Tijdschrift Nexus

Nexus 43

Brieven aan het nageslacht
Uitverkocht

De Italiaanse dichter Petrarca liet bij zijn overlijden in 1374 een brief na waarin hij de balans opmaakt van zijn leven. In zijn onvoltooide ‘Brief aan het nageslacht’ kijkt hij terug op zijn leven en op de tijd waarin hij geleefd heeft.

Nexus nodigde vierentwintig eminente tijdgenoten uit hun eigen ‘Brief aan het nageslacht’ te schrijven. Zij getuigen van hoop en spijt, vrees en verwachting, geluk en teleurstelling, hun leven en hun tijd.

Inhoudsopgave

Lectori salutem

Twee dozijn schrijvers, dichters, schilders, historici en kunsthistorici, sociologen, economen, vertalers en diplomaten uit binnen- en buitenland leggen getuigenis af van hun hoop en spijt, hun vrees en verwachting, hun geluk en teleurstelling, hun leven en hun tijd.

Deze ‘Brieven aan het nageslacht’ zijn een unieke vorm van mensenkennis.

Achter de januskop van de tijd

Wij neigen er, zodra we erover spreken, gauw toe om ons bestaan te plaatsen op de lopende band te midden van onze tijd en daarbij als een januskop naar voren en achteren te kijken. Het is de gebruikelijke quasi-horizontale benadering. Daarbij verdwijnt uit het gezichtsveld iets wat nu juist die kwintessens van ons bestaan uitmaakt. Uit dat leven spreekt namelijk nog heel iets anders tot ons dat we niet op dat algemene vlak terugvinden. […] Het komt tot uiting in ieders meest intieme ervaringen van droefenis, verlies, geluk, verlangen, liefde. En het is in de grote kunst dat die kwintessens zichtbaar of hoorbaar kan worden als een signaal van het absolute dat op de een of andere wijze buiten de tijd is gelegen.

Brief aan het nageslacht

Mijn grote liefde is altijd de poëzie geweest, maar ik ben een lyrische dichter en lyrische poëzie is een subjectieve kunst en niet een manier om je brood te verdienen. Ook geef ik weinig om het gezelschap van dichters en hun onderlinge haat en nijd. Noch ben ik van nature een schrijver van romans – en ik heb er drie geschreven ten bewijze daarvan – want echte romanciers zijn verhalenvertellers die drama en verhaal zien in alles wat hun overkomt. Zo werkt mijn verbeelding niet. Of misschien heb ik wel helemaal geen verbeelding. Maar ik ben een en al nieuwsgierigheid naar mensen en plaatsen zowel als ideeën, en ook naar dingen en hoe ze werken. Dus heb ik mijn leven dienovereenkomstig ingericht.

Brief aan het nageslacht

In welke staat zullen we de Aarde, ons gemeenschappelijke thuis, waarschijnlijk voor u achterlaten? Uit wat ik tot nu toe heb gezegd, zou u kunnen opmaken dat u een slangenkuil of mijnenveld zult erven, pakhuizen die tot de nok gevuld zijn met licht ontvlambare materialen die op ieder moment kunnen ontbranden en sudderende conflicten die het kookpunt naderen. Maar u kun ook een planeet beërven die is beroofd van zijn niet-hervulbare hulpbronnen die ons, zolang deze roof onbelemmerd en ongestraft kon voortduren, in staat stelden onze schitterende, maar vergankelijke rijkdommen te verwerven en daar twee of drie eeuwen plezier van te hebben; een planeet die geschokt was door het vooruitzicht het comfort te verliezen dat sommigen van ons beschouwden als hun geboorterecht, terwijl sommige anderen het beschouwden als iets wat binnen hun bereik lag; een oververhitte planeet, met water dat ongeschikt is om te drinken en lucht die ongeschikt is om in te ademen. Om een lang en droevig verhaal kort te maken: u kunt een planeet beërven die ongeschikt is voor menselijke bewoning. Als u er tenminste nog steeds bent, om deze erfenis te kunnen erven, zegenen of vervloeken.

Brief aan het nageslacht

Zoals het er nu uitziet en zoals mijn geestesgesteldheid nu is – enigszins ziek, ouder wordend en onzekerder, daardoor – lijkt het dat ik meer vragen aan jullie, nakomelingen, heb dan ik met afdoende of ophelderende antwoorden zal kunnen komen. Vaak ben ik zelf in verwarring, spreek mezelf tegen of word moedeloos als ik de afloop of het resultaat zie van zaken waarover ik me ooit heb opgewonden, waar ik heftig in geloofde of begeesterd over was. Zou ik mezelf in het laatste stadium van mijn leven moeten omschrijven, ik zou met enig sarcasme kunnen zeggen dat ik een wandelend vraagteken ben.

Brief aan het nageslacht

Het onderduiken op jeugdige leeftijd is een school voor het onderwijs in door mensen toegebracht leed, voor lessen in het kleine en grote verdriet en voor het leren omgaan met de wetten van de bescherming. De vissen houden zich schuil onder water tot ze worden gevangen, de zieke bloembollen blijven onder de grond, tot ze door ome Cor worden ontdekt. Onderduikers blijven ondergedoken, tot ze door een boze buitenstaander worden verraden.

Brief aan David

Het leven heeft geen zin. Dat neemt niet weg dat men er zin aan kan geven als het eenmaal bestaat en omdat het nu eenmaal bestaat. Dat kunnen wij mensen doen, onder meer ook doordat we ons van onszelf bewust zijn. We zijn deel van de natuur, die heeft ons gemaakt zoals we zijn, met elkaar, en met plezier en pijn, en we weten dat. Het is niet zo’n erg groot probleem om dat ook gewoon te aanvaarden. Of: ik geloof eigenlijk dat dat er een toetssteen voor is of men als mens tot volle wasdom is gekomen. Te weten: zo zijn de zaken in de natuur. Te weten: binnen dat leven, als het er eenmaal is, hebben mensen gevoeligheden, de doelen die daaruit ontstaan, en de mogelijkheden om met die gevoeligheden en doelen om te gaan. Van zulke mogelijkheden hebben we er veel. Je kunt doen wat je kunt. Je kunt proberen om niet alleen je pijn te verzachten en genoegen te beleven, maar dat uit te strekken tot anderen die binnen je identificatiecirkel vallen – voor wiens lot je gevoelig bent of met een beetje moeite zou kunnen zijn. Als het even kan, kun je dat ook uitstrekken tot het nageslacht, zo’n paar generaties verder. En als het even kan, strek je het uit tot zo goed en volledig mogelijk te doen waarvoor je de vermogens hebt. Dat is immers voor een mens de voornaamste bron van plezier.

Brief aan het nageslacht

Wat verwacht ik en wat hoop ik? Dat is makkelijk. Wat ik verwacht, is dat de beschaving zichzelf in de komende eeuw zal vernietigen, en wat ik hoop is dat dat niet gebeurt. En mijn verlangens? Op mijn leeftijd betekent dat spijt, nu het te laat is om er nog iets aan te doen.

Op tijd geboren

Hier, in een gedeeld Europa – niet alleen geografisch, maar ook in zijn geestelijk en sociaal voortbestaan lange tijd gedeeld – was ik in staat een leven te leiden vol spanning, vol teleurstellingen, vol onbereikte doelen en toch vol vervulling. Want aan het eind van een lang leven besef ik – en van dat besef wil ik blijven getuigen zolang het mij gegeven blijft woorden op papier te zetten – dat niet het doel op zich het bestaan zin geeft, maar de niet aflatende strijd voor een gesteld doel.

Het is levensgevaarlijk de draden aan te raken

Brief aan het nageslacht

Ik vertrouw erop dat jij of tenminste enige vertegenwoordigers van jouw generatie trouw zullen blijven aan wat je bent. Ondanks het pessimistische toekomstbeeld dat ons eigen tijdsgewricht ons blijft ingeven, heb ik het grootst mogelijke respect voor de dynamische creativiteit van de menselijke geest. Ze is een van de grote nalatenschappen van de prehistorische mens. Moge ze de overhand houden, zover het denken kan reiken.

Een nooit verloren vergezicht

Voor iemand die langer dan een halve eeuw actief was als literatuurhistoricus, is het zonder meer vanzelfsprekend dat hij, bij een terugblik op zijn eigen levensgang, een poging zal wagen alsnog na te trekken welke Sternstunden en andere geprivilegieerde momenten bepalend zijn geweest voor een levenslange – en levenslang gelukkig makende – verslingerdheid aan de literatuur en aan alles wat daarmee op enigerlei wijze samenhangt.

Brief aan het nageslacht

Zijn niet alle lyrische gedichten een afscheid, een lamento? Elk gedicht is een raadsel, een visioen. Het verschijnt als een orakel, in een rituele mysterietaal. De ritmische, metrische vorm (gevormd met alle middelen van de taal plus de eisen van de prosodie) is het medium tussen de ziener en het geziene. Als we in onszelf kijken – dat doet lyriek – is wat we zien zó verschrikkelijk, dat we, om het te kunnen verdragen en beheersen een priester-vorm nodig hebben, een ongenadige vaste middelaar die het visioen intact laat en de getuige beschermt. Poëzie is sacraal, heilig, en, zoals Rilke wist: ”schrecklich” – angstwekkend. Er is, zoals Da Costa zei, heldenmoed voor nodig.

De poëzie begrijpen en de taal behoeden

Wat het leven me heeft gebracht? Ik doe geen poging om te begrijpen wat het belangrijkste, echt het allerbelangrijkste is geweest in mijn persoonlijke leven, maar een van de dingen die voor mij het meest van tel zijn geweest, en dat ik beschouw als een van de grote kansen die me zowel intellectueel als in het leven van alledag werden geboden, zie ik scherp voor me: dat ik tot volwassenheid ben gekomen op een moment van de geschiedenis dat het minder lastig was dan op andere om zich bewust te worden van de gevaren die rusten in de schoot van de taal en van de vallen waarin het woord kan worden verstrikt, zelfs wanneer het doel de poëzie is.

Drie revoluties

Ik besef dat ik heb gezegd dat de uiteindelijke balans van elk politiek initiatief een onvoorspelbare algebrasom van winst en verlies is, en dat niemand voor een operatie kan voorzien wat het uiteindelijke resultaat ervan zal zijn. En ik besef hoe moeilijk het is om deze boodschap over te brengen ”aan het nageslacht” zonder het risico te lopen minachtend, cynisch, zo niet ronduit nihilistisch te lijken. Het spijt mij. Ik kan alleen opmerken dat het leven van een menselijk wezen of van een nationale gemeenschap niet zozeer kan worden beoordeeld op grond van de bereikte doeleinden als wel van de ernst, de inzet en de consequentie waarmee het is geleefd. Het is nodig te leven alsof elk woord van ons een betekenis heeft, alsof elke handeling die wij verrichten ons een stap dichter bij het geluk en de volmaaktheid brengt.

Zorgen over de toekomst

Tot dusver sprak ik over vraagstukken van oorlog en vrede en vooral ook over tekortschieten van conflictpreventie. Maar ik zweeg over de stormachtige ontwikkeling van de industriële maatschappij in de afgelopen decennia en de nieuwe gevaren die dit voor de mensheid oproept. Wat wij lang als spectaculaire vooruitgang beschouwden, dreigt tot rampzalige consequenties te leiden. Ik denk aan de klimaatsverandering die zich aan het voltrekken is. Lang ontkend of gebagatelliseerd, maar nu vrijwel alom als feit aanvaard.

'Aan wie na ons komen'

Met de snelle voortgang van het weten groeit het gevoel van het niet-weten. Ons dagelijks leven wordt beheerst door technieken die nog maar weinig vakmensen echt begrijpen. Met de groeiende welvaart groeit ook de kloof tussen arm en rijk. Het ideaalbeeld van de vrije mens met een eigen verantwoordelijkheid – grondslag van onze cultuur sinds Renaissance en Verlichting – gaat wankelen. Biologen en ethici debatteren over genmanipulaties. Pedagogen maken zich zorgen over het leervermogen van mensen wie de moeiten van het dagelijks leven door een onbegrepen techniek uit handen worden genomen. Nachtmerries van de tovenaarsleerling steken de kop op. Vrije beslissingen van de mens worden een ongewenste bron van fouten in een technische wereld. Het oude ideaalbeeld van een mens die de dwang van de arbeidsverdeling ontvlucht en zijn omgeving begrijpt omdat hij haar zelf gevormd heeft, wordt tot vrijetijds- en do-it-yourself-hobby. Kan ons beeld van een mens die in staat is vrij te beslissen en verantwoordelijkheid te dragen, de radicale verandering van de levensomstandigheden overleven? Kan het de grondslag ook van een toekomstige wereldcultuur worden?

Mijn beste Ted

Het lijdt geen twijfel dat er nog veel werk moet worden verzet om methoden en middelen te vinden om deze stoutmoedige dimensie van Mahlers late verbeelding tot vrucht te brengen waarvan ik meen dat deze nog steeds niet naar behoren in onze concertzalen en opnamestudio’s te horen is geweest. Wellicht zullen Mahler-vertolkers van toekomstige generaties, met name slagwerkers, deze arbeid voortzetten. Een mooiere nalatenschap kan ik me niet wensen. Bovendien, als we in de toekomst Mahlers koebellen kunnen horen als symbool van een vrede die nog steeds moet worden gesticht, wie weet – misschien, misschien, misschien – zal de wereld waarin we allemaal leven en die door geweld wordt geteisterd, ten slotte luisteren en proberen dit verre visioen te verwezenlijken.

Mijn testament

Ik vind het idee van het sterven vreselijk, want ik houd van het leven zolang ik het werkelijk kan leven. Maar de dood is een gift van de goden, een manier om aan het leven te ontsnappen als het werkelijk ondraaglijk is. Hoewel ik een filosofisch systeem heb ontworpen, bevat dat geen levensfilosofie. Ik heb een levensfilosofie, namelijk blijven leven tot ik omval.

Het culturele leven van de schilder K

Waar ik mijn leven aan gewijd heb, als schilder, docent en schrijver, is het verwerken en doorgeven van de traditie. De stof beperken tot schilderen en tekenen is niet voldoende. Beschouwer, lezer en student moeten weten hoe de kunstenaars in vroeger eeuwen het vak beoefenden en beoordeelden. De grote tijdloze kunst van het verleden, Michelangelo, Titiaan, Velázquez, Rembrandt c.s. dient zoveel mogelijk in het origineel bekeken te worden. Zij levert de norm, een norm die niet meer haalbaar is, maar toch een richting aangeeft welke kant het op zou moeten.

Over vrijheid

Er is geen mens die kan meedelen waartoe hij, ongewild, ter wereld is gekomen en waarheen de weg leidt als die wordt beëindigd. Reden tot juichen voor zijn/haar verschijning hebben weinigen en de zeldzamen die zich ermee hebben verzoend, vragen zich af of de schaarse ogenblikken van geluk die zij als zodanig ondervonden, dit raadselachtige bestaan rechtvaardigen. Geluk, zo heeft de Engelse wiskundige en filosoof Bertrand Russell niet lang geleden in zijn bekendste werk over dit begrip betoogd, geluk ligt niet voor het grijpen, het moet veroverd worden. Zo zien we dat de menselijke waardigheid, het geluk, ofwel de leefbaarheid van ons bestaan, van onszelf afhankelijk zijn, van onze persoonlijke inspanningen, van onze eigen overwegingen en daden.

Beste achterneef Pieter

Ouder worden houdt voor mij een zekere mate van onthechting in. Ik begrijp vaak niet waarom in kranten met zoveel opwinding over iets onbelangrijks wordt geschreven. Ik bevind mij ook niet wel bij de erosie van traditionele opvattingen over journalistiek – in de plaats van een duidelijk onderscheid tussen beschrijving en (voorzichtige) analyse en opinie of commentaar komt vaak insinueren en suggereren. Het intellectuele klimaat is mij te veel gericht op het behagen van een lui publiek. Sfeerstukken en gemakzuchtige interviews nemen de plaats in van analyse en argumentatie.

Vivos voco, mortuos plango

De erkenning dat horzels er noodzakelijkerwijs bijhoren en dat zij een positieve bijdrage kunnen leveren aan allerlei plannenmakerij, bestaat nog steeds wel in ons land. Mijn onbedaarlijk polemische inslag zie ik niet als het geklets van de stuurlieden aan de wal, maar als manifestatie van deelname aan het reilen en zeilen van iemand die in het schuitje zit. En het zou wel eens zo gesteld kunnen zijn dat de krachtigste drijfveer van mijn kritische activiteiten juist ligt in mijn behoefte er bij te horen, overboord gegooid als ik in het begin van mijn leven ben geweest.

Terugblik op het 'gekkenwerk'

Wat uiteindelijk telt is niet hoe we worden bestempeld en ingedeeld, al helemaal niet door onszelf, maar hoe goed we zijn omgesprongen met de identiteiten die deels zijn opgelegd door omstandigheden, deels aangenomen door positieve en negatieve reacties op die omstandigheden. Of we de zondeval nu aanvaarden als een dogma of een onweerlegbare mythe, die afscheiding van de niet-menselijke natuur gaf ieder van ons een zekere vrijheid en keuze ten aanzien van wie we zijn en verlangen te zijn, maar het oordeel over de mate waarin de dingen die we hebben gedaan en gemaakt aan dat verlangen beantwoorden, is niet aan ons, en moet door schrijvers worden overgelaten aan critici even feilbaar als zijzelf.

Brief aan het nageslacht

Nog niet zo lang geleden was ik voor het eerst ziek sinds mijn vijfde, toen ik bijna stierf aan buikvliesontsteking. Wat een eenvoudige preventieve ingreep had moeten zijn, leidde tot bloedvergiftiging en een noodoperatie. Tijdens die twee weken in het ziekenhuis had ik vaak pijn. Mijn lichaam was als een aangeschoten dier dat me kon doden. Ik wanhoopte. ‘Als het mijn tijd is om te sterven, dan maar liever nu dan over een maand.’ Op een dag kwam stilletjes de zin bij me op: ‘Ik heb mijn leven geleefd’.