Literatuur

Ouderdom en schrijverschap

Francesco Petrarca

Deze brief werd gepubliceerd in 1997, in Nexus 18, ‘Raadselen’, dat ook een toelichting van vertaler Frans van Dooren bevat en in print is te bestellen.

 

Seniles XVII.2 Aan Giovanni Boccaccio

De brief waarin je mij schrijft over je toestand heeft mij veel verdriet gedaan, hoewel ik er meteen aan wil toevoegen dat het geen ongewoon verdriet voor mij is, omdat dit soort nieuws de laatste tijd van alle kanten op mij afkomt. Ik moet toegeven dat jij het zwaar te verduren hebt wat die dingen betreft die de mensen de goederen van de fortuin noemen, maar die de ware filosofen noch goed noch prijzenswaardig achten, ook al kan niet worden ontkend dat ze het menselijk bestaan enigszins ondersteunen. Het doet me werkelijk pijn, en ik zou mijn ergernis tegenover de fortuin uitschreeuwen, als ik zou geloven dat zij enige invloed had. Nu durf ik me niet te ergeren, omdat ik van mening ben dat alles wat ons blij of bedroefd maakt niet, zoals algemeen wordt beweerd, op toeval berust, maar voortvloeit uit het oordeel van de Allerhoogste.

God, die jou veel meer heeft geschonken dan de overige stervelingen, zodat jij boven praktisch al je tijdgenoten uitsteekt, heeft jou op grond van een afweging die misschien lastig maar toch rechtvaardig is, in een ander opzicht aan de rest gelijkgemaakt. Met als gevolg dat jij nu de Lactantius en Plautus[1] van onze tijd bent, en wel in die zin dat je even rijk bent aan talent en welsprekendheid als arm aan materiële middelen. Als je echter met alle scherpzinnigheid die jou eigen is over de zaak nadenkt en goed bekijkt wat jou geschonken en wat jou ontzegd is, zul je moeten bekennen dat je bestaan hier op aarde ondanks wat lichte tegenspoed zeker niet ongelukkig is geweest.