Literatuur

Liefde en zee

Tatjana Tolstaja

In Tsjechovs verhaal ‘De dame met het hondje’ komt een wat raadselachtige passage voor:

Ze zaten in Oreanda op een bankje, vlak bij de kerk, en keken zwijgend omlaag naar de zee. Jalta was in de ochtendnevel nauwelijks te zien en om de bergtoppen hingen roerloos wat kleine, witte wolken. De bladeren hingen doodstil aan de bomen, de cicaden zongen en het doffe, eentonige ruisen van de zee dat van beneden tot ze doordrong, sprak van rust, van de eeuwige slaap die ons allen wacht. Zo ruiste de zee daar beneden al toen noch Jalta, noch Oreanda bestond, zo ruist ze nu en net zo onverschillig en dof zal ze nog altijd ruisen als wij er niet meer zijn. En juist in die continuïteit, die volkomen onverschilligheid tegenover het leven en de dood van ons allemaal, ligt wellicht de zekerheid van onze eeuwige verlossing, van de ononderbroken ontwikkelingsgang van het leven op aarde en van de eeuwigdurende vervolmaking. Daar, gezeten naast de jonge vrouw die er in de ochtendschemering zo mooi uitzag, tot rust gekomen en betoverd door de aanblik van dat sprookjesachtige decor — de zee, de bergen, de wolken en het wijde uitspansel — bedacht Goerov zich dat in wezen alles op deze wereld zo prachtig is, ja, alles, behalve wat we zelf denken en doen als we de hogere bedoeling van het bestaan en onze menselijke waardigheid vergeten.

Waarom had Tsjechov in dit verhaal over een liefde tussen twee mensen die dat niet voorzagen en niet verwachtten, omdat het hun zo plotseling overkwam, ineens behoefte aan deze uitweiding, aan deze poëtische bespiegeling over de eeuwigheid en de onverschilligheid van de natuur ten aanzien van ons bestaan? En waarom is in die onverschilligheid de zekerheid van onze eeuwige verlossing gelegen?