. Maar toch, hoewel de verhalenverteller de spil van zijn of haar verhaal is, zijn de hoofdfiguren in alle autobiografische verhalen niet de vertellers zelf, maar de anderen, vooral de representatieve anderen, wier aanwezigheid of afwezigheid een onuitwisbaar stempel heeft gedrukt op de herinneringen van de verteller en daarmee op diens persoonlijkheid. Elk levensverhaal verdient het om verteld te worden.

We vertellen allemaal sterk uiteenlopende verhalen over ons leven. Het ene verhaal is bestemd voor onze dierbaren, het andere voor onze baas of voor openbaar gebruik. Welke versie je anderen voorschotelt, zal afhangen van de situatie waarin de communicatie plaatsvindt en van de persoonlijkheid en functie van degene die je levensgeschiedenis aanhoort. Als je tachtig bent, vertel je bovendien een ander verhaal over je leven als twintigjarige dan wanneer je veertig bent.

Net als iedereen, kan ook ik mijn levensverhaal op allerlei manieren vertellen. Ik kan het verhaal van mijn filosofie vertellen, wat ik al eens heb gedaan, of het verhaal van mijn vriendschappen, van mijn liefdes, van mijn reizen en vele andere. Maar bij deze gelegenheid, een bijeenkomst waar we de redding van de wereld zullen bespreken, zal ik mijn levensverhaal vertellen, mijn persoonlijke ervaringen die door de twintigste-eeuwse geschiedenis zijn getekend. Ik zal vertellen over belevenissen die waren gekleurd door de hoop op wereldlijke verlossing, over het verlies van die hoop, en over de lering die ik daaruit getrokken heb — als ik dat überhaupt heb gedaan.

Ik ben geboren in 1929, het jaar dat de wereldeconomie instortte, de grootste economische crisis die Europa en Amerika ooit hebben gekend. Dat was slechts elf jaar na het eind van de Eerste Wereldoorlog. Mijn geboorte viel ook samen met het ontstaan van de geluidsfilm. Ik kwam ter wereld als Hongaarse, als Jood en als meisje — drie identiteiten die reeds bij mijn geboorte geen rooskleurige toekomst voorspelden. Hongarije had zwaar te lijden onder het traumatische Verdrag van Trianon en de eerste antisemitische wetgeving, de zogeheten numerus-claususwet, die de toegang van Joodse jongeren tot Hongaarse universiteiten beperkte, was reeds van kracht. Toen ik nog maar net kon lezen, kwam ik erachter dat ik als Jood en als meisje nooit zou worden toegelaten tot een instelling van hoger onderwijs, hoe ambitieus of intelligent ik ook was.

Mijn vader, een politiek geëngageerd man met een groot moreel besef, heeft me vanaf mijn vroegste jeugd verteld over alles wat er in de wereld plaatsvond. Hij vertelde over het nazisme en zelfs over de arbeidersopstand in Wenen. Hij was advocaat, en werkte vanaf 1933 pro Deo voor vluchtelingen, zodat mijn moeder de kostwinner werd bij ons thuis. Soms woonden er zelfs vluchtelingen in ons appartement, waardoor ik al op mijn zevende wist van het bestaan van Dachau en andere concentratiekampen. We waren ook arm. Dat was een goede voorbereiding op mijn toekomstige leven.

Toen ik tien was, nam het Hongaarse parlement twee antisemitische wetten aan en stelde een numerus clausus voor middelbare scholen in. Daardoor werden de staatsgymnasia onbereikbaar voor me. Deze pech bleek echter een groot geluk te zijn. Hetzelfde is me later in mijn leven nog meerdere malen overkomen. Hoewel ik alleen naar het Joodse gymnasium mocht, kreeg ik daar onderwijs van een paar uitmuntende docenten die vanwege de antisemitische wetgeving niet aan de universiteit mochten doceren.

Ik was nog maar net op het Joodse gymnasium begonnen toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Ik weet nog hoe hevig ik naar die oorlog verlangde. Op mijn tiende schreef ik in mijn dagboek dat het nazisme heel Europa zou veroveren als er geen oorlog werd gevoerd. Door de herinnering aan dit intense verlangen naar oorlog, door deze ervaring, heb ik nooit een pacifist kunnen worden.

Op mijn zevende begon ik boeken te verslinden. Een van de boeken die ik als jonge tiener las, was de biografie van Madame Curie, geschreven door haar dochter, Ève Curie. Dat boek was een openbaring voor me. Wat niemand onder mijn vrienden, vooral de meisjes niet, voor mogelijk hield, kon toch. Het was wel mogelijk om als vrouw een man en kinderen te hebben en daarnaast een vooraanstaand wetenschapper te worden, die mannen evenaarde of zelfs overtrof. Geïnspireerd door deze biografie besloot ik scheikunde te gaan studeren en ik nam me voor om net zo iets belangrijks als radium te ontdekken. Het was maar een verlangen, een dagdroom, maar toch had dat een motiverende kracht.

In het begin van de oorlog werd duidelijk dat mijn hoop op een snelle nederlaag van Hitler een illusie was. Toch geloofde ik stellig dat het nazisme uiteindelijk het onderspit zou delven. Jarenlang voorspelde de grote kaart die we aan de muur hadden geprikt weinig goeds. We luisterden stiekem naar de bbc, wat verboden was. Sindsdien doet de Vijfde Symfonie van Beethoven me altijd terugdenken aan die heimelijke bijeenkomsten.

In 1941 raakte Hongarije betrokken bij de oorlog. Joodse jongens, onder wie familieleden en vrienden van me, dienden in arbeidsbataljons, waarin ze zwaarder leden onder hun officieren dan onder de vijand. Maar ten slotte begon de kaart aan de muur langzaamaan naar ons te glimlachen. De Slag bij Stalingrad en de nederlaag van Rommel deden onze stemming omslaan. Terwijl onze hoop tegen het eind van de oorlog steeds vastere vormen aannam, leden Hongaarse jongemannen zowel in het leger als in de arbeidsbataljons gruwelijke verliezen. Volkomen tevergeefs. Ons dagelijks leven werd gekleurd door rouw en hoop. We geloofden dat het binnenkort allemaal voorbij zou zijn.

Maar op 19 maart 1944 vielen de Duitsers Hongarije binnen. Ik besefte onmiddellijk dat dit een doodsvonnis was, waarbij alleen het tijdstip van mijn executie nog niet was vastgesteld. Als meisje van veertien of vijftien, zonder geld om vervalste papieren te kopen, moest ik terugvallen op mijn instinct. Mijn vader was in april door de Gestapo opgepakt vanwege zijn medewerking aan een hulporganisatie voor vluchtelingen, die als samenzwering werd omschreven. De Gestapo leverde hem uit aan de Hongaarse overheid, die hem vervolgens als Jood in een interneringskamp stopte, waarvan de gevangenen in juni 1944 naar Auschwitz werden gedeporteerd. Ik zal nooit de dag vergeten dat mijn moeder en ik uren achter elkaar wachtten op alle liften die op onze verdieping stopten, met slinkende hoop dat mijn vader misschien toch kwam. Hij is nooit verschenen.

Joden van het Hongaarse platteland, onder wie mijn tante en neef, werden in getto’s opgesloten en daarna vrijwel allemaal op transport naar Auschwitz gezet. Binnen drie maanden werd er zo een half miljoen Joden gedeporteerd. We wisten dat wij in Boedapest als volgenden aan de beurt zouden zijn. We wisten ook dat je nog voor de deportatie vermoord kon worden, iets wat veel Joden overkwam.

Mijn gevoel zei me dat ik nooit mee moest gaan naar de plek waar ze ons heen voerden, omdat ze ons daar zouden ombrengen. Volwassenen hadden nog steeds vertrouwen in het gezag, ze geloofden dat als ze je zeiden dat je tewerk zou worden gesteld, dit ook zou gebeuren. Maar kinderen zijn instinctmatiger, ervaren dingen nog meer als dieren en ruiken gevaar dat volwassenen niet opmerken. Dit instinct heeft me meerdere malen geholpen om met mijn moeder aan deportatie te ontkomen. Dat ik het heb overleefd blijft toeval, want iedereen die het overleefde, deed dat bij toeval.

Toen de Pijlkruisers, de Hongaarse nazi’s, aan de macht kwamen, was de route naar Auschwitz en de gaskamers reeds geblokkeerd. De massamoord werd minder geïnstitutionaliseerd, meer pogromachtig, persoonlijker. De Pijlkruisers waren schietgraag en schoten Joden dood wanneer ze maar konden. Ik ben met vele anderen naar de Donau gebracht, waar ze mensen doodschoten en in de rivier lieten vallen. Ze stopten echter met schieten toen ons gezin bijna aan de beurt was. Ik richtte al mijn aandacht op de rivier en nam me voor om te springen, om een ontsnappingspoging te wagen door in het ijskoude water te duiken. Ik was niet bang en dacht niet aan de dood, alleen maar aan zwemmen. Ik heb nooit geweten waarom de Pijlkruisers toen stopten met schieten. Ook bij andere gelegenheden ben ik door stom toeval ontsnapt. Ik had dood moeten zijn; het is louter toeval dat ik niet dood ben. Dat is me altijd bijgebleven. De nazi’s hebben mijn angst voor de dood voorgoed vermoord.

16 januari 1945 was mijn bevrijdingsdag. Wanneer mensen me vragen wat de gelukkigste dag van mijn leven was, zeg ik altijd zonder aarzelen dat het gelukkigste moment van mijn leven was toen ik zag hoe een Russische soldaat naar onze binnenplaats sloop.

De periode na de bevrijding was ook een tijd van oplevende hoop. Ik wist toen nog niet wat ik later pas heb geleerd, dat bevrijding weliswaar een noodzakelijke voorwaarde voor vrijheid is, maar nog geen vrijheid. Vrijheid begint met de waarborging van vrijheden. Maar een bevrijding kan ook omslaan in een nieuw soort slavernij, zoals in Hongarije is gebeurd.

Als je, zoals ik, de voltrekking van je doodsvonnis door stom toeval hebt overleefd, snak je naar een absolute, wereldlijke vorm van verlossing. Eerst sloot ik me aan bij een zionistische beweging, daarna werd ik lid van de Communistische Partij. In 1947 geloofde ik dat het communisme de wereld zou redden. Het was de belofte van de ultieme utopie.

Van al mijn ervaringen met niet ingeloste verwachtingen was dit wellicht de hevigste. Het communisme bood geen verlossing en vanaf 1949 werd mijn land onderworpen aan een bolsjewistische, totalitaire dictatuur. Hongarije werd blootgesteld aan massadetentie, massa-executie en indoctrinatie van allerlei aard. Aanvankelijk hield ik mezelf voor de gek door vast te houden aan het geloof dat het communisme een mooie gedachte was, die bij de tenuitvoerlegging door de partijleiders werd misvormd. Teleurstelling is een geleidelijk proces, omdat je je hoop en je zelfbedrog niet wilt loslaten.

Er was nog een reden waarom ik me vastklampte aan mijn irrationele hoop. Ik was gaan studeren bij György Lukács, die communist was, en ik dacht dat iets waar hij in geloofde onmogelijk verkeerd kon zijn. Het is puur toeval dat ik een discipel van Lukács werd, want ik was aan de universiteit begonnen als scheikundestudent, precies zoals ik me op mijn dertiende had voorgenomen na het lezen van het boek over Madame Curie. Ik ben het toeval dankbaar, want dit was een keerpunt in mijn leven. Ik besefte dat mijn toekomst in de filosofie lag. Ik ben Lukács, mijn grote mentor, dankbaar, ook al deelde ik na 1953 niet langer zijn politieke illusies.

Het jaar 1953 was een keerpunt in de politieke geschiedenis van Hongarije en in mijn eigen leven. Ik ontdekte (wat ik natuurlijk eerder had kunnen doen) dat alles een leugen was. Wat ik toen een leugen noemde was het ‘reëel bestaande socialisme’ of het ‘bolsjewistische communisme’, maar niet de socialistische utopie en zeker niet het marxisme.

Het politieke klimaat sloeg om toen Imre Nagy voor de eerste keer premier van Hongarije werd. Politieke gevangenen werden vrijgelaten, interneringskampen gingen dicht, het leek alsof er een socialisme met een menselijk gezicht aan het ontstaan was. Voor het eerst maakte de politiek deel uit van mijn leven. Lijden als gevolg van politiek is namelijk geen politiek. In de communistische staten bestond geen politiek leven, want het onthouden van steun en geestelijk verzet zijn weliswaar moreel relevant, maar nog geen politiek. Politiek vooronderstelt een open ruimte waarin meningen kunnen worden geuit, zelfs als dat niet in volledige vrijheid gebeurt, maar slechts tot op zekere hoogte. Onder het Hongaarse communisme is dat alleen tussen 1953 en 1956 mogelijk geweest. Aan het eind van die periode moedigden het Twintigste Congres van de Communistische Partij en de beroemde toespraak van Chroesjtsjov de kritische geluiden aan, alle stemmen, niet alleen in Hongarije maar ook onder zogenoemde westerse communisten in andere landen.

Daar en toen leerde ik mijn eerste politieke les, een les die zijn hoogtepunt bereikte met de revolutie van 1956, zonder twijfel de belangrijkste politieke ervaring van mijn leven. We weten dat alle revoluties in de ogen van hun aanhangers worden verraden. Dat geldt echter alleen voor geslaagde revoluties, niet voor revoluties die zijn neergeslagen. De Hongaarse revolutie van 1956 werd neergeslagen, en is dus niet ingehaald door de werkelijkheid. Maar de herinnering eraan kun je nog steeds verraden, door die te gebruiken als politiek wapen voor de propagandamachines van politieke machthebbers.

Hoe kort en volstrekt onbeduidend mijn politieke rol in deze revolutie ook was, hij kostte me wel mijn baan aan de universiteit. Met een disciplinaire maatregel werd ik overgeplaatst naar een middelbare school waar ik Hongaarse literatuur moest doceren. Ik kreeg een publicatieverbod en mocht niet naar het buitenland reizen. Ik werd aangevallen zonder de mogelijkheid een weerwoord te geven. Aanvankelijk werd er ook met gevangenisstraf gedreigd, maar dat gevaar was geweken toen Lukács toestemming kreeg om na zijn deportatie naar Roemenië terug te keren naar Hongarije.

Kortom, ik was opnieuw de dans ontsprongen. En deze keer besefte zelfs ik het. Het is een geluk om geen vervolger te zijn maar vervolgd te worden. Het deed me denken aan het Bijbelse verhaal van Jozef, die in de put werd geworpen. Je moet in de put geworpen worden om ‘onderkoning van Egypte’ te worden, om een echt goede filosoof te zijn.

In de jaren zestig werd het leven eenvoudiger. We werkten aan onze projecten met een aantal bevriende filosofen, gemarginaliseerd door de autoriteiten, in een samenwerkingsverband dat later de School van Boedapest werd genoemd. Soms kregen we zelfs uitreisvisa en konden dan aan conferenties deelnemen. Tijdens de zomeruniversiteit op Korčula kreeg ik de kans om deel te nemen aan het destijds opbloeiende linkse debat. Deelnemers aan deze debatten geloofden dat al onze uitspraken gewicht hebben, dat onze ideeën en standpunten de wereld daadwerkelijk veranderen, of er op zijn minst een blijvende stempel op drukken. Er werden allerlei utopieën bedacht. Geen van de deelnemers geloofde nog in het bolsjewisme, maar er waren wel apologeten van Cuba en Trotski, en van Marcuse, die zelf ook aanwezig was. Nieuw Links was in opkomst en ik hervond mijn oude geestdrift. Ditmaal werd ik een enthousiast pleitbezorger van de revolutie van het dagelijks leven. De gebeurtenissen in Parijs in mei 1968 deden die hoop in vervulling gaan.

Toen vielen de Sovjets (samen met de Hongaren) in augustus 1968 Tsjecho-Slowakije binnen. Vijf Hongaarse filosofen op Korčula, onder wie ikzelf, legden tegenover het Franse persbureau afp een verklaring af waarin we de invasie veroordeelden. Dit was de eerste openlijke verzetsdaad tegen het Kádár-regime sinds 1957. De consequenties waren voorspelbaar. Onze groep van een stuk of twaalf leden werd tot volksvijand nummer één verklaard. De leefbare tijden waren voorbij. We verloren allemaal onze baan, konden nergens meer werk krijgen en werden officieel verketterd middels een partijbesluit, dat mij en anderen omschreef als antimarxisten voor wie geen plaats was binnen de wetenschappelijke gemeenschap van Hongarije. Uiteraard ben ik nooit een ‘antimarxist’ geweest, want ‘anti’ zijn is volgens mij wezensvreemd aan de filosofische manier van denken. Je kunt wel een aristoteliaan zijn, maar geen antiplatonist. Het liefst zou ik alle ‘ismen’ afschaffen. Ik concludeerde dat scholen of ‘ismen’ er niet meer toe deden, omdat de filosofie persoonlijk was geworden.

De geheime politie schaduwde ons op straat, er werd afluisterapparatuur in ons appartement geplaatst, politie-informanten belden aan, mijn man werd enkele dagen vastgehouden en we kregen allebei een waarschuwing van de politie wegens ‘opruiing tegen de volksdemocratie’. Ik was niet bang, maar vond het wel walgelijk. Ons leven werd ondraaglijk. Daarom besloten we te emigreren. Het duurde vele jaren voor we toestemming kregen, maar uiteindelijk is het gelukt.

In Melbourne en New York heb ik iets geleerd over burgerschap. Dit was vooral een theoretische les, op basis van discussie en observatie. De regimewisseling in Hongarije stelde mij op de proef. Dit was de eerste en enige gelegenheid waarbij ik als burger kon deelnemen aan het politieke leven. Ik heb een andere weg bewandeld dan filosofen, van Plato tot Sartre, die raadgevers van zowel verlichte als onverlichte tirannen zijn geweest. Ik heb als burger samen met andere burgers deelgenomen aan besluitvormingsprocessen, de politieke situatie beoordeeld en in de openbare ruimte nagedacht over optimale mogelijkheden.

Hoe kan de liberale democratie wortel schieten in aarde waar ze niet eerder heeft bestaan, hoe kan een volk dat nooit over zijn eigen lot heeft mogen beschikken leren hoe je dat doet? Dit was geen utopie, maar een mogelijkheid, ook al was die niet heel reëel. Zoals met vele mogelijkheden is gebeurd, is ook deze nooit echt verwezenlijkt. Ons land werd een zogenoemde illiberale democratie, waarin de meerderheidsstem is uitgemond in de heerschappij van een almachtig centrum, waarin weinig burgers zich verantwoordelijk voelen voor de toekomst van het land, en slechts weinigen onafhankelijk blijven denken. Het verleden keert in verhevigde vorm terug. Maar een verleden is geen noodlot. De leden van de democratische oppositie in Hongarije, waartoe ik behoor, jagen niet op spoken, dromen niet van een volmaakte, rechtvaardige samenleving en zijn evenmin een nieuw staatsmodel aan het ontwikkelen. Wat wij tot stand willen brengen, is een vrije openbare ruimte, waarin gewetensvolle en zelfbewuste burgers met verantwoordelijkheidsbesef beslissen over hun eigen lot. Dat is gevaarlijker dan het ontwerpen van een model van de volmaakte staat.

Aan het begin van deze voordracht zei ik dat ik spreek als ooggetuige van de geschiedenis, van de twintigste-eeuwse geschiedenis. Kun je iets van een levensverhaal leren? Hegel heeft gezegd dat je van de geschiedenis maar één ding kunt leren, namelijk dat je er niets van kunt leren. Dat zou je van het levensverhaal van een ooggetuige ook kunnen zeggen. Hegel had bijna gelijk, maar volgens mij toch niet helemaal. Zelfs als je de antwoorden niet kunt achterhalen, kun je leren om vragen te formuleren en een diagnose te stellen.

Laat ik beginnen met de diagnose.

De wereld is altijd een gevaarlijk oord geweest, en is dat nog steeds. Beloften van het tegendeel zijn keer op keer leugens en holle illusies gebleken. Het getuigde van grote overmoed om te geloven dat onze tijd de uitzondering zou zijn op alle eerdere tijdperken, dat we eindelijk zijn aangekomen bij de historische fase waarin eeuwigdurende vrede en eeuwigdurende vrijheid wortel schieten op de hele aardbol en we het beloofde land op aarde bereiken. Hoogmoed wordt altijd afgestraft door wanhoop, en onze hoogmoed is meer dan eens door desillusie en wanhoop afgestraft.

Wat houdt het in om de wereld te redden?

Allereerst: wat bedoelen we met ‘wereld’ als we die vraag stellen? Simpel gezegd is de wereld de tijd en plaats waarin we door het toeval van onze geboorte beland zijn, de plek waar en tijd waarin we leven en zullen sterven. De wereld redden betekent dan onze wereld redden, deze wereld, de wereld waarop we geboren zijn en waarop we zullen sterven, hem behoeden voor zelfvernietiging en vernietiging door anderen. De actieradius, dat wil zeggen de plaats en tijd die je met je daden kunt bestrijken, zal op verschillende momenten en plaatsen per persoon verschillen. Je kunt iets redden als je er iets voor kunt doen. Je kunt de wereld zelfs in overdrachtelijke zin alleen redden als het woord ‘wereld’ staat voor specifieke plaatsen, voor dreigende gevaren waarover je niet alleen hebt vernomen via boeken, televisie of internet, maar die in praktische zin binnen je bereik liggen.

Ten tweede, wat betekent ‘redden’, en redden waarvan? Om ‘de wereld te redden’ moeten we om te beginnen onszelf bevrijden van onze zelfopgelegde sociopolitieke blindheid. Er dreigen voortdurend gevaren, soms dodelijke gevaren, die desondanks alleen opgemerkt worden door enkelingen naar wie niemand luistert, en die soms zelfs bespot of monddood gemaakt worden. Hiervan is Cassandra nog steeds het klassieke voorbeeld.

Wat maakt de mensen, ons dus, zo blind? Fanatisme, goedgelovigheid, verveling, ambitie, angst en hoop.

In mijn beknopte levensgeschiedenis sprak ik over de catastrofes van de twintigste eeuw. Die hadden stuk voor stuk afgewend kunnen worden.

De eerste Europese catastrofe, de erfzonde van Europa, was de Eerste Wereldoorlog. In de jaren die eraan voorafgingen hadden de arbeidersklassen van Frankrijk en Duitsland hun hoop gevestigd op het internationalisme. Franse en Duitse arbeiders hadden zich voorgenomen om nooit meer oorlog tegen elkaar te voeren. De Franse en Duitse bourgeoisie was behoorlijk kosmopolitisch. Een Duitse zakenman sloot contracten met een Franse zakenman, ze waren handelspartners. En toen ging het mis. Het nationalisme, de ‘nationale identiteit’, veegde alle rationele banden en opvattingen van tafel. De Franse pacifist Jean Jaurès zag waartoe dat zou leiden, maar hij werd doodgeschoten. De Eerste Wereldoorlog had voorkomen kunnen worden.

De vrede die na deze oorlog werd getekend was de meest vernederende en onrechtvaardigste vrede die Europa ooit heeft gekend. Van meet af aan hadden mensen kunnen inzien dat deze levensgevaarlijke consequenties zou hebben. Uit de as van de oorlog verrezen dictators: eerst in Rusland, daarna in Italië en ten slotte in Duitsland.

Het totalitarisme kwam voort uit een onrechtvaardige oorlog en een onrechtvaardige vrede. Hoop, goedgelovigheid en fanatisme ondersteunden gebroederlijk de opkomende totalitaire mogendheden. De klassenmaatschappij werd getransformeerd tot een massamaatschappij met behulp van volksmennerij, racisme en haat jegens iedereen die anders was. Een van de motoren van deze fanatieke geestdrift was de hoop. Hoop op aardse verlossing in het geval van het bolsjewisme, hoop op nationale grandeur in het geval van het fascisme, hoop op wereldoverheersing in het geval van het nazisme. Deze hoop ging met angst gepaard: angst om marginaal te blijven, angst voor afstraffing.

We weten allemaal dat de opkomst van elk van deze drie totalitaire mogendheden voorkomen had kunnen worden. En daarmee de moord op miljoenen die in de Sovjet-Unie reeds voor de oorlog aanving, en het beleid van antisemitische wetgeving en door de overheid geregisseerde pogroms die in Duitsland reeds voor de oorlog plaatsvonden. De enkelen die niet met blindheid waren geslagen voorzagen de consequenties al vroeg. Maar hun stem werd niet gehoord, of wel gehoord maar niet begrepen, of begrepen en vervolgens belasterd.

Achteraf weet iedereen dat de Tweede Wereldoorlog gemakkelijk voorkomen had kunnen worden. De leiders en de bevolking van westerse grootmachten als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk waren ziende blind. Hoop en vrees bleken slechte raadgevers. De mensen hoopten dat Hitler zich tevreden zou stellen met zijn verworvenheden en dat de Duitse bevolking zich mettertijd van hem zou ontdoen. Ze hadden geen oog voor het effect van fanatieke geestdrift, of voor de hoop op wereldoverheersing die schijnbaar heel eenvoudig verworven kon worden. Daarbovenop kwam de angst voor het communisme als het ‘grotere gevaar’. Net als bij de Eerste Wereldoorlog was er nog steeds maar één Cassandra, Winston Churchill. Diens stem was in elk geval hoorbaar, ook al wist hij de oorlog niet te voorkomen.

Op dit punt van de twintigste-eeuwse geschiedenis hadden de Europeanen ongeveer honderd miljoen andere Europeanen omgebracht, om nog te zwijgen van het aantal lijken dat ze in de koloniën achterlieten.

Ik maak een sprong door de geschiedenis naar de instorting van het Sovjetregime. In die tijd was de Europese Unie hecht, bloeide de economie en steeg de levensstandaard. De liberale democratie werd in elke staat van de Unie als iets vanzelfsprekends gezien. Liberale democratische waarden werden beschouwd als het fundament van een nieuwe vreedzame Europese orde. Spaanse, Portugese en Griekse dictators waren al verdwenen.

De instorting van het Sovjetregime werd toegejuicht omdat die ‘het eind van de geschiedenis’ zou inluiden. De hoop die Francis Fukuyama verwoordde, domineerde het denken van de Europeanen. En niet alleen dat van de Europeanen. Er werd verondersteld dat alle bronnen van gevaar nu tot het verleden behoorden. Het kolonialisme was voorbij. Telkens wanneer een voormalige kolonie onafhankelijk werd, leefde de hoop dat die bevrijding zou leiden tot vrijheid voor alle burgers, gewaarborgde burgerrechten en een democratisch fundament voor vrijheden. Maar dat was wensdenken.

De wereld was nog steeds een gevaarlijk oord, maar de mensen, de Europeanen voorop, zagen het niet. Niet alleen de eu-bureaucraten, maar ook de Europese bevolking raakte opnieuw in de greep van blind optimisme. Er kon ons niets vreselijks meer overkomen, geen oorlogen, geen crises, geen dictaturen. Die hoop was aangenaam, want niemand hoefde nog wat te doen, behalve rustig wachten. Het verleden werd vergeten.

Leiders en bevolking schepten op over ‘Europese waarden’, maar niemand stelde de vraag: welke waarden dan? De waarden van het universalisme, van het republicanisme, van het nationalisme of van het totalitarisme? Alsof de hedendaagse Europese geschiedenis niet verder terugging dan 1990 of op zijn vroegst 1958, het jaar van de oprichting van de eeg! Alsof het Europese erfgoed enkel bestond uit de liberale democratie, hoewel voor de Tweede Wereldoorlog geen enkele Europese liberale democratie die de naam verdient langer dan vijfentwintig jaar heeft bestaan. Europeanen hebben nooit de frustratietolerantie opgebouwd die vereist is voor het overwinnen van problemen in crisistijd. Zelfbedrog zorgt dat je blind blijft. En dezelfde problemen steken telkens weer de kop op.

Nu de Europeanen met een nieuwe crisis van doen krijgen, hebben ze geen idee hoe ze die moeten aanpakken. Angstgevoelens overvleugelden de hoopvolle sentimenten, maar angst is net zo’n slechte raadgever als hoop. De Europese wereld dreigt ineen te storten, en niet alleen vanwege de vluchtelingencrisis, hoewel die momenteel volop in de belangstelling staat. Het andere bedrieglijke nepgeloof, het geloof in economische groei, bundelt nu zijn krachten met het nepgeloof van het nationalisme.

De vluchtelingencrisis is slechts een van de vele manifestaties van de globalisering. De angst voor globalisering was een tijdlang vooral gericht op de globalisering van de oorlogstechnologie, de angst voor een kernoorlog. Inmiddels richt de angst voor de gevolgen van de globalisering zich vooral op de angst voor terreur. Een ongebreidelde terreur die geen landsgrenzen erkent.

Miljoenen mensen proberen Europa te bereiken, daartoe aangemoedigd door een onjuist beeld van het leven in Europa of Amerika dat de televisie voorschotelt. Smartphones en internet informeren iedereen over de lonen en salarissen in verschillende delen van de wereld. In de ogen van migranten is Europa het beloofde land, de Hof van Eden. De hoop van de migranten wordt niet bewaarheid en zal nergens waar ze worden binnengelaten bewaarheid worden. Toch willen de meeste Europeanen hun niet graag onderdak bieden. En degenen die dat wel willen, zouden niet weten hoe. Mensenrechten en burgerrechten liggen op ramkoers met elkaar. Overal vervult de terreur mensen met angst, en deze angst wordt nog eens vergroot door zorgen over de toekomst.

Na de Tweede Wereldoorlog is er voortdurend oorlog gevoerd, maar die oorlogen waren relatief plaatselijk. De Koreaanse Oorlog was voelbaar in Korea, China en de Verenigde Staten, maar daarbuiten niet. Er zijn altijd golven van terreur geweest, maar ook die waren doorgaans betrekkelijk lokaal. Eerst de Rode Brigades, de Baader-Meinhof-groep, de zwarte september van 1970 en de vliegtuigkapingen. Daarna kwam de tweede golf van 11 september, de terreuraanslag met het grootste aantal slachtoffers. En toch raakte zelfs toen de angst voor terreur niet geglobaliseerd. Nu wel. De islamistische totalitaire terreur slaat toe in Afrika, Azië, Amerika en Europa. En zoals alle totalitaire terreur is ook deze ideologisch geladen. Zoals elke totalitaire ideologie biedt ze een onderdak aan en roept ze op tot fanatiek enthousiasme. Ze stelt de strijder en gelovige verlossing in het vooruitzicht.

Dingen die decennialang vanzelfsprekend werden gevonden, zijn dat niet langer. Het spreekt niet langer vanzelf dat Europeanen het elk jaar beter zullen hebben dan het vorige, dat hun leven rimpelloos, conflictvrij zal verlopen, dat een donatie aan een goed doel de enorme kloof zal kunnen dichten tussen rijke en arme landen, en tussen rijken en armen binnen hetzelfde land. Ook de liberale democratie wordt niet langer vanzelfsprekend gevonden, want langs de oostgrens van de Europese Unie heeft het politieke ‘illiberalisme’ aan kracht gewonnen. Het bonapartisme steekt in allerlei varianten opnieuw de kop op. Populisten van diverse pluimage grijpen de angst voor terreur aan om politieke rechten en burgerrechten in te perken of helemaal af te schaffen. Het voorbeeld van Erdogan en Poetin doet volgen.

Europa was volkomen onvoorbereid op de vluchtelingencrisis. Hierbij botsen, zoals ik eerder zei, twee authentieke waarden van de Europese Verlichting met elkaar: de mensenrechten en de burgerrechten. Het of-of-denken mijdt wederom het conflict. En conflictvermijding speelt het populisme, het racisme en alle bedenkelijke Europese tradities van de twintigste eeuw weer in de kaart. Het zwaard van Damocles hangt boven ons hoofd, maar slechts zeer weinigen zien het.

Na hun onafhankelijkheid bieden de voormalige koloniën in Afrika en een deel van Azië, met slechts weinig uitzonderingen, een rampzalige aanblik. Tegenwoordig is er één wereld, geen twee of drie. Geen oorlog, catastrofe of massamoord is nu nog zuiver plaatselijk. Wat ginder gebeurt, gebeurt hier en wat hier gebeurt, gebeurt ginder. Tegenwoordig kun je een land of staat niet redden zonder de wereld te redden. Je kunt iets bijdragen aan de redding van de wereld door rationeel naar je eigen, persoonlijke wereld te kijken. Zonder hoop, zonder angst, zonder enthousiasme, zonder elkaar de hemel op aarde te beloven of met het einde der tijden te dreigen, maar met verantwoordelijkheidsgevoel.

Niemand van ons gelooft nog in Hegels uitspraak dat als we de wereld rationeel bezien ze ook rationeel naar ons terug zal kijken. Maar toch, als we de wereld rationeel bekijken, zonder hoop en angst, zullen we niet onverantwoordelijk handelen. Op voorwaarde dat we de voorspelbare gevolgen van onze daden in acht nemen, en die als goede burgers met elkaar bespreken om te achterhalen hoe we de gevaarlijkste optie kunnen vermijden. Ik herhaal: niet door blinde angst of hoop geleid, ook al blijft het mogelijk om te hopen en vrezen.

De wereld zal nooit door mensen verlost of gered worden, want het vermogen om verlossing te schenken, schrijven we toe aan God. Toch kan de metafoor ‘de wereld redden’ ons goede diensten bewijzen, om met Kant te spreken, als een idee van de rede. De metafoor wijst op de opgave om ons te beschermen tegen onszelf — tegen wens-utopieën, tegen modellen van de ideale staat, tegen het beeld van een door mensenhanden gemaakte apocalyps, tegen teleurstelling, tegen het gevoel verraden te zijn, tegen vermoeidheid, tegen cynisme, kortom: tegen het nihilisme. Intussen hijsen we de last van de verantwoordelijkheid op onze schouders, vol goede wil en vervuld van burgermoed.

Vertaling Jan Willem Reitsma