kunst

Een pleidooi voor porseleinen herderinnetjes

G.K. Chesterton

Er zijn dingen waaraan de wereld ongaarne herinnerd wordt: de dode hartstochten van de wereld. Eén daarvan is het geweldige enthousiasme voor het arcadische leven, dat — al is het tegenwoordig nog zozeer het mikpunt van de schimpscheuten der realisten — zonder enige twijfel een groot deel van de wereldgeschiedenis — van wat wij de oudheid noemen tot aan tijden die toch wel recent mogen heten — hoogtij heeft gevierd. Het beeld van het argeloze, jolige leven van herders en herderinnen heeft in elk geval de tijdperken van Theocritus, van Vergilius, van Catullus, van Dante, van Cervantes, van Ariosto, van Shakespeare en van Pope in zijn ban gehouden. De goden der heidenen, zo vernemen wij, waren van koper en van steen, maar koper en steen hebben nooit volhard met de taaie volharding van het Porseleinen Herderinnetje. De katholieke kerk en de Ideale Herder hebben zelfs vrijwel als enigen de kloof tussen de oude wereld en de nieuwe overbrugd. En toch wordt de wereld, wij zeiden het al, aan dat jeugdig enthousiasme ongaarne herinnerd.

Maar de verbeelding — de functie van de historicus — kan iets zo enorms niet met rust laten.