kunst

Het geheim van Tristan und Isolde

Bryan Magee

In zijn autobiografie, Mein Leben, vertelt Wagner dat het allereerste idee voor Tristan und Isolde deels een voortvloeisel was van het lezen van Schopenhauers Die Welt als Wille und Vorstellung en zijn behoefte ‘hartstochtelijk uitdrukking te geven’ aan de ‘geestesgesteldheid’ waarin hij door het lezen van dit werk was geraakt.

Zijn eerste verwijzing naar zowel de nieuwe opera als naar Schopenhauer vinden we in een brief aan Liszt, gedateerd [16?] december 1854:

Naast de — trage — vorderingen die ik met mijn muziek maak, heb ik mij inmiddels uitsluitend met één persoon beziggehouden, die mij — zij het slechts literair — in mijn eenzaamheid als een geschenk uit de hemel ten deel is gevallen. Het is Arthur Schopenhauer, de grootste filosoof sinds Kant […]. Zijn hoofdgedachte, de uiteindelijke ontkenning van de wil tot leven, is van een vreselijke ernst, maar brengt de enige echte verlossing. Voor mij was die gedachte waarlijk niet nieuw, en niemand in wie die gedachte al niet leefde, is trouwens in staat haar te denken. Maar door deze filosoof ben ik pas tot dit heldere inzicht gekomen. Als ik terugdenk aan de stormen in mijn hart, aan de vreselijke krampachtigheid waarmee het zich — tegen mijn wil — aan de levenshoop vastklampte, ja, wanneer die stormen thans nog dikwijls aanzwellen tot een orkaan — dan heb ik nu toch een kalmerend middel gevonden, het enige dat mij als ik ’s nachts wakker lig eindelijk toch nog de slaap doet vatten; dat is het hartgrondige en innige verlangen naar de dood: totale bewusteloosheid, volkomen niet-zijn, het wegzinken van alle dromen — de enige, uiteindelijke verlossing![1]

Maar dan, in de één na laatste alinea, vervolgt hij:

Aangezien ik in het leven het ware geluk van de liefde nooit heb mogen smaken, wil ik voor deze schoonste aller dromen een monument oprichten, waarin nu eens van het begin tot het einde die liefde totaal wordt bevredigd: mij staat in ontwerp een Tristan und Isolde voor de geest, mijn minst gecompliceerde, maar meest volbloedige muzikale conceptie.

Als we het citaat uit de autobiografie combineren met dat uit de brief aan Liszt, lijkt het op het eerste gezicht alsof we met een probleem worden geconfronteerd. Want hoe kan ten eerste de behoefte om ‘hartstochtelijk uitdrukking te geven’ aan de geestesgesteldheid die teweeggebracht is door het lezen van een wijsgerige verhandeling (van welke filosoof dan ook, maar in dit geval dus van Schopenhauer) tegelijkertijd de aanzet vormen tot, ten tweede, een eenvoudig muzikaal concept, of zelfs, zoals Wagner zelf stelt, ‘mijn minst gecompliceerde muzikale conceptie’?