cultuur

Het vaarwel van de muzen

George Steiner

I
Wat is de treurigste regel uit de Engelse poëzie? Misschien wel: ‘Nymphs and Shepherds dance no more’ uit Miltons Arcades. Hij schreef deze regel tussen 1630 en 1632. Voor ons is deze periode het hoogtepunt van de Engelse taal en haar literatuur. De geest van de tijd van Elizabeth en Jacobus I werkte nog door. Wat een grootsheid lag er in het verschiet met de metafysische dichters; Dryden was net geboren. Maar voor de jonge Milton was het gevoel van schemering tastbaar. Later, in zijn bondige voorwoord bij Samson Agonistes, zou Milton door louter deduceren tot de conclusie komen dat Shakespeare zich in genen dele kon meten met de ‘ongeëvenaarde’, onbereikbare soevereiniteit van de Griekse tragedie.

De crux spreekt voor zich. Er is nooit een moment geweest in de geschiedenis van de literatuur en de andere kunsten waarop zowel beoefenaren als critici geen tekenen van verval hebben waargenomen, van beginnende vulgarisering en verstrooiing. Telkens opnieuw, van Pindarus tot Valéry, van de elegische woede van de Hebreeuwse profeten tot de nachtwake van Spengler, heeft elk tijdperk beweerd het adieu van de muzen te horen, de stille treurige muziek van de vertrekkende Hercules in Antonius en Cleopatra of het collectief verdwijnen van de goden, van het goddelijke dat het leitmotiv is bij Hölderlin.

Het is alsof er in elke esthetiek, in elke generatie door de eeuwen heen een gevoel van ‘memento mori’ heerst, ook al worden er op dat moment nog zulke grootse dingen volbracht. Nog op het tijdstip van de overwinning fluistert de slaaf in het oor van de Romeinse veroveraar: ‘Denk eraan, u zult sterven.’