Geloof

Wat ik geloof

E.M. Forster

Ik geloof niet in het geloof. Maar dit is een religieus tijdsgewricht, en er zijn zo veel militante geloofsovertuigingen dat een mens gedwongen is uit zelfverdediging zijn eigen credo te formuleren. Tolerantie, een goede inborst en medeleven zijn niet langer afdoende in een wereld die wordt verscheurd door vervolging op religieuze en racistische gronden, in een wereld waarin de onwetendheid regeert en de wetenschap, die had moeten regeren, voor onderdanige pooier speelt. Tolerantie, een goede inborst en medeleven — dat zijn de dingen waar het echt om gaat, en wil de menselijke soort niet ineenstorten, dan moeten ze snel op de voorgrond te treden. Maar op dit moment lijken deze overtuigingen niet genoeg te zijn en is hun daadkracht zwakker dan een gehavende bloem onder een legerlaars. Ze moeten steviger worden, ook al zullen ze daardoor verharden. Het geloof is volgens mij een verhardingsproces, een soortement geestelijk stijfsel, dat zo spaarzaam mogelijk gebruikt dient te worden. Ik houd niet van dat spul. Ik geloof helemaal niet in het geloof als zodanig. Daarin verschil ik waarschijnlijk van de meeste mensen, die geloven in het geloof, en die het spijt dat ze er niet nog meer van kunnen slikken dan ze al doen. Mijn wetgevers zijn Erasmus en Montaigne, niet Mozes en Paulus. Mijn tempel staat niet op de berg Moria, maar in het Elyzeese Veld waar zelfs de onsterfelijken worden toegelaten. Mijn motto is: ‘Heer, ik geloof niet — komt u mijn ongeloof te hulp.’

Ik ben echter gedwongen te leven in een religieuze eeuw — het soort tijdperk waarop ik vroeger, als jongen, lofzangen heb horen zingen. Het is een uiterst onaangename realiteit, die bloeddorstig, bloedovergoten en ellendig is. En ik moet er mijn steentje aan bijdragen. Waar moet ik beginnen?