cultuur

Lof der zachtmoedigheid

Norberto Bobbio

Bij de antieken kwam de ethiek grotendeels neer op een verhandeling over deugden. Denk maar aan de Ethica Nicomachea van Aristoteles, die eeuwenlang maatgevend was. In onze tijd is een dergelijk soort verhandeling vrijwel geheel verdwenen. De moraalfilosofen van tegenwoordig houden zich op analytisch of propositioneel niveau bezig met waarden en keuzes en met de logica die er al dan niet achter schuilgaat, en met regels en normen en dus met rechten en plichten. Een van de laatste grote werken gewijd aan het klassieke thema van de deugd was het tweede deel van de Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (Fundering voor de metafysica van de zeden) van Kant, getiteld Die Tugendlehre, terwijl het eerste deel de Rechtslehre behandelt. De ethiek van Kant is echter bij uitstek een ethiek van de plicht en in het bijzonder van de innerlijke plicht, die wordt onderscheiden van de plicht jegens de buitenwereld, waarop de rechtsleer betrekking heeft. Deugd wordt er omschreven als de vereiste wilskracht om je plicht te vervullen, als de zedelijke kracht die de mens nodig heeft om ondeugden te overwinnen die het vervullen van zijn plicht tegenhouden en in de weg staan. Kants deugdenleer is een integraal onderdeel van de plichtenethiek en heeft met de ethiek van Aristoteles niets te maken, zoals uitdrukkelijk en bij herhaling wordt verklaard. 

Tijdens de eeuwen van de grote Europese filosofie is het traditionele thema van de deugd dan wel ondeugd gaandeweg het onderwerp geworden van traktaten over hartstochten (de affectibus). Daarbij valt te denken aan Les passions de l’âme van Descartes, aan het deel van Spinoza’s Ethica dat De origine et natura affectuum heet of aan de inleidende hoofdstukken van de politieke werken van Hobbes, The Elements of Law Natural and Politic en Leviathan. De leer van de ethiek daarentegen kreeg een plaats in de theorie van het natuurrecht, die ze enkele eeuwen niet meer heeft afgestaan. Uitgangspunt in natuurrechtelijke verhandelingen over de zeden waren steeds wetten en regels (gebaseerd op moraal, recht of gewoonte), met als gevolg dat van de ethiek niet meer overbleef dan een theorie van plichten dan wel rechten. In het klassieke en wijdverbreide traktaat van Pufendorf, De iure naturae et gentium, wordt aan het thema van de deugd in de traditionele zin des woords alleen maar enige aandacht besteed in een hoofdstuk over de menselijke wil. 

Beschouwingen over de deugd hebben altijd hun natuurlijke plaats behouden in de werken van moralisten, die we tegenwoordig geheel uit het oog zijn verloren.

Dit essay verscheen in Nexus 58, ‘Lofzangen
Vertaling Asker Pelgrom 

 


Lees ook: