Literatuur

Twee voordrachten over Poesjkin

Joseph Frank

I
Een van de belangrijkste openbare gebeurtenissen in het laatnegentiende-eeuwse Rusland was de inwijding van een monument voor Poesjkin in Moskou, juni 1880. Zoals voor Rusland gebruikelijk is, kreeg wat in andere landen eenvoudig een literair of cultureel evenement zou zijn een belangrijke sociaal-politieke dimensie. Het tsaristische regime verkeerde in een diepe crisis, omdat hooggeplaatste functionarissen op klaarlichte dag werden vermoord door de terroristen van de Narodnaja Volja. Enkele maanden daarvoor, in februari, had een ontploffing het Winterpaleis opengereten, precies onder de eetzaal van de tsaar. Hoewel er niet genoeg dynamiet was geweest om de vloer te doen instorten, demonstreerde het het schrikbarende vermogen van de terroristen om overal waar ze wilden te infiltreren, ondanks de inspanningen van de geheime politie.

Het was in deze bedreigende sfeer dat de intelligentsia in Moskou bijeenkwam ter ere van Poesjkin, een groot symbool van nationale eenheid, dat hen in staat zou stellen voor een ogenblik (hoopten ze) alle vrezen en gevaren van de onzekere toekomst te overwinnen. Maar de diepe verdeeldheid die al sinds het begin van de negentiende eeuw bestond, de verdeeldheid tussen de westersgezinden en de slavofielen — degenen die wensten dat Rusland zich ontwikkelde volgens Europese lijnen en degenen die geloofden dat het zijn eigen, geestelijk superieure model kon creëren — bleef de aanhangers van beide doctrines gescheiden houden. En dit conflict kwam onvermijdelijk tot uiting in de loop van wat was bedoeld om alle Russen te verenigen in een openbaar eerbetoon aan hun grote dichter, die hen in staat zou stellen zich, al was het maar voor even, te warmen aan de gloed van een flauw flikkerende nationale trots.

De twee meest vooraanstaande literaire lichten die de gelegenheid opluisterden, waren Toergenjev en Dostojevski. (Tolstoj weigerde zich te laten overhalen, ook al ondernam Toergenjev de reis naar Jasnaja Poljana, in de hoop hem op andere gedachten te brengen). Ieder van hen vertegenwoordigde een uiterste van de sociaal-culturele scheidslijn — Toergenjev het westersgezinde standpunt, Dostojevski het slavofiele (deze benaming in een ruime zin). Toergenjev, in de lente van 1879 voor enkele maanden in Rusland teruggekeerd, was vorstelijk ontvangen bij de diverse benefietlezingen en -banketten waar hij het woord voerde. Een idee van de geestdrift die hij toen had gewekt, kan worden afgeleid uit de memoires van Anna Pavlovna Filosofova, een goede vriendin van Dostojevski (en, tussen haakjes, de tante van Sergej Diaghilev). ‘Nooit in mijn leven’, schreef ze, ‘zal ik één avond vergeten… De zaal was meer dan afgeladen. Het publiek wachtte op Toergenjev. Iedereen keek van minuut tot minuut naar de ingang… Opeens kwam Toergenjev binnen. Het was opmerkelijk: alsof we stuk voor stuk een zetje hadden gekregen, stonden we allen op en bogen voor de vorst van het intellect. Het herinnerde me aan de episode met Victor Hugo, toen die uit ballingschap terugkeerde in Parijs en de hele stad de straat op ging om hem te verwelkomen.’

Bestel via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel:
De canon – Aleksandr Poesjkin
De broers Karamazov – Fjodor Dostojevski
Liza – Ivan Toergenjev