cultuur

Mijn Toverberg

Roel Meijvis

Ik zag de beste geesten van mijn generatie getroffen door rendementsdenken, politiek cynisme en bovenal: een moraal der onverschilligheid; die dienden op te groeien in een tijd waar op infantiele wijze wordt omgegaan met historische verworvenheden en natuurlijke gegevenheden; die geworpen werden in een wereld waarin mensen de lijken tellen en zeggen: zie je nou. Waar principes te duur zijn en idealen hypocriet. Of naïef. Of erger nog: niet realistisch. Hoe daaraan te ontkomen? Hoe, in zo’n tijd, oneigentijds te zijn? Hoe jezelf te bevrijden?

Door onderwijs? Dat is geen gemakkelijk opgave gegeven onze daarvoor bestemde instituten, waar de eenzijdige opleiding tot een positie in het bedrijfsleven bij zowel student als opleiding centraal staat – wat niet zo vreemd is binnen een politieke ideologie waarin (hoge)scholen en studenten worden afgerekend op hun rendement en studenten wordt verteld dat hun opleiding ‘een investering in jezelf’ is. Deze manier van denken over onderwijs veronderstelt dat de ontwikkeling tot kritisch burger een volstrekt individuele aangelegenheid is, waarbij niemand anders dan jijzelf gebaat is, zeker niet de democratie. Bovendien wordt hiermee gesteld dat het allerminst de verantwoordelijkheid van de gemeenschap is om onze nieuwe generaties dusdanig op te voeden dat ze drager kunnen zijn van een samenleving waarin we willen leven. Hoe, aldus, jezelf te bevrijden van een heersende ideologie die geen nut ziet in jouw bevrijding?

‘Je opvoeders kunnen niets anders zijn dan je bevrijders’, schrijft Nietzsche in zijn Oneigentijdse beschouwingen. Maar waar vind je opvoeders die oneigentijds zijn; die een andere taal spreken dan het managementjargon van de ‘opvoeders’ waar we onder het mom van een investering in onszelf een beroep op mogen doen? – misschien precies daarin. In diegenen die een andere taal spreken: de dichters, de buitenstaanders, de individuen die zich op andere plekken vertonen dan de massa, die zich schuilhouden in de geheime kamers van bibliotheken tussen de verboden boeken en op stoffige zolderkamers tussen vergeten geschriften, geduldig wachtend om toe te slaan met essays, poëzie, romans en filosofie. Tussen de regels van het alledaags ‘gepraat’, diep in de krochten van het heersende denken, daar vond ik mijn leermeesters. De literatuur: mijn Toverberg.

Eenmaal aangekomen in het sanatorium, te midden van al deze tijdloze klassiekers, hoefde ik niet langer op zoek naar de verloren tijd. Geen plek zo oneigentijds als de literatuur, juist omdat zij tijdloos is – en daarom van alle tijden. Daarmee bevond ik mij zowel op een plek die afgezonderd leek van de echte wereld, als op een plek die zoveel echter leek te zijn dan de zogenaamde echte wereld waarin ik was opgegroeid. Geen wereld zo echt als de werelden die de schrijvers daar uit hun inkt doen oprijzen; geen leven zo mooi als het leven dat uit hun woorden spreekt en op hun bladzijdes danst. Dat is pas het ware leven. En daar mocht ik ze leven, allemaal. Mezelf volledig bewust van de overweldigende stapels nog ongelezen levens voor mij. Daar leerde ik dat het leven de moeite waard is gelezen te worden – en het lezen geleefd.

In de wereld van data, cijfers en Excelsheets biedt de Toverberg een alternatief; een wereld van taal, van woorden, van zinnen, die kunnen wat cijfers niet kunnen: uiting geven aan de complexiteit en dubbelzinnigheid van het bestaan. Het was Allen Ginsberg – zoals altijd dansend in de muziekkamer met Jack Kerouac en Patti Smith op de grammofoonplaten met muziek van Bob Dylan en John Coltrane – die mij kort na mijn aankomst voor de volgende keuze stelde: ‘óf je laat je haar netjes knippen en neemt een of ander baantje en werkt jezelf omhoog en slikt je leven lang beledigingen om je brood te verdienen, óf je kunt proberen teer en zachtaardig te blijven en bewust van de wonderbaarlijke complexiteit van alles.’ Het eerste is het ‘onderwijs’ dat ik kon krijgen in de wereld waarin ik opgroeide, het tweede was de Bildung die ik kon krijgen op mijn Toverberg.

Zo werd wat slechts bedoeld was als een kort bezoek een verblijf van jaren, verspreid over eeuwen. Ik leerde van iedereen, simpelweg door er te zijn en te kijken en te luisteren naar de gesprekken die zij met elkaar en met zichzelf voerden. Hoe Plato en Aristoteles druk met hun vingers naar onder en naar boven wijzend met elkaar in gesprek waren, wachtend op Homerus, die nog steeds niet van zijn uitstapje naar Davos was teruggekeerd. Hoe Koning Oedipus, Hamlet en de gebroeders Karamazov elke dag weer op de sofa lagen en over hun vaders vertelden aan Freud, en hoe Sartre keer op keer zijn respect voor Freud betuigde maar hem ook steeds aanviel op hetzelfde punt: dat we niet gedreven worden door onze psychologische complexen, maar ons daar altijd nog toe te hebben verhouden uit vrijheid, waarbij die laatste woorden schel door het hele sanatorium naklonken.

Altijd wanneer dat woord in of rond het sanatorium klonk gebeurde er iets vreemds. Dan was voor heel even iedereen stil vanuit een haast goddelijke eerbied. Ja, als er iets is wat al mijn leermeesters gemeen hebben, dan is het wel het ontzag voor de vrijheid. De vrijheid én de taal, uiteraard, daar zij allen dichters en filosofen waren. Uitgerekend de relatie tussen die twee was niet zelden onderwerp van verhitte discussies. Maar waarom? Omdat we als niets zijnde niet anders kunnen dan onszelf bij elkaar praten? Of omdat, als we vrijheid als het verhouden-tot denken, het de taal is waarmee we ons verhouden? En is het daarom dat de verarming van de taal, de vele afkortingen, de emoticons en de obsessie met cijfers – die duivelse antoniemen van de woorden – zo kenmerkend zijn voor onze tijd van zijnsvergetelheid? Is het daarom dat de bevrijding ligt besloten in het vinden van een nieuwe taal; in het eigen maken van de taal überhaupt?

Net zoals God zowel bewondering als angst teweegbrengt vanwege Zijn grootsheid, was voor velen in het sanatorium de vrijheid niet enkel iets om avond aan avond op te proosten (wat weldegelijk óók gebeurde). Juist die dubbelzinnigheid was alomtegenwoordig en kenmerkend voor die plek waar vrijheid als hoogste waarde gold. Haast elke avond werd er in de muziekkamer gedanst om te vieren waar in de aanliggende salon om werd gehuild: de vrijheid, het bestaan, de mens, de absurditeit; wie openstaat voor de dingen in hun eigen aard, ziet dat deze aard nooit eenduidig is – hoe graag onze tijd dat ons ook wil doen geloven, ze wil weg van de mythe (en slaat daarmee zelf om in de grootste mythe – en niet eens een mooie, misschien is dat nog wel haar grootste probleem). Het was dan ook traditie dat wanneer Thoreau voor even zijn hutje in het nabijgelegen bos verliet en bij ons langskwam, hij de volgende toost uitbracht: ‘Als je een feit recht onder ogen ziet, zal je merken dat de zon op beide oppervlakken ervan schittert alsof het een kromzwaard is, en dan voel je hoe zijn zachte snede je hart en merg doorsnijdt, en zo zal je met vreugde je sterfelijke loopbaan besluiten. Of het nu om leven gaat of om dood, wij vragen alleen om werkelijkheid. Als we daadwerkelijk op sterven liggen, laat ons dan het gereutel in onze kelen horen en de kou in onze uiterste ledematen voelen; als we leven, laten we ons dan aan onze taak wijden.’ Dan proostten ze, de schrijvers, de dichters, de filosofen, de mensen; mijn leermeesters, mijn opvoeders, mijn bevrijders.

‘Is wat een naam heeft gekregen niet reeds verloren?’, vroeg een vreemdeling mij eens in de zomer. ‘Misschien’, zei ik. ‘Maar wat doet een cijfer dan wel niet?’ Vanaf dat moment werd Albert Camus mijn grootste leermeester. Waarom? Omdat hij mij leerde eerlijk te zijn. De dood van God, het stokpaardje van de timmerman van het sanatorium, en het oneindige niets dat dat tot gevolg had, de zinloosheid, is zowel ondraaglijk als gelukzalig. De absurditeit van het bestaan is dan weer lachwekkend, dan weer hartverscheurend. In een poging het nihilisme te overwinnen kwam hij niet met een alternatief verhaal om in te geloven, maar leerde hij mij de zinloosheid onder ogen te zien en vanuit daar mijn eigen waarden te bepalen en te leven. Niet voor niets moesten we volgens hem ons die man die elke dag tevergeefs een rots de Toverberg op probeerde te duwen – we konden hem zien zwoegen als we onder Camus’ favoriete amandelboom zaten – als een gelukkig mens voorstellen. En wat het betekende om eerlijk gelukkig te zijn, hoe gelukzalig de zinloosheid is, dat leerde hij mij. Hiermee gaf hij antwoord op de meest wezenlijke, existentiële en diepreligieuze vragen van het bestaan; door mij te doen inzien dat er geen antwoorden zijn, of in ieder geval niet gegeven zijn. En daarmee is het aan mij, aan ons. Maar hoe?

De wereld zoals deze nu is en de crisis van de mens die sinds Camus’ diagnose niet minder is geworden vereisen, juist vanwege dit fundamentele gebrek aan antwoorden, de waardebepaling, de scheppingskracht, van individuen en het is dit inzicht en het opnemen van de met dit inzicht gepaard gaande verantwoordelijk die voor mij de ware betekenis van Bildung vormen. Ik voel aan alles dat het eind aan mijn verblijf hier aanstaande is. Niet dat ik hier niet meer terug mag komen, maar Sartre heeft al iets te vaak ‘subtiel’ laten vallen dat het uiteindelijk om ons handelen in de wereld gaat. En net als Hans Castorp krijg ik steeds vaker het verwijt dat ik geen kranten lees – maar wat wil je? Na een jaar journalistiek gestudeerd te hebben is het haast onmogelijk om nog op de huidige journalistiek te vertrouwen en net zoals Ginsberg kan ik me niet aanpassen aan de krant. Ik wil niet lezen over wat het geval is in de wereld, want de wereld is zo veel meer dan alles, wat het geval is. Ik wil lezen wat de wereld nog meer is, wat de wereld zou kunnen zijn; ik wil de wereld van mijn Toverberg.

Maar ze hebben gelijk. Allemaal. Sartre heeft gelijk dat het uiteindelijk om het handelen in de wereld gaat, maar hoe vaak heeft De Beauvoir wel niet een pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid gehouden? En sluit de handeling de dubbelzinnigheid niet noodzakelijk uit? En hoe vaak schreeuwde uitgerekend zij niet door de gangen van het sanatorium Camus toe dat hij een moederskindje was, omdat hij de vrijheidsstrijd niet kritiekloos goedkeurde wanneer die strijd het leven van zijn eigen moeder zou eisen? Maar ook in deze kwestie probeerde Camus de tegenstrijdigheid tot het uiterste te doorleven en tot het einde toe mens te blijven. De vele ruzies tussen Sartre, De Beauvoir en Camus – en eigenlijk iedereen die in hun gesprek belandde – kwamen juist voort uit het feit dat zij allemaal beseften wat er op het spel stond en wat de onmogelijkheid van hun positie was; de onmogelijkheid van het goede willen doen; van de vrijheid willen. Daarom richtten zij zich op de jonge geesten die zich onder hen bevonden, dat het aan ons is, dat het ons misschien wel lukt; dat het ons misschien wel lukt om, gesteund door hun woorden, een nieuwe taal te vinden, een wereld te scheppen die recht doet aan de vrijheid en ruimte biedt aan de wonderbaarlijke complexiteit van het menselijke bestaan.

Een van de schrijvers die ons, jonge geesten, soms toesprak was – geloof het of niet – Michel Houellebecq. Ook hij bevond zich op de Toverberg, naar eigen zeggen enkel en alleen omdat het sanatorium de enige plek was in het oh-zo-vrije-Westen waar je tenminste nog de vrijheid had om binnen te roken, maar in zijn ogen zag ik dat achter zijn cynisme zoals altijd een levensideaal schuilging dat alleen daar bevredigd kon worden. ‘De samenleving waarin u leeft, heeft als doel u te vernietigen’, mompelde hij op een dag nauwelijks verstaanbaar door de sigaret in zijn mondhoek. ‘U hebt met haar hetzelfde voor. Het wapen dat zij zal gebruiken heet onverschilligheid. U kunt u niet dezelfde houding permitteren. Dichters, in de aanval!’

Net zoals Hans Castorp de Toverberg verliet om ten strijde te trekken, is het nu aan ons om te vertrekken en ten strijde te trekken tegen het kwalijk dansfestijn der onverschilligheid en zijnsvergetelheid. En hoewel bijna een eeuw later, zal bij ons vertrek dezelfde vraag worden gesteld als bij het vertrek van Hans Castorp: ‘Zal ook uit dit wereldfeest des doods, ook uit deze vreselijke koortsgloed, waarin overal in het rond de regenachtige avondhemel is ontstoken, eens de liefde zich verheffen?’