cultuur

Een ‘postseculiere’ samenleving – wat betekent dat?

Jürgen Habermas

I
Een ‘postseculiere’ samenleving moet zich ooit in een ‘seculiere’ toestand hebben bevonden. De omstreden uitdrukking kan dus alleen betrekking hebben op de Europese welvaartsstaten of op landen als Canada, Australië en Nieuw-Zeeland, waar de religieuze banden van de burgers voortdurend, sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zelfs in versneld tempo, losser zijn geworden. In deze regio’s was het besef dat men in een geseculariseerde maatschappij leefde, min of meer algemeen verspreid. Te oordelen naar de gebruikelijke godsdienstsociologische indicatoren zijn de  religieuze gedragingen en overtuigingen van de betreffende bevolkingen ondertussen geenszins in die mate veranderd, dat we hier met goede redenen van ‘postseculiere’ samenlevingen kunnen spreken. Bij ons kunnen ook de toenemende ontkerkelijking en het zoeken naar nieuwe vormen van religieuze spiritualiteit de onmiskenbare verliezen van de grote religieuze gemeenschappen niet compenseren.[1]

Niettemin maken mondiale veranderingen en de nog steeds zichtbare conflicten die tegenwoordig door religieuze kwesties worden opgeroepen, de bewering twijfelachtig volgens welke de godsdienst aan betekenis zou hebben ingeboet. De lange tijd onaangevochten stelling dat er een nauw verband bestaat tussen de modernisering van de samenleving en de secularisering van de bevolking, vindt tegenwoordig steeds minder aanhangers onder sociologen.[2] Deze stelling was gebaseerd op drie, op het eerste oog overtuigende gedachten.