Nexus

Nexus’ Genesis

Rob Riemen

Alles, worin der Mensch sich ernstlich einläßt, ist ein Unendliches…
– Goethe

 

I

Ik was in New York en stond op Lincoln Plaza te wachten op een taxi toen plotseling te midden van het verkeerslawaai een zachte, vriendelijke stem klonk en het een paar seconden duurde voordat ik me realiseerde de aangesprokene te zijn aan wie de vraag werd gesteld: ‘But what can we do?’ Met mijn ogen gericht op Broadway, turend naar een lege taxi, had ik de twee jonge mannen niet zien aankomen die ik, toen ik omkeek, herkende als twee studenten van de Juilliard School of Music. Ik was te verrast om onmiddellijk iets te kunnen zeggen en zo viel er even een wat pijnlijke stilte. De verwarring die op mijn gezicht af te lezen viel, werd door de vraagsteller waarschijnlijk geïnterpreteerd als zou ik zijn vraag niet goed hebben begrepen en ter nadere verklaring merkte hij op: ‘Wij hebben uw drie colleges bijgewoond en u heeft ons wel overtuigd. Maar we vroegen ons af: wat kunnen we nu doen?’ Dat ik nog steeds niet wist wat ik moest zeggen, kwam echter niet doordat ik zijn vraag niet begreep, maar juist doordat ik de vraag maar al te goed begreep.

Die avond had ik in het gebouw achter ons, de Juilliard School of Music, mijn derde en afsluitende college gegeven. Drie opeenvolgende avonden sprak ik over kitsch en de crisis in de westerse cultuur. Ik begon met het simpele feit dat alle discussies in Amerika en Europa over de nationale identiteit; het wel of niet bestaan van Amerikaanse, Europese of universele waarden; de functie van het onderwijs; de rol van religie; of kunst nu wel of niet belangrijk is, even zovele expressies zijn van één fundamenteel gegeven: onze cultuurcrisis. Tweede feit: die crisis van de moderne tijd is alweer meer dan honderd jaar oud en tot op de dag van vandaag is Nietzsche de beste analyticus van dit fenomeen. Omdat mijn publiek bestond uit jonge mensen die hun leven wilden wijden aan het vertolken van de muzikale meesterwerken, vertelde ik hun de anekdote hoe Nietzsche, zesentwintig jaren jong met nog steeds de ambitie om zelf ook een toonkunstenaar te zijn, vol vertwijfeling reageert op het verschrikkelijke nieuws dat in de zomer van 1871 zich razendsnel door Europa verspreidt: het gepeupel heeft moedwillig het Louvre in brand gestoken en honderden meesterwerken zijn voor altijd verloren gegaan. Als dit kan gebeuren, zo had Nietzsche in die dagen een vriend geschreven, als de hoogste kunst, de verzinnebeelding van de waarheid over de mens en zijn bestaan, door mensen wordt vernietigd, waartoe dan nog kunstenaar of filosoof zijn? En het is te gemakkelijk, aldus Nietzsche, om het gepeupel iets te verwijten. Volgens hem zijn wij allen verantwoordelijk voor het feit dat de Europese cultuur aan het sterven is. Niet lang na het verschijnen van deze brief bleek het nieuws een gerucht te zijn. Maar het gevoel dat Nietzsche die dagen bevangt en dat hij omschrijft als ‘Kultur-Herbst-Gefühl’, zal hem niet meer verlaten. Instinctief weet hij dat het fundament van onze cultuur, de maat voor wat waar, goed of schoon zou zijn; wat het beste is en wat van waarde is, niet langer bestaat.

Vervolgens stel ik de studenten voor om de Hudson News, een tijdschriftenkiosk die je op tal van Amerikaanse vliegvelden treft, aan een nader onderzoek te onderwerpen, onder andere om op deze wijze meer inzicht te krijgen in waar het overgrote deel van de mensen belangstelling voor heeft en dus om een of andere reden belangrijk vindt.

Standaard heeft elke Hudson News een plank gereserveerd voor tijdschriften over computers en andere technologische vindingen, wat mag duiden op de betekenis die we toekennen aan techniek en technologische vooruitgang. Standaard is eveneens de plank met bladen over snelle auto’s, nog snellere motoren en races, typerend voor onze obsessie met tijd en snelheid: hoe sneller hoe beter. Onvermijdelijk is alle informatie over financiën en economie. En niemand zal ontkennen dat geld een van onze belangrijkste waarden is: hoe rijker hoe belangrijker. Een stap opzij en de foto’s van de celebrities en idols stralen ons tegemoet. Ook zij zijn een fenomeen, niet meer weg te denken uit onze samenleving. En voordat we de kiosk verlaten, passeren we nog de bladen die ons tot in de kleinste details informeren over life style, beauty, sex, onmiskenbaar zaken waar we eindeloos veel tijd en energie in steken. De vraag is, waarom zijn we techniek, snelheid, geld, beroemdheden, alle uiterlijke schijn en opwinding in onze maatschappij zoveel waarde gaan toekennen?

Het antwoord, meende ik, was vijfentwintig eeuwen geleden gegeven door Socrates, die in een debat met Gorgia en Polus een levensstijl kritiseert ‘uitsluitend gericht op het aangename en het hoogste goed negeert’. Het is de definitie van een fenomeen dat pas in de twintigste eeuw een begrip zal worden en vervolgens aan een onstuitbare opmars begint: kitsch. Waar cultuur vervangen wordt door kitsch, staat alles in het teken van nut, effect, geld, vermaak. Alles moet mooi, fijn en leuk zijn. Niets mag moeilijk zijn of iets waar je echt moeite voor moet doen. Mooi is wat de meerderheid mooi vindt, goed is wat de publieke opinie goed vindt; belangrijk is wat iedereen wil weten. Het is in deze kitsch-wereld dat je identiteit niet langer wordt bepaald door wie je bent, maar door wat je hebt: je auto, je horloge, je life style. En de liefde zal romantisch zijn of zij zal niet zijn. Religie en spiritualiteit dienen onze behoefte gelukkig met ons zelf te zijn. Kitsch, zo vertelde ik de studenten, is een vorm van schoonheid zonder waarheid. Niets heeft nog intrinsieke waarde en daarom kan ook niets blijven, want alleen het blijvende is waar — zie de meesterwerken. Nietzsche wist dat wat wij nu kitsch noemen slechts een schone maskerade is voor nihilisme. Niets is waar, dus alles is even betekenisloos. Kitsch is de leugen die pretendeert dat iets toch waarde heeft en belangrijk is, terwijl het in feite de voortdurende vlucht is voor onze eigen ziel.

En de kunst? De muzikale traditie van Monteverdi tot Mahler? Kan zij meer zijn dan de bevrediging van het verlangen van een kleine snobistische elite naar esthetisch genot? En wat te doen met de grote vragen die Thomas Mann ons voorhoudt in zijn Doktor Faustus? Hoe nauw is niet de band tussen cultuur en barbarij? Muziek en demonie? Moet in het aangezicht van een hel op aarde de kunst niet zwijgen? Welk recht van bestaan heeft schoonheid als de waarheid zwart is? Wordt niet alle kunst dan een leugen, kitsch?

Dat waren een aantal thema’s die ik in mijn lezingen voor de studenten van de Juilliard School of Music aan de orde had gesteld en pas toen twee van hen mij stonden aan te staren op Lincoln Plaza in afwachting van mijn antwoord op hun volstrekt legitieme en logische vraag ‘maar wat kunnen we nu doen?’, realiseerde ik me dat ik al mijn tijd had besteed aan analyse en het stellen van vragen. Impliciet, ofschoon onbedoeld, was de suggestie gewekt dat alle moeite die zij wilden doen om zich het werk van de muzikale grootheden meester te maken, of zinloos is, of gedoemd gereduceerd te worden tot een vorm van kitsch. Plotseling drong het tot me door dat ik iets belangrijks niet heb verteld. Maar er was al een taxi gestopt en ik was ook al laat voor mijn dinerafspraak met vrienden downtown. Bovendien, hoe kun je met elkaar een gesprek voeren te midden van een gehaaste mensenmassa en gebrul van een onophoudelijke stroom auto’s? Ik moest gaan en snel zei ik: ‘Just follow your passion! Ignore all lies and remain true to yourself.’ De taxichauffeur vertelde ik waar ik heen moest. Op de kale achterbank, golvend van groen naar rood over de mijlenlange avenue, bedacht ik dat mijn advies in ieder geval was ingegeven door mijn eigen ervaring. En mocht ik ooit deze twee onbekende studenten weer tegenkomen, dan zal ik ze vertellen over Thomas Mann als opvoeder. Ik zal ze vertellen waarom ik ooit met het tijdschrift Nexus begonnen ben. Ik zal ze die prachtige passage voorlezen uit Marguerite Yourcenars Herinneringen van Hadrianus:

Ik voelde steeds meer de behoefte om oude boekwerken te verzamelen en te conserveren en toegewijde kopiisten op te dragen er nieuwe kopieën van te vervaardigen. Die mooie taak leek me niet minder dringend dan de hulp aan de veteranen of de toelage aan arme en kinderrijke gezinnen; ik zei tegen mezelf dat een of twee oorlogen en de daaruit voortvloeiende ellende of een periode van grove onachtzaamheid of verwildering onder een paar slechte vorsten genoeg zouden zijn om de door tussenkomst van die broze voorwerpen van vezels en inkt tot ons gekomen gedachten voorgoed verloren te laten gaan. Ieder die het geluk heeft in zekere mate voordeel te trekken uit dat culturele erfgoed was volgens mij verplicht het aan de mensheid door te geven.

En vervolgens zou ik uitleggen waarom ik de laatste regel van het citaat had verkozen tot motto voor de eerste uitgave van Nexus, in 1991. Ik zal niet meer spreken over kitsch, maar over cultuur; over het verschil tussen dood en leven; over het geheim van de kunst en hoe het identiek is aan het geheim van het leven. Ik zal, zo nam ik me voor, spreken over een idee en een ideaal dat weliswaar alleen nog maar aanwezig is in werken van — vaak nauwelijks nog gekende — schrijvers, denkers en kunstenaars, maar daarom niet minder waar. Ik zal vertellen over een levende maar niet langer gesproken taal: het Europees humanisme.

 

II
Volwassen worden begint met vragen stellen als: wie ben ik? Hoe word je wie je bent? Wat maakt het leven de moeite waard? Wat doe je als het lot je slaat?