Tijdschrift Nexus

Nexus 47

Klassieken, kunst en kitsch
Uitverkocht

‘Het is uitsluitend gericht op het aangename en negeert het beste.’ Socrates geeft al de definitie van een begrip dat pas vijfentwintig eeuwen later aan zijn onstuitbare opmars begint: kitsch. Kitsch is massacultuur, cultuur waarin het volk regeert: mooi is wat de meesten mooi vinden; goed is wat de publieke opinie goed vindt; belangrijk is wat iedereen wil weten. Critici daarentegen waarschuwen dat er een essentieel verschil is tussen ‘populaire cultuur’ en kitsch, en dat veel ‘hoge cultuur’ net zo goed kitsch kan zijn.

De auteurs van Nexus 47 laten hun licht schijnen over de klassieken, kunst en kitsch.

Inhoudsopgave

Klassieken, kunst en kitsch

Nieuwe aantekeningen voor het definiëren van de westerse cultuur (I)

Wat vertelt het lot van de klassieken ons over de hedendaagse cultuur?

Nietzsche beleefde en beschreef de ‘Herbst der Kultur’, Steiner beleeft en beschrijft de ‘Post-Culture’. Kennis van de klassieken en het klassieke meesterschap zijn irrelevant geworden. Niet langer is er ‘le dur désir de durer’ (Paul Eluard), het streven om dat wat zal blijven, te scheppen. De stilte zonder welke de vita contemplativa niet kan bestaan, is een schaars goed geworden waar lawaai wordt gecultiveerd. De samenleving infantiliseert en debiliseert. Er is een tegencultuur, ook al omdat het antwoord op de cruciale vraag ontbreekt: waarom zou men zich inspannen om de cultuur te verfijnen en uit te dragen, als deze cultuur zelf zo weinig moeite heeft gedaan om het onmenselijke te bestrijden, als zij zelf diepgewortelde tweeslachtigheden bevatte die soms zelfs tot barbarij aansporen?

Het verticale licht van de klassieken

Vijftien jaar na de publicatie van zijn opzienbarende essay ‘L’état culturel’ beziet Marc Fumaroli opnieuw de tanende invloed van de klassieken, de meesterwerken van de westerse beschaving, in de cultuur en het onderwijs van onze tijd. Hij signaleert hoe de afgelopen vijftig jaar een traditie werd afgebroken die zelfs onder de zwaarste stormen van de geschiedenis overeind was gebleven. Fumaroli bepleit onder meer dat de Republiek der Letteren eensgezind tegenwicht moet bieden aan de commerciële wereld van cultuur en communicatie en breekt een lans voor kleinschalig, kwalitatief hoogstaand onderwijs op klassieke leest, omdat het voor Europese landen onontbeerlijk blijft een intellectuele elite op te leiden.

Welke ongekende revolutie heeft zich plotseling voltrokken dat de klassieken, de bakermat van menselijke beschavingen, waaraan door de christelijke noch de Franse revolutie getornd was, in Frankrijk zoals vrijwel overal in Europa, binnen enkele decennia in de onderwijsprogramma’s gemarginaliseerd en verschraald zijn, gehoond en bespot door de publieke opinie en teruggedrongen in gespecialiseerde studies die zelf worden uitgehold door de noodzaak zich te legitimeren onder de naam ‘menswetenschappen’ of ‘cultuurspreiding’. […] Literatuur, kunst, wellevendheid, goede smaak met de vaste ijkpunten en referenten die ze hadden in de antieke en moderne klassieken, met wat aan symbolen en moraal was geërfd van de beschaving die ze van geslacht op geslacht overdroegen en vernieuwden, zijn bij ons letterlijk verzopen, misschien iets minder bruut dan door de Chinese of Cambodjaanse culturele revolutie, maar in wezen even radicaal.

Tegen de beschavingsdrift

In dit essay waarschuwt Paul Gilroy voor de risico’s die besloten liggen in het noodzakelijke debat over een nieuwe definitie van de westerse cultuur. We mogen onze cultuur nooit reduceren tot één enkele, definitieve bron. In de eerste plaats omdat het inherent is aan de klassieke vormingstraditie dat ze zich telkens weer aan nieuwe omstandigheden aanpast zonder verraden of beknot te worden, en in de tweede plaats omdat er van één zuivere, schone en onschuldige traditie simpelweg geen sprake kan zijn. Een geloofwaardige verdediging van de Europese tradities moet zowel rekening houden met de medeplichtigheid ervan aan xenofobie en zelfs genocide, als blijven zoeken naar een ‘tegengeschiedenis’ waarin verdraagzaamheid en gastvrijheid centraal staan.

Cultuur staat voor homogeniteit, stabiliteit en overeenkomst, terwijl multicultuur beelden oproept van chaos en wetteloosheid. Deze combinatie van factoren zet onze gesprekken onder grotere druk. […] Als we onze besprekingen door dit gebod van cultuurbehoud laten overheersen, zullen waardevolle argumenten voor de blijvende waarde van de klassieke vorming bruut van tafel worden geveegd. Maar bovendien bestaat het risico dat zulke argumenten voor politieke doeleinden worden ingezet op manieren die het idee van vorming als een sociaal en burgerlijk goed opofferen ten gunste van onderwijs als een individueel of collectief privilege dat aan onverzadigbare kooplustigen wordt verstrekt in plaats van aan gedisciplineerde studenten.

De gevaren van de klassieken

Het gevaar dat de grote auteurs van de antieke wereld verkeerd gelezen worden of worden ingezet voor oneigenlijke doeleinden is groot, misschien zelfs principieel onvermijdelijk, zo betoogt Rowland in dit essay. Zo lang wij mensen echter worden bewogen door dezelfde gevoelens van haat en liefde als die waarvan de Ouden ons vertellen, blijven Homerus en de zijnen onverminderd van belang, hoe veranderlijk en voorbijgaand wijzelf en de klassieken ook zijn.

Als de wereld zal veranderen, dan is Homerus misschien niet meer nodig. Maar omdat de wereld is zoals zij is, begrijpen we waarom Homerus tot een pijler in de antieke Griekse scholing werd en ook waarom Plato hem uit het zicht van zijn leerlingen bande. […] Wanneer de vermogens tot brandende liefde en vurige haat in ons zijn gedoofd, dan zal het niet meer nodig zijn om de Ilias te lezen. Maar tot die tijd is het goed om zo nu en dan in Homerus’ onverbiddelijke spiegel te kijken en onszelf te zien zoals we nog altijd zijn, al die eeuwen na de bronstijd.Als de wereld zal veranderen, dan is Homerus misschien niet meer nodig. Maar omdat de wereld is zoals zij is, begrijpen we waarom Homerus tot een pijler in de antieke Griekse scholing werd en ook waarom Plato hem uit het zicht van zijn leerlingen bande. […] Wanneer de vermogens tot brandende liefde en vurige haat in ons zijn gedoofd, dan zal het niet meer nodig zijn om de Ilias te lezen. Maar tot die tijd is het goed om zo nu en dan in Homerus’ onverbiddelijke spiegel te kijken en onszelf te zien zoals we nog altijd zijn, al die eeuwen na de bronstijd.

Woorden op zoek naar een meesterwerk

In een deels denkbeeldig tweegesprek met een hoogleraar in de kunstgeschiedenis tracht Mitchell Cohen een antwoord te vinden op de vraag: ‘Wat is een meesterwerk?’ Hij komt er niet uit. Deze ene vraag roept vooral nieuwe vragen op, bijvoorbeeld over de verhouding van de notie van een meesterwerk tot politiek of taal, over de verlammende werking van het canon-denken en over de relatie tussen vorm en inhoud in grote kunst. Misschien, zo mijmert Cohen, wordt grote kunst wel gekenmerkt door het feit dat ze zich aan de grenzen van haar tijd onttrekt. Of misschien, zo beweert hij elders, is het wel beter te praten over datgene wat specifieke werken tot een meesterwerk maakt.

Kon ik, zo vroeg ik mijzelf, me een lofdicht voorstellen op de Ku Klux Klan dat ‘mooi’ is, of een meesterwerk, in weerwil van wat het letterlijk zegt? Als de inhoud niet het allerbelangrijkste is, dan zou dat, althans in beginsel, mogelijk moeten zijn. […] Zouden strelende woorden en taal, geschikt in betoverende onderlinge klanken ons voorbij enigerlei specifieke inhoud meevoeren naar een wonderschone beeldtaal van eeuwig flakkerende vuren en vers gehakt hout en natuur en witte wolken… en een paar wel héél gruwelijke dingen? […]Het idee alleen al stuit ons tegen de borst. Dát? Mooi? […]Had ik politieke grenzen gesteld aan mijn esthetische verbeelding?

Lotta continua

In dit essay houdt Adam Zagajewski een vurig pleidooi voor de Muzen, die in een wereld beheerst door de voortschrijdende wetenschap, technologie en massamedia, steeds meer in de verdrukking raken. Hij lijkt zich in een traditie te scharen van intellectuelen die de teloorgang van het klassieke schoonheidsbegrip bejammeren en toezien hoe de ziel uit onze cultuur wordt verbannen. Maar de kunstenaar in Zagajewski betoont zich aanzienlijk strijdbaarder. Hij vestigt zijn hoop en vertrouwen op de menselijke geest, die voortgaande stroom van gedachten, emoties en ervaringen die het verleden met de toekomst verbindt. Bij uitstek de kunsten hebben volgens de auteur de roeping om onze hoge cultuur levend te houden, niet alleen door zich te laten inspireren door de energie en standvastigheid van de traditie uit het verleden, maar bovenal door de Verbeelding in het heden.

‘Is het mogelijk om een krachtig pleidooi voor de muzen af te steken en daarbij koelbloedig en rationeel te blijven? Dat is een hele opgave. Je preekt meestal voor eigen parochie. Je zou moeten teruggrijpen op enkele plechtstatige definities van de mens, moeten stellen dat wij zonder een vonk van inspiratie, zonder een moment los te komen, zonder een moment van extase, mindere wezens zouden zijn, waarbij ik met wij zowel de menselijke soort als individuele mensen bedoel. En toch blijven er gegronde twijfels bestaan.’

De Honda Goldwing en de schone kunsten

Grunberg beziet in deze beschouwing de problemen die kleven aan de categorieën ‘cultuur’ en ‘kunst’, en daarmee tevens aan alle pogingen ze te definiëren. Hij stelt vast dat cultuur een gemeenschap en een gemeenschappelijkheid veronderstellen, en daarmee onvermijdelijk een hang naar exclusiviteit met zich meebrengen. Pogingen om een cultuur op te zadelen met een min of meer officiële canon, hebben daarom als kwalijk gevolg dat kunstwerken worden gereduceerd tot een functie van die canon, en niet op hun intrinsieke waarde worden geschat. De auteur neemt om die reden ten slotte ook stelling tegen de opvattingen, dat kunst per definitie ergens goed voor zou moeten zijn, of dat ze juist uitsluitend een esthetisch, op zichzelf staand doel zou moeten dienen.

Een van de grootste misverstanden die aan ‘kunst’ kleven, is dat iets wat als kunst erkend is, gewaardeerd moet worden omdat het nu eenmaal kunst is. […] Het is een mensenrecht, en ik ben bereid ervoor te strijden, doof en blind te blijven voor het werk van de grootste genieën, zolang die doof- en blindheid geen gewelddadige consequenties heeft.

Juist de elite heeft de klassieken verkwanseld

In dit opstel betoogt Hans Abbing dat cultuurpessimisme vooral moet worden beschouwd als het verzet van de gevestigde elite tegen de opkomst van een nieuw cultureel establishment. Daarmee doelt hij op de nieuwe generaties kunstenaars, beleidsmakers en kunstconsumenten, niet alleen in de westerse, maar ook in de niet-westerse wereld. De oude elite die nu pleit voor het behoud en de verspreiding van haar klassieken heeft boter op haar hoofd, omdat ze de hoge kunsten generaties lang in een sociaal isolement hield en houdt, niet in de laatste plaats met voorschriften over de formele ‘consumptie’ van kunst. Volgens Abbing is het noodzakelijk en zelfs onvermijdelijk om het verzet tegen de dynamiek van onze cultuur op te geven, en de veranderingen te omarmen, omdat de wisselwerking tussen oud en jong, westers en niet-westers, nieuw licht werpt op onze bestaande klassieken en ons kennis laat maken met meesterwerken uit andere culturen.

De huidige behoefte van nationale elites om nationale en Europese canons weer een centrale plaats in de samenleving te geven, komt mede voort uit zorg over het effect van globalisering op de lokale consumptie van cultuurproducten. […] De elite is niet langer alleen bezorgd over de emancipatie van de lagere bevolkingsgroepen met hun massaal geproduceerde cultuurproducten, die als een gevaar worden gezien voor de eigen hoge kunst en daarmee voor de beschaving. De zorg en het cultuurpessimisme volgen nu ook uit de emancipatie van het deel van de wereld, dat voorheen door Europa en haar klassieken werd gedomineerd, waaronder de voormalige koloniën.

Kunst en de eerste persoon enkelvoud

In dit opstel neemt Scruton stelling tegen het diep ingesleten nihilisme dat ook ons denken over kunst vergiftigt. De ontwikkeling die in gang werd gezet door Marcel Duchamps urinoir en leidde tot een aanhoudende stroom geschriften over de vraag wat kunst is, heeft ertoe geleid dat zo’n beetje alles voor kunst mag doorgaan, waarmee de kunst feitelijk haar zin verliest. Alles lijkt even (on)belangrijk, Shakespeare of technorock. Scruton betoogt daarentegen dat we kunst moeten blijven onderwerpen aan een kritisch oordeel en als uitdrukking van zedelijk leven moeten blijven beschouwen. We moeten onderscheid durven maken tussen verwerpelijke en verheffende kunst, juist omdat die kritische blik inherent is aan het mens-zijn en we alleen hierdoor contact houden met het transcendente – ‘het punt op de rand van ruimte en tijd dat de subjectiviteit van deze wereld uitmaakt’.

Net als grappen hebben kunstwerken een functie. Ze worden bedacht of gepresenteerd als voorwerpen van esthetische interesse. Ze kunnen die functie op een waardevolle wijze vervullen, door stof voor het denken en voelen en voor geestelijke verheffing te bieden, en voor zichzelf een trouw publiek te winnen dat ernaar terugkeert om zich te laten troosten of bezielen. […]En het maakt wel degelijk verschil welke soort kunst je aanhangt, welke je opneemt in je schatkamer van symbolen en toespelingen, welke je meedraagt in je hart. Goede smaak is in de esthetiek even belangrijk als in de humor, en jawel: het gaat juist om smaak.

Een redelijk pessimisme

Dit essay van Alexander Nehamas is een waarschuwing aan hen, die de teloorgang van onze cultuur aantonen door de culturele uitingen die ons vandaag omringen te vergelijken met de meesterwerken uit het verleden. Dat is een scheve en oneerlijke vergelijking. Zo ontmoedigend is onze wereld niet, aldus de auteur. Jammerklachten over de teloorgang van de beschaving zijn al zo oud als de Griekse dichter Hesiodus en er is geen reden om aan te nemen dat de dingen in het algemeen nog slechter worden dan ze al waren en nog altijd zijn. Op onderdelen gaat het met de hedendaagse cultuur zelfs helemaal niet zo slecht, aldus Nehamas. Hij vervolgt met een verdediging van de populaire cultuur en in het bijzonder de televisie, die door veel intellectuelen wordt veroordeeld zonder dat ze haar werkelijk kennen. Een scherp en gefundeerd oordeel blijft echter nodig bij onze inspanning om ‘de kunst te verfijnen en uit te dragen’; alleen kunst kan ons enige hoop en troost bieden tegenover de verschrikkingen van het verleden.

In overeenstemming met mijn pessimisme geloof ik niet dat de televisie een onversneden goed is; zoals alles heeft ze haar prijs, maar ze is zeker geen onversneden kwaad. Ze moedigt niet per se passiviteit aan, noch corrumpeert ze per se de kinderziel of ondermijnt ze de esthetische normen van haar publiek, hoewel ze dat wel kan doen. Televisie schijnt slechts passief, pervers en corrumperend te zijn en een reëel gevaar te vormen voor wie haar met weinig kennis tegemoet treedt.

Waarom moeten we bang zijn voor kitsch?

In deze beschouwing ordent Karsten Harries zijn gedachten over het fenomeen ‘kitsch’. Hij gaat daarbij uit van de vraag of kitsch eigenlijk wel zo afkeurenswaardig is. Of hoort ze bij de menselijke natuur en haar hang naar romantiek en nostalgie? We kwalificeren iets als kitsch als we denken dat het voortkomt uit onoprechtheid en getuigt van slechte smaak. Maar is de nostalgie, het dromerige of stichtelijke van kitsch niet beter dan postmoderne ironie of moedeloosheid? Daar staat tegenover dat kitsch onder het mom van authenticiteit de werkelijkheid afbeeldt, maar deze feitelijk met zijn leugens aan het zicht onttrekt. Iets dergelijks geldt ook voor kitsch en religie: niet langer tracht het kunstwerk een werkelijkheid uit te beelden die ons voorstellingsvermogen te boven gaat, maar het wordt in de plaats van die werkelijkheid gesteld. In de politiek kan eenzelfde esthetisering de werkelijkheid een schijn van betekenis geven die mensen blind maakt voor de menselijkheid van hun medemensen. Niet kitsch, maar alleen het ‘aura’ van kunst kan en moet ons ontvankelijk maken voor deze werkelijkheid, die uitstijgt boven wat de rede kan bevatten.

Kitsch is het toonbeeld van alles wat onecht is in het leven van onze tijd.’ Schrijft zulke elitaire pathos echter geen sinistere betekenis toe aan kitsch die deze doorgaans niet heeft? Hoe bedreigend zijn tuinkabouters en Bambi? Het meeste amusement was toch altijd al kitscherig? Wie is er tegenwoordig nog bang voor kitsch? We kunnen natuurlijk betreuren dat er geen groter draagvlak bestaat voor wat volgens ons werkelijk ‘kunst’ mag heten, maar net als de meeste kunst is de meeste kitsch toch vrij ongevaarlijk? En als we inderdaad in een kitschcultuur leven, moet die dan bekritiseerd worden?

Kitsch en religie

Notities over de verloren ziel van de cultuur

In deze bewogen ‘Notities over de verloren ziel van de cultuur’ signaleert Jack Miles hoe religie tot kitsch dreigt te verworden wanneer we haar uitsluitend bezien in concurrentie met de voortschrijdende wetenschap. Pas zodra we deze tweestrijd over rivaliserende kennisaanspraken opgeven en onze duurzame onwetendheid onder ogen zien, is er ruimte voor een religiositeit die geen kitsch is en het ontzag, de verering en de angst voor het Onbekende een plaats geeft in ons leven. Uiteindelijk zouden de klassieke religies van Europa – judaïsme en christendom – een analoge plaats moeten krijgen in de bestudering van onze cultuur, doordat we ze bezien per differentiam, waardoor we ze met een antropologische nieuwsgierigheid tegemoet kunnen treden.

Kitsch-wetenschap, kitsch-politiek, kitsch-militarisme en zelfs kitsch-moederschap. Deze lijst kan gemakkelijk worden uitgebreid. Maar hoe zit het met godsdienst? Bestaat er een zinvol onderscheid tussen authentieke religie en kitsch-religie? Of is authentieke religie misschien intrinsiek heteronoom en daarom – in het normale, niet uitzonderlijke geval – onauthentiek? Met andere woorden: is niet alle religie kitsch-religie?

Het interregnum

Amerika in het post-neoconservatieve tijdperk

In zijn analyse van de actuele Amerikaanse politiek stelt Jonathan Taplin vast dat het establishment zich bezondigt aan een politiek van kitsch, ervan overtuigd dat zijn publiek echt niet van onecht kan onderscheiden. Maar het desastreuze beleid van de politieke leiders van dit moment getuigt evenmin van veel realiteitszin. Dat komt – zo betoogt Taplin – omdat de VS zich in een interregnum bevinden, een overgangssituatie naar een nieuwe maatschappelijke en politieke orde. Het wereldbeeld van de huidige machthebbers loopt tien jaar achter bij de maatschappelijke werkelijkheid en gaat geheel voorbij aan de opkomst van de digitalistische maatschappij, waarin de politieke en economische kaders vergaand veranderen. Pas na een herschikking van de politieke krachten kan korte metten worden gemaakt met de centralistische bureaucratie, ten gunste van een lokale, op netwerken gebaseerde economie en democratie. Pas dan komt aan het interregnum een einde.

Als een extreem machtig politicus als vice-president Cheney een uitspraak doet als: ‘We hebben in Irak aardig wat succes geboekt’, dan zijn er twee mogelijkheden. Ofwel, hij heeft zich met volle overgave in de politiek van de kitsch gestort, ervan overtuigd dat zijn toehoorders echt niet van onecht kunnen onderscheiden. Of – wat ernstiger zou zijn – hij is het slachtoffer van een interregnum, doordat het wereldtoneel andere vormen heeft aangenomen zonder dat hij zich daarvan bewust is.

Slechts een kwestie van hoeveel pijn je wilt verdragen

De politieke kitschcultuur in het Bush-tijdperk

Het onderwerp van dit opstel van Sidney Blumenthal is de esthetiek van de politiek van George W. Bush. Eerst worden we langs de schilderijen in het Witte Huis gevoerd, waarmee de president zijn missie als de wrekende, christelijke comboy illustreert. Bush’ kitsch is alles behalve onschuldige nostalgie: ze is ingegeven door een diepgewortelde angst en gestoeld op haat jegens de ander, van Osama bin Laden tot zijn democratische opponenten. Tijdens de campagne voor de midterm-verkiezingen in 2006 lanceerde het Bush-kamp – om de aandacht af te leiden van Irak- een keiharde kitschcampagne tegen culturele doelen, die het kwaad van de democratische positie zouden verpersoonlijken. Even amoreel en nietsontziend als de poltiek van Bush is voor Blumenthal het kitsch-imperium van mediamagnaat Rupert Murdoch. Het is dan ook geen toeval dat juist Murdochs kanaal Fox een tv-serie uitzendt over een antiterrorisme-eenheid, die regeringsfunctionarissen van Bush beschouwen als ‘de oorlog tegen terreur in zijn meest ideale vorm’, met ‘marteling zonder schaamte of excuses’.

Het ziekelijke karakter van de kitsch van Bush ligt in de eindeloze herhaling van plaatsvervangende haat tegen ‘de ander’ die de geheiligde status bedreigt van datgene waar kitsch voor staat. Tegenover Osama bin Laden ziet Bush voor zichzelf de rol van de wrekende cowboy weggelegd: ‘Ik wil gerechtigheid. En ik herinner me een oude affiche uit het Westen met de tekst ‘Gezocht: Dood of Levend.’ Maar het beeld van ‘de ander’ kan verschuiven van de terrorist die op de loer ligt naar de verraderlijke democraat – ‘Amerika verliest.’ ‘Je staat aan onze kant of aan die van de terroristen,’ was een beroemde uitspraak van Bush. […] In hun meest indrukwekkende kitschoptreden verhieven Bush en de zijnen hun fiasco in Irak tot een veldslag tegen Hitler, met termen als ‘buigen voor het kwaad’ en ‘islamofascisme’.