Filosofie

Het historisch zintuig – Stendhal en Nietzsche

Claude Lefort

Dit essay verscheen in 1992, in Nexus 4.
Liever op papier lezen? Bestel hier een exemplaar.

 

Een naïeve vraag: hoe komt het dat een lezer – welke beoordelingsfouten hij verder ook maakt – het merkteken van de literatuur herkent in werken die in allerlei opzichten van elkaar verschillen, en ook nog eens ver uit elkaar liggen in de tijd? Deze vraag kan van de literatuur worden overgeheveld naar muziek en schilderkunst, misschien zelfs naar het terrein van de filosofie. Een hedendaagse dichter of romanschrijver kan me het idee geven dat hij schrijft zoals niemand vóór hem dat ooit heeft gedaan; meer nog, hij kan mijn gevoel voor wat schrijven eigenlijk is, verder ontwikkelen. En zonder dat ik het als een tegenstrijdigheid ervaar of me er ongemakkelijk onder voel, kan ik eenzelfde gevoel voor schrijven ontdekken bij Montaigne, Chateaubriand, Baudelaire of Mallarmé. Evenmin ervaar ik het als tegenstrijdig of onbehaaglijk om het gevoel voor schilderkunst bij Piero della Francesca en tegelijk bij Delacroix maar ook bij Rothko waar te nemen, het gevoel voor muziek bij Mozart, Brahms en Bartok. Het zou vergeefse moeite zijn als ik probeerde een essentie van de literatuur af te bakenen – of van de muziek, van de schilderkunst. Veeleer dien ik onder ogen te zien dat de conceptie van het werk juist gepaard gaat met een steeds nadrukkelijker twijfel over wat die essentie wel zou zijn. Bovendien: zodra ik me afvraag in hoeverre de klassieken iets hadden kunnen bevatten van wat er in onze tijd tot stand wordt gebracht, ben ik geneigd te denken dat alles hun zou hebben geërgerd of tegengestaan. Mijn eerste vraag lokt een tweede uit. Hoe valt te begrijpen dat kunstwerken die op het moment van hun ontstaan, in de vorige eeuw, of in de onze, bij het toenmalige publiek zulke hevige weerstanden hebben opgeroepen, op dit moment bijdragen tot de oordeelsvorming van het huidige publiek? Er zullen vast wel kunstliefhebbers zijn die weigeren waardering op te brengen voor alles wat na Proust, of Debussy, of Cézanne, tot stand is gebracht. Maar zelfs die blijken in staat zich te bewegen, zich oordeelkundig te oriënteren in een ruimte waarin genoemde kunstenaars, beschouwd als de zuivere vertegenwoordigers van de moderniteit, bestaan naast Dante of Monteverdi of Giotto.

Kunnen we het mysterie ophelderen met een verwijzing naar het begrip ‘smaak’? Smaak verandert, naar men zegt, onder invloed van de ervaring die wordt opgedaan in een ook zelfveranderende wereld; sommigen gaan met die veranderingen mee, anderen verzetten zich ertegen; sommigen staan open voor nieuwe uitdrukkingsvormen, anderen sluiten zich ervoor af.