Tijdschrift Nexus

Nexus 46

Durf ongelukkig te zijn
Uitverkocht

Durf te denken was het adagium dat Kant zijn tijdgenoten voorhield. Hij wist dat zonder zelfstandig denken en het zoeken naar waarheid – hoe moeilijk ook – geen recht wordt gedaan aan wat van grotere waarde is dan het onbegrensde, nimmer volledig te vervullen verlangen naar geluk: de menselijke waardigheid. Durf ongelukkig te zijn, zouden we in zijn voetspoor mogen zeggen. Want alleen wie niet bang is de melancholie, de eenzaamheid, de pijnlijke waarheden van het menselijk bestaan te doorstaan, zal ook die waarden leren kennen die het leven zijn glans geven: ware liefde, ware vriendschap, ware kennis – waar geluk, al is het voor even.

Inhoudsopgave

Lectori salutem

Rob Riemen over waarom melancholie en ongelukkig zijn uit de taboesfeer gehaald moet worden en ook waardevol kunnen zijn.

Overduidelijk is geluk in twee eeuwen het voornaamste geloofsartikel van onze moderne tijd geworden. En wijdverbreid is de opvatting dat niet gelukkig zijn het ergste is wat er is. Maar, geluk in de zin van een onveranderlijke toestand is voor ons niet weggelegd. Een fundamentele, onontkoombare treurnis behoort zelfs tot het wezen van het menselijk bestaan.

Is God gelukkig?

Zuiver geluk is voor geen mens weggelegd. Zelfs wie op enig moment even ontsnapt aan zijn eigen lijden of meent dat zí­jn leven de volmaakte belichaming van het geluk is, is ertoe veroordeeld deel te hebben aan andermans leed en kan de bange verwachting van de dood en alle smarten van het leven niet van zich af zetten. Het ware geluk kan alleen worden verbeeld en is door niemand ooit ervaren.

Kortom, het woord ‘geluk’ lijkt niet van toepassing te zijn op het goddelijke leven. En het is evenmin van toepassing op mensen, niet alleen omdat die al zo vaak lijden, maar omdat ze toch het kwade en ellendige van de menselijke staat niet kunnen vergeten. […] Er is geen reden om te stellen dat wat wij als goed ervaren […] als puur negatief moet worden gezien. Deze ervaringen versterken ons bestaan in positieve zin, ze maken ons geestelijk gezonder en beter. Maar ze kunnen het malum culpae of het malum poenae, het morele kwaad of lijden, niet uit de wereld helpen.

Waarom denken treurig maakt

Tien (mogelijke) redenen

Is geluk ‘denkbaar’? Zo onvermijdelijk als het adagium ‘Ik denk, dus ik ben’, zo onontkoombaar is ook de ingeschapen, fundamentele treurnis die dit denken voor de mens met zich meebrengt. In dit geestelijk testament, dat in Frankrijk en Duitsland in boekvorm al groot succes oogstte, presenteert George Steiner tien (mogelijke) redenen voor de smarten van de geest die het denken impliceert, eine dem Leben anklebende Traurigkeit waartoe de mens veroordeeld is.

Het menselijk bestaan, het verstandelijk leven betekent de ervaring van deze melancholieën het vitale vermogen om haar te overwinnen. Wij zijn, om zo te zeggen, ‘treurig’ geschapen. In deze voorstelling ligt haast onloochenbaar de ‘achtergrondruis’ besloten van de bijbelse, de oorzakelijke verbanden tussen de verboden verwerving van kennis, van het analytisch onderscheidingsvermogen en de verbanning van de menselijke soort uit die eerste staat van onschuldige gelukzaligheid. Een sluier van droefheid (tristitia) hangt over de overgang van homo naar homo sapiens, hoe positief deze ook moge zijn. Het denken draagt een erfenis van schuld in zich.

Wat ik geloof

In dit essay keert Forster zich tegen geloof met een grote G: het fundamentalistisch geloof in een religie als de enige bron van waarheid, maar ook het geloof in de macht en het geweld van grote mannen en ideologieën. Hij stelt er zijn eigen geloof met een ‘heel kleine g’ tegenover, een geloof in vrijheid, democratie en individualisme, in de adel van de geest.

Ik geloof echter in de adel – als dat het juiste woord is, en als een democraat het in de mond mag nemen. Geen machtsadel, die berust op klasse en invloed, maar een adel van de gevoeligen, de voorkomenden en de dapperen. De leden van deze adel komen voor in alle landen en klassen, en in alle tijdperken, en er is een heimelijke verstandhouding tussen hen als ze elkaar ontmoeten. Ze vertegenwoordigen de ware menselijke traditie, de enige permanente overwinning van onze wonderlijke soort op de wreedheid en de chaos.

Over het geprivatiseerde geluk

Het idee dat geluk schuilt in het verlichten van ongeluk, is in onze cultuur diep ingeprent. Geluk is echter een begrip met een lange voorgeschiedenis, die onder meer laat zien dat geluk door Aristoteles werd begrepen als een collectief ideaal van voorspoed. Dat ideaal lijkt inmiddels achterhaald. Maar wat Aristoteles’ eudemonia en de begripsgeschiedenis van ‘geluk’ ons wél kunnen leren, is dat we ons niet moeten neerleggen bij ons geluk of ongeluk als een lotbeschikking van hogerhand, maar dat we het moeten zien als een taak die voor ons ligt, in het besef dat ons geluk onvermijdelijk verbonden is met dat van anderen.

Wat in onze samenlevingen geluk actueel maakt, is niet – zoals voor Aristoteles – de idee van een specifiek menselijk uitblinken, na te streven om zichzelfs wil en voor ieder beschikbaar. Het is de invloed van nieuwe soorten ongeluk en het verlangen die te vermijden, en het aanbod van idealen van eigen succes, die eenvoudig logisch gesproken voor slechts enkelen haalbaar zijn. Op zijn allerplatst en -paradoxaalst gezegd, berust dit ideaal van voorspoed op het utopische ideaal van ten eerste een risicoloos leven en ten tweede de kans een idool te worden.

Kunnen we de plezierexplosie overleven?

In de hedendaagse maatschappij lijkt het streven naar een dieper geluk te zijn verruild voor de allesbeheersende zucht naar plezier, zo stelt Krutch. De mens die zich door deze lage behoefte laat beheersen, kan onmogelijk een zinnige bijdrage leveren aan de vraag, of onze maatschappij op weg is naar rechtvaardigheid en geluk, of naar geweld en duisternis. Zo’n mens leeft in de blinde waan dat veiligheid en overvloed vanzelfsprekend en eeuwigdurend zijn.

Is het natuurlijke recht om geluk na te streven op de een of andere manier het recht op geluk geworden en is dat recht onontkoombaar verworden tot een recht om plezier te maken, simpelweg doordat de onmogelijkheid plezier te garanderen minder vanzelfsprekend is dan de onmogelijkheid geluk te garanderen?

Dringen op de kortste weg naar het geluk

In dit essay beziet de auteur de weg die de notie van het geluk de afgelopen drie eeuwen heeft afgelegd. Na het ontstaan van het geluksbegrip in het oude Griekenland kwam het als levensdoel pas volledig tot bloei tijdens de Verlichting. In de westerse wereld – en in toenemende mate ook daarbuiten – viert het sindsdien hoogtij. Welbeschouwd is deze ‘wilde, koortsachtige jacht’ op het geluk echter juist een symptoom van de huidige cultuurcrisis? ‘Immers’, zo schrijft McMahon, ‘wat is ons wanhopige verlangen naar een goed gevoel anders dan een symptoom van het verdampen van de zin, of het geloof in de zin, in andere doelen.’

Aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, en in de gehele ontwikkelde wereld, heeft het geluk zich ontpopt tot een centrale obsessie, die door de Franse criticus Pascal Bruckner treffend is omschreven als ‘het enige richtpunt van onze democratieën’. Het gemoedelijke gebod van Bobby McFerrins hitsingle uit 1988, Don’t Worry, Be Happy, kan tot op zekere hoogte worden beschouwd als de opdracht van deze tijd.

Lof van twee anachronismen

In dit essay betoogt Földényi dat het begrip van de melancholie de laatste tweehonderd jaar zo ingeperkt is, dat ze niet langer slaat op een toestand die vergaande existentiële inzichten biedt, maar nog slechts een lege sentimentaliteit is. Op dezelfde manier is getracht geluk te reduceren tot een gevoel van tevredenheid. Daarmee dreigt de mens te worden beroofd van de beleving van het transcendente, en zo ook van het inzicht dat hij ondanks al zijn grootsheid en kennis geen almachtig wezen is. Daarom, aldus de auteur, moeten we geluk en melancholie in hun zuivere vorm bewaken, omdat ze ons openstellen voor een ander, kwalitatief rijker leven.

Als het Zijn wordt beperkt tot datgene wat te bevatten, te bedenken, voor te stellen en te definiëren is, dan is er inderdaad niets wat onbegrensd is. […] Het grenzeloze is geen oneindigheid van diepte, hoogte, grootte, gewicht of afstand, maar een onuitputtelijkheid. Melancholie is de ervaring van deze onuitputtelijkheid. Daarom wordt zij moeilijk geaccepteerd in een tijd zoals de onze, waarin door de ‘heilige drie-eenheid’ van techniek, economie en politiek verkondigd wordt dat voor alles een oplossing bestaat.

Melancholie is een vorm van verzet

W.G. Sebald en de Duits-joodse herinnering

Aan de hand van het werk van de Duitse romancier W.G. Sebald breekt Mark Anderson een lans voor een herwaardering van de melancholie, als enig mogelijke houding om de last van het verleden die we moeten dragen, te kunnen torsen. De kunsten zijn het aangewezen instrument voor deze ‘daad van verzet’ ‘tegen de krachten van vernietiging en vergeten in het menselijk leven’. Het werk van Sebald, achtervolgd door de ‘postmemory’ aan het Duitse oorlogsgeweld dat hij zelf alleen indirect had meegemaakt, is hiervan een veelzeggende illustratie.

Maar melancholie, schrijft Sebald in de inleiding tot zijn academische onderzoek naar Oostenrijkse literatuur, ‘heeft niets te maken met doodsverlangen. Het is een vorm van verzet. […] De beschrijving van het Unglück heeft zelf de mogelijkheid in zich het ongeluk te overwinnen.Dat is uiteindelijk een van de grote paradoxen van de melancholie in de kunst, van een Bachcantate tot Becketts Wachten op Godot: de paradox dat vormgegeven droefheid praktische hulp biedt aan de mensen die eraan lijden.

Musicus, mens en meteoor

Het compromisloze voorbeeld van Béla Bartók

Het is de bescheidenheid en de ambitie tegelijk die het leven en werk van de Hongaarse componist Béla Bartók zo intrigerend maakt. Zijn eigen geluk of publiek succes was voor hem van geen belang, vergeleken met het hogere doel dat hij zich gesteld had: de compromisloze expressie van waarheid en rechtvaardigheid, de genadeloze veroordeling van leugen en onrecht. Voor George Klein is Bartók daarmee een meer dan voorbeeldig mens én kunstenaar.

Ik heb naar het schrijven van dit essay uitgezien, misschien omdat ik in de zuivere lucht wilde leven die Bartóks muziek omgeeft. Ik wist bij Bartók iets méér te kunnen vinden dan bij andere onsterfelijke componisten te vinden is. Evenals de andere groten werd Bartók onsterfelijk door zijn fenomenale talent als musicus. Het was echter zijn bijzondere, bescheiden en zelfverzekerde, hoffelijke maar compromisloze, zich zacht uitsprekende maar, in zijn houding tegenover het nazisme en andere vormen van onderdrukking, genadeloos veroordelende persoonlijkheid die zijn levenswerk vormde. Maar ook iets dat zijn levenswerk te bovengaat. Het voorbeeld, voor ons allen zichtbaar. Het voorbeeld dat laat zien wat de mens óók kan zijn of kan worden.