Tijdschrift Nexus

Nexus 51

Mijn Arcadië
Uitverkocht

Het verlangen naar Arcadië is het verlangen naar de volmaaktheid van het bestaan in al zijn eenvoud, onbevangenheid en onschuld. Arcadië is het tegendeel van de utopie, de toekomstige perfecte maatschappij. Arcadië heeft bestaan. We waren het zelf. Arcadië is ons verloren zelf.

Waarom is het zo moeilijk voor ons Arcadië te hervinden? Wellicht omdat, zoals Spinoza schreef, we worden opgevoed in en door en voor de maatschappij, niet om ons wijs, maar om ons gehoorzaam te maken. In Nexus 51 zoeken negentien dapperen naar hun Arcadië.

Inhoudsopgave

Lectori salutem

Vergeet de schone schijn. De schrijvers in deze uitgave vertellen ons wat onschatbaar is en vertellen ons over hun Arcadië.

Het verlangen naar Arcadië is het verlangen naar de volmaaktheid van het bestaan in al zijn eenvoud, onbevangenheid en onschuld. Arcadië is het tegendeel van de utopie, de toekomstige perfecte maatschappij die nog nooit heeft bestaan. Arcadië heeft wel ooit bestaan. We waren het zelf. Arcadië is ons verloren zelf.

Een verdediging van wat onschatbaar is

Nexus-lezing 2009

De beroemde Australische kunstcriticus Robert Hughes verdedigt het onschatbare in de kunst tegen commercie, hype en marketing. In deze Nexus-lezing van 2009 ontmaskert hij nietsontziend hedendaagse iconen als Damien Hirst, Jackson Pollack en Andy Warhol, en verguist hij een markt die de prijzen van kunstwerken tot absurde hoogten doen stijgen. Daartegenover stelt hij datgene wat kunst echt waardevol maakt: de vakmanschap, intensiteit en subtiliteit van waarlijk grote kunstenaars als Vermeer, Rembrandt en Goya.

De grenzen van de kunst worden bepaald door uitmuntendheid. Er zijn manieren om die te interpreteren, maar geen manier om eraan voorbij te gaan. Het gaat om helderheid, begrijpelijkheid, volheid van vorm, soepelheid van dictie, intensiteit van de ervaring of subtiliteit in het oproepen van die intensiteit. De omstandigheden waaronder dit soort zaken gerealiseerd kunnen worden, variëren van periode tot periode, van stijl tot stijl, en moeten voortdurend opnieuw uitgevonden worden. Maar de blijvende voorwaarde is een culturele consensus dat voortreffelijkheid zowel mogelijk als sociaal wenselijk is. En juist daar kunnen we het vandaag de dag zo moeilijk over eens worden.

Arcadisch elan

In Arcadisch elan stelt kunstcriticus en -professor Jed Perl zich de vraag waarom het arcadische genre in de moderne kunst is blijven voortbestaan, in tegenstelling tot zo vele andere genres en motieven die in de vergetelheid raakten. Hij bespreekt arcadische motieven in het werk van zo uiteenlopende kunstenaars als Shakespeare en Nabokov, Giorgione en Frank Lloyd Wright, en komt tot de conclusie dat wat ons aantrekt in Arcadia zowel het bedrieglijk eenvoudige, lieflijke oppervlak van het pastorale landschap is als de complexe, onderliggende gekunsteldheid ervan – want de arcadische idylle is altijd een kunstenaarscreatie. De constante beweging tussen natuur en kunst, tussen het geconstrueerde en het ongecompliceerde, is wat maakt dat het arcadische komt te staan voor bewegingen in de kunst zélf – en dat is waarom het als thema beklijft.

De pastorale traditie, wat de betekenis ervan in bredere zin ook is, ontleent zijn kracht altijd aan een verzet tegen zingeving, een vasthouden aan de waarde van de onverdunde, onverwerkte, ongeanalyseerde ervaring. Ik denk dat het dit nooit eindigende twistpunt tussen eenvoud en complicatie is dat de pastorale traditie heeft helpen grondvesten als een van de wegbereiders van de moderniteit.

Et in Arcadia ego

Poussin en de elegische traditie

In dit klassieke essay van de grote kunshistoricus Erwin Panofsky komt vast te staan dat het zinnetje ‘Et in Arcadia ego’, van oudsher te vinden op kunstwerken en in verhalen die Arcadië als thema hebben, tegenwoordig een andere betekenis krijgt dan vroeger. Waar wij het simpelweg vertalen als ‘Ook ik was in Arcadië’, een vertaling die past bij ons beeld van een idyllisch, pastoraal landschap, had het oorspronkelijk een veel minder onschuldige lading. Overtuigend toont Panofsky aan, door te verwijzen naar onder meer Vergilius, Sannazaro en Guercino, dat de ‘ik’ die in het citaat spreekt niemand minder is dan de Dood. De juiste vertaling is dan het sinistere, moralistische ‘Ook in Arcadië heers ik, de Dood’: de Arcadiërs wordt gemaand hun sterven te gedenken. Panofsky maakt duidelijk dat de foutieve interpretatie, met alle gevolgen van dien voor het arcadisch thema, zijn oorsprong heeft bij Nicolas Poussins beroemde Et in Arcadia Ego-composities. Zijn essay maakt dat het lieflijke arcadische landschap alsnog zijn onschuld verliest, en dat ook voor ons de dood opnieuw tot Arcadië toetreedt.

Dit is een fundamentele verandering van interpretatie. De Arcadiërs worden niet gewaarschuwd voor een genadeloos lot, maar zijn ondergedompeld in aangename mijmeringen over een mooi verleden. Ze lijken niet zozeer aan zichzelf te denken als wel aan de mens die in de kist ligt – een mens die ooit plezier beleefde aan dezelfde genoegens als zij, en wiens gedenkteken hen slechts ‘verzoekt hun sterven te gedenken’ voor zover het de herinnering oproept aan iemand die is geweest wat zij zijn. Kortom, Poussins schilderij in het Louvre verbeeldt niet langer een dramatische ontmoeting met de Dood, maar een contemplatief opgaan in het concept van sterfelijkheid. Hier zien we de overgang van nauw verhuld moralisme naar onverbloemd elegisch sentiment.

Mijn Arcadië

Kunnen we ons voor de drukte van de moderne tijd afsluiten door ons terug te trekken in een bibliotheek? Kunnen we ons in Arcadië wanen door ons te wentelen in het erfgoed en de beschaving van vele eeuwen? Hoe aanlokkelijk dit ook is, meent topdiplomaat Robert Cooper, een bibliotheek biedt geen ontsnappingsmogelijkheid en staat altijd midden in de wereld.

De bibliotheek is een stad van boeken. Oud en nieuw, rijk en arm, wijs en dom leven er dicht opeengepakt. Het platteland wordt geregeerd door de onnozelheid (en wijsheid) van de gewoonte, en door macht. De moderne stad moet worden geregeerd bij wet. De regering bij wet vertegenwoordigt de triomf van woorden over geweld. En de schriftelijke statuten en vonnissen worden bijeengebracht en bewaard in bibliotheken. De bibliotheken van de stad en zijn universiteiten dienen niet alleen voor studie en contemplatie. Ze bewaren de software van de beschaving, de ideeën die haar leven schenken, de regels volgens welke ze functioneert.

Hotel Arcadia

Britta Böhler beschrijft Hotel Arcadia, dat permanent bewoond wordt door een leger aan excentriekelingen die zich weinig aantrekken van de tijdgeest. Een negentiende-eeuwse avonturier verblijft er tegelijkertijd met een Amerikaanse schrijver die negen jaar over zijn nieuwste boek doet. Iedereen is welkom, zolang hij of zij de haast en de oppervlakkigheid van de moderne tijd achter zich laat en de tijd neemt voor wat er echt toe doet.

Voor mensen die de teloorgang van het langzame betreuren, biedt Hotel Arcadia hoop. Hier wonen en werken mensen die de tijd nemen om dat wat ze doen, ook echt goed te doen.

Waar de waarheid woont

In 1950, toen Roemenië gebukt ging onder een stalinistisch regime, schreef hoogleraar esthetiek en literatuurwetenschap Tudor Vianu (1898-1964), die nooit eerder literatuur publiceerde, een gedicht met de titel Arcadia. Horia-Roman Patapievici legt uit dat Vianu’s Arcadië niet zozeer een verlangen uitdrukt naar een betere wereld, zoals dat zo vaak voorkomt in de Arcadische traditie. In plaats daarvan verlangt hij naar een wereld zoals die hem ontnomen was: een vrije wereld waarin normaliteit en waarheid kunnen bestaan. Voor de eenentwintigste eeuw, waarin cultuur en humanisme bedreigd worden, kan Patapievici zich geen beter Arcadië voorstellen.

Tijdens het regime van het stalinistisch communisme was het Arcadië van Tudor Vianu geen uiting van verlangen naar het verleden of naar geluk, geen droombeeld van de gouden eeuw of het aardse paradijs. Vianu had niet langer een eigen wereld van waaruit hij kon hopen op een betere. De echte wereld was hem ontnomen, hij was eruit verstoten. Allengs was de wereld waarin men hem getolereerd had – als gevangene, als slaaf, in plaats van als vrije burger – vervormd, verminkt, lelijk en onherkenbaar geworden. De mens die onder het juk van het communisme leeft en die vecht om zijn menselijke waardigheid te behouden, denkt niet meer aan de gouden eeuw of het aardse paradijs. Zijn enige zorg is het voortbestaan van de wereld der waarheid.

Het tweede dorp

Als een romantische, nostalgische landjonker keerde Benno Barnard na dertig jaar terug naar het ongehaaste natuurleven in een klein Vlaams dorpje. Deze regressieve beweging voelde als thuiskomen voor de schrijver, die op het Gelderse platteland opgroeide – maar hij weet ook dat zijn Arcadië niet meer is dan een idylle.

Na dertig jaar in het café te hebben gezeten, woon ik opnieuw in een dorp. Ik kan niet in de hele wereld tegelijk wonen. Sinds mijn kinderjaren in Gelderland – jaren waarvan de ontwikkelingspsychologie beweert dat ze zeven keer zo lang duren als onze volwassen jaren – heb ik me nooit meer ergens gevoeld alsof ik er vandaan kwam. Maar mijn actuele dorp poog ik rondom dat atavistische gevoel uit te stallen, rondom het oergevoel van bloed en bodem, in hun oorspronkelijke onschuldige betekenis. Ik idealiseer gretig de valse veiligheid van het platteland op twintig kilometer van de hoofdstad van Europa. Ik romantiseer de overzichtelijkheid, de nabuurschap, de ongehaastheid, ook al rijden de Frankische boeren in mijn tweede dorp achter het stuur van veel te grote auto’s door de landouwen die ons toebehoren, volgens de ironische mythe over de landjonker en zijn pachters die ik op wandelingen met onze arcadische hond voor mijn kinderen verzin; en ook al is de burgemeester een kleine alcoholische potentaat uit een roman van Cyriel Buysse, van welke vooroorlogse Vlaamse romancier hij ongetwijfeld nooit heeft gehoord.

Arcadië, maar niet voor lang

Vroeger leek de keus simpel, meent neuroloog Antonio Damasio: je liet je meevoeren in de maalstroom van het modernisme of trok je terug in een klassiek Arcadië. Maar nu kunnen we ons niet langer aan de maalstroom onttrekken. De digitale revolutie biedt ons allerlei gemakken en voordelen, maar heeft ook mogelijk desastreuze gevolgen voor onze moraliteit. In plaats van ons in een Arcadië terug te trekken, moeten we ons daartegen teweer stellen.

Ik beschouw de maalstroom van de moderne beschaving niet langer als schitterend of modern. Ik vind hem daarentegen vaak overweldigend, een ondergraver van moreel besef, en zelfs triviaal, in zo’n sterke mate dat een vorm van heimwee naar het pastorale een wenselijk alternatief gaat lijken. Niettemin stuit ik, zodra de arcadische dagdroom zich voor me ontvouwt, op een toenemend verzet. Ik schrik wakker uit mijn dagdroom alsof hij een nachtmerrie is, me bewust van het feit dat de maalstroom ooit schitterend was en ooit weer zo zou kunnen worden, me bewust van het feit dat het leven is ontstaan in een heksenketel van zinderende onrust waar niet al te lichtvaardig overheen gestapt zou moeten worden, me bewust van het feit dat het drama van het menselijk tekort niet gemakkelijk door eenvoud en pastorale rust kan worden opgelost (misschien in het verre verleden wel, maar nu niet langer). Hoe graag ik ook zou willen ontsnappen, ik word (waarschijnlijk net als anderen onder gelijksoortige omstandigheden) teruggezogen in de kolk die ik voorgoed achter me had willen laten. Hier ligt een duidelijk conflict, maar geen heldere oplossing.

Arcadische fantoompijnen

Een paradijselijk, groen en rustig Arcadië heeft nooit bestaan, stelt fysicus Robbert Dijkgraaf. Liever stelt hij zich een paradijs van de toekomst voor, waarin verandering, gemeenschapszin, diversiteit en spontaniteit hun plaats hebben. Een dergelijk Arcadië is niet langer groen en heuvelachtig, maar stads en cosmopolitisch.

Als de wetenschap ons leert dat een paradijselijke omgeving niet bestaat, of hoogstens een tijdelijke rustperiode is, en eerder in de toekomst dan in het verleden moet worden gesitueerd, kan dat misschien een nieuw perspectief bieden op ons persoonlijke Arcadië. Voor mij is één boodschap helder: in geen geval kan er plaats zijn voor angst voor verandering, voor de wens de tijd tegen te houden of zelfs terug te willen duwen. Integendeel, verandering en beweging verdienen het omarmd te worden. In plaats van krampachtig de krachten van het leven te weerstaan, zou ik ze als een waterbouwkundig ingenieur in een eigen bedding willen kanaliseren. Wat in die kanalen moet stromen, zijn ideeën.

Arcadië herwonnen

Door ons te laten meevoeren door onze jeugdherinneringen en door weer even op te gaan in wat Evelyn Waugh de ‘loomheid van de jeugd’ noemde, betreden we een persoonlijk Arcadië. David Steiner maakt ons deelgenoot van het zijne: de schooltijd in Engeland, de uitstapjes en ontmoetingen, het langzame en gelijkmatige ritme van zijn jeugd, met daarin de kunst als bepalende factor – en met zijn beroemde, intellectuele, strenge maar ook liefhebbende vader op de achtergrond.

Ik zat in het overblijflokaal op Perse een kop thee te drinken toen een klop op de deur een bezoek van het schoolhoofd aankondigde. Hij wilde Steiner spreken. Op de binnenplaats vertelde hij me dat ik een plaats had veroverd op Balliol College in Oxford, om daar PPE (filosofie, politicologie en economie) te studeren. Ik herinner me verder weinig van die dag, behalve de reactie van mijn vader. Ik meldde hem het nieuws; hij keek me ernstig aan. Toen legde hij tot mijn verbazing zijn boek neer, verrees uit zijn stoel, zette de muziek zachter en verliet de kamer. Hij keerde terug met zijn nogal mottige Oxford-sjaal, drapeerde die om mijn hals en zei met een klank in zijn stem die ik nog nooit gehoord had: ‘Alweer een nederlaag voor Hitler.’ Toen bood hij me een glas sherry aan, ook al was het nog geen tijd voor het journaal.

Ik wil hier horen

Tijdens een arcadisch verblijf in Berlijn mijmert de Afrikaanse dichteres Antjie Krog over haar Arcadië. Ze vertelt hoe zij tijdens haar activiteiten voor de Waarheids- en Verzoeningscommissie doordrongen raakte van het belang van vergeving, verzoening en onderlinge verbondenheid. Slachtoffers konden daders vergeven en op die manier niet alleen de dader een kans op menselijke waardigheid bieden, maar ook hun eigen waardigheid weer terugkrijgen. Deze vergeving, en het Afrikaanse principe van ubuntu of gemeenschapzin, leiden zo tot een superieure vorm van mens-zijn.

Mijn hele leven ben ik ervan uitgegaan dat het alleen door apartheid kwam dat blank en zwart werden gescheiden; in wezen waren we in de diepste, intiemste zin van het woord allemaal gelijk. In de jaren van strijd tegen de apartheid ging je met zwarte mensen om, ging je op in elkaars omhelzing en voelden we ons niet blank of zwart, maar elkaars broeders en zusters, je voelde je springlevend en helemaal mens. Maar sinds de Waarheids- en Verzoeningscommissie ben ik me langzaam bewust geworden (toen ik mijn boek schreef over de Zuid-Afrikaanse verzoeningscommissie drong het nog niet zo tot me door!) van een manier van mens-zijn die ik, en ik heb er geen ander woord voor, superieur zou willen noemen. Een manier waardoor ik de wereld ineens voelde, waardoor ik vat kreeg op de wereld en voor de eerste keer in mijn leven voelde ik me afgestemd op de diepste, meest morele polsslag van de wereld. Aartsbisschop Desmond Tutu heeft het altijd over een moreel universum – dat weet ik nog zo net niet, maar voor de eerste keer in mijn leven maakte ik contact met iets overweldigends – een soort onderlinge verbondenheid, een heelheid waarin je als individu kon oplossen.

Groot-Arcadië

In zijn comfortable huis in het Amerikaanse plaatsje Pacific Bay, met uitzicht over de oceaan en een goedgevulde boekenkast binnen handbereik, vraagt schrijver Mark Sarvas zich af hoe zijn persoonlijke Arcadië zich verhoudt tot een Groot-Arcadië, dat verlicht en cultuurminnend zou moeten zijn. Moeten schrijvers bijdragen aan zo’n Groot-Arcadië?

Toen ik een paar jaar terug door de zalen van het Louvre dwaalde, stond ik plotseling voor Poussins grote schilderij Et in Arcadia ego. Ervoor zat een jonge kunstenaar met een draagbare ezel en verf, verdiept in het maken van wat in mijn ongeschoolde ogen een adequate facsimile leek. Maar het schouwspel deed me goed; het idee dat het continuüm van schilders die aan de voeten van de meesters studeerden, niet verbroken was. In deze ijverige student zag ik het potentieel van en de hoop op een nieuwe generatie kunstenaars die mogelijk de grond van Groot-Arcadië zouden bewerken.

Een leven van voortreffelijkheid

Het Arcadië van Ramin Jahanbegloo is een voorbeeldig leven in wijsheid, vrij van het barbaarse middelmatige. Wanneer middelmatigheid ons criterium is voor een ideaal leven, houdt dat ideale leven óf een willekeurig leven in een ideale wereld, óf een moreel en deugdzaam bestaan in een imperfecte wereld in. Jahanbegloos Arcadië daarentegen heeft een ethisch karakter, omdat het het moreel hoogst haalbare leven is, een voorbeeldig en voortreffelijk bestaan, niet alleen naar de normen van de tijd maar juist ook door twijfel ingegeven. Zo kan Arcadië de onvolmaakte mens in zijn onvolmaakte wereld als levensdoel dienen.

Arcadië is een ideaal leven dat bestaat uit een aaneenschakeling van menselijke activiteiten die als voortreffelijk kunnen worden aangemerkt, en niet uit louter vertier. Voortreffelijkheid ligt niet in wat we gewoon zijn te doen, maar in wat we streven te doen. De weg ernaartoe is niet de gemakkelijkste. Arcadië als ideaal leven staat of valt dus met ons streven naar voortreffelijkheid. Zoals Seneca zegt: ‘Het leven is net een toneelstuk; het gaat niet om de lengte ervan, maar om de kwaliteit van de acteerprestaties.’ Voor degenen die geloven in Arcadië als voortreffelijkheid, is het leven zelf zijn eigen Arcadië.

De Universiteit van het Leven

In navolging van het succes van de exacte wetenschappen richten zich ook de geesteswetenschappen op verifieerbare feiten. Aan het praktische belang dat cultuur en kunst hebben voor het leven, gaat men op die manier voorbij. Alain de Botton droomt van een Universiteit van het leven, waar Madame Bovary niet wordt gelezen uit snobisme, maar om antwoorden te vinden op vragen omtrent overspel; en waarin de grote kunst wordt ingezet voor de grote levensvragen.

Hoogleraren in de letteren hebben besloten dat ook zij als ‘onderzoekers’ moeten worden beschouwd en dat ze in de eerste plaats dienen te worden beoordeeld op hun vermogen nieuwe dingen te ontdekken, zoals scheikundigen nieuwe moleculaire structuren aan het licht kunnen brengen. Nu komt het natuurlijk voor dat deze geleerden een echte ontdekking doen, vergelijkbaar met een wetenschappelijke doorbraak, maar het geeft toch een vertekend beeld van de waarde van de alfawetenschappen in hun algemeenheid wanneer deze wordt afgemeten aan feitelijke, verifieerbare criteria. Dat lijkt op het gedrag van een smoorverliefde man die zijn aanbedene vraagt of hij mag toegeven aan zijn drang de afstand tussen haar elleboog en haar schouderblad te meten. In de hedendaagse academische wereld is het zeer gebruikelijk dat een kunsthistoricus, na tot tranen toe te zijn geroerd door de fijngevoeligheid en sereniteit die hij bespeurt in een werk van een veertiende-eeuwse Florentijnse schilder, uiteindelijk uiting geeft aan zijn gevoelens door een even onberispelijke als bloedeloze monografie over de geschiedenis van de verfproductie in de tijd van Giotto te schrijven.

Een poging wagen

De eenvoud van Arcadië is niet licht te vinden, constateert Fania Oz-Salzberger. Die gaat verloren in de complexiteit van ons informatietijdperk en wordt bovendien gehinderd door boekenkennis, die van elke vrije associatie een verwijzing, een metafoor maakt. Maar wanneer ze een poging waagt, ontdekt ze toch vluchtige Arcadische momenten: daar waar de jeugd van haar kinderen zich even vermengt met de hare.

Elke boekenplank – zelfs al wordt die afgebakend door Sappho en Ovidius – heeft een hyperlink naar het eeuwige internet van alle lezers van alle tijden. Daarom zou ik net zo goed Gogol in mijn Arcadische bibliotheek kunnen aantreffen, zij aan zij met Platonov, en daarnaast Thomas Mann, die tegen Agnon aanleunt, terwijl deze weer tegen Faulkner en Borges duwt. En Nabokov en Isaiah Berlin liggen er door ruimtegebrek bovenop. Maar wat blijft er met al deze schrijvers over van mijn Arcadië? En wat blijft er zonder hen over van mij?

Arcadië hier en nu

Tegenover een wereld waarin technologie en wetenschap dominant zijn, waarin het einde van de ideologie gevolgd werd door de mythe van de individualiteit, kan Arcadië, gezien als een onderling verband en tussen heden en het verleden, tussen mensen onderling, het nodige tegenwicht bieden. Dit Arcadië ontstaat niet vanzelf: er moet moeite voor worden gedaan, gekozen worden voor de lange duur en niet voor directe bevrediging. Het Arcadië van Laroussi omvat een besef van continuïteit en oneindigheid, maar staat open voor alles – inclusief de technologie van het hier en nu.

Arcadië is niet alleen een onderling verband, het vereist ook een zekere inzet. Niemand kijkt er vandaag de dag vreemd van op dat er in iedere zichzelf respecterende krant wel een horoscoop staat, maar geen literaire kritiek. Studenten aan de universiteit beheersen de laatste snufjes op het gebied van de informatica tot in hun vingertoppen, maar staan met hun mond vol tanden bij een sonnet van Shakespeare of een acte van een toneelstuk van Racine. Politici worden omringd door communicatieadviseurs, want alles is een kwestie geworden van ‘hoe je overkomt’, en minder van ideeën. Echte politiek is gericht op de lange duur, maar wij zijn geconditioneerd op directe bevrediging. Arcadië, ik zeg het nogmaals, zal zijn volle betekenis pas krijgen wanneer we besef hebben van continuïteit.

Crisis in Arcadië

De huidige crisis is een afspiegeling van een grotere crisis: die van de Tijd. De mens heeft zijn levenstempo aangepast aan de razendsnel voortschrijdende economie, onderwijl de valse vrijheid van de gedweeë consument genietend, gedreven door een ver doorgevoerde individualiteit. Filmmaker Radu Mihaileanu zou zijn kinderen graag een Arcadië nalaten dat ruimte biedt voor het collectief, voor diepgang, voor langetermijndenken. De tijd hoeft hiertoe niet te worden teruggedraaid, meent hij; ook met technologie en consumptie moeten rust en evenwicht mogelijk zijn.

Dus ten dienste van de economie, van de ongebreidelde productiesnelheid van de hulpmiddelen, heeft de mens zich aangepast aan een ritme, een manier van omgaan met de tijd die onnatuurlijk is. Daartoe heeft hij alle fundamentele waarden moeten aanpassen, misschien zelfs afschaffen. Door zich te bedienen van de virtuele wereld, die hij meent te beheersen, eigent hij zich de toekomst toe, die hij in heden wil veranderen; en zo speculeert hij met de Tijd.

Een pleidooi voor porseleinen herderinnetjes

Het arcadische ideaal overleefde de overgang van Oudheid naar heden, constateert de beroemde schrijver G.K. Chesterton in dit essay uit 1901, maar inmiddels kan niemand er meer onderuit: het porseleinen herderinnetje en aanverwante pastorale clichés zijn hopeloos passé. Zonder voorbij te gaan aan de steriele sentimentaliteit van de Ideale Herder wijst Chesterton er in zijn essay op dat zo’n ideaalbeeld – ook in andere beroepsgroepen – juist datgene zou kunnen zijn wat het dagelijks geploeter in een hoger licht stelt.

De zaak ligt dus zo: ik stoor me er niet aan dat er in de beeldende kunst en literatuur een ideale herder bestaat, nee, ik betreur oprecht dat herder het enige volksambacht is dat ooit verheven is tot het niveau van de heroïsche ambachten die zijn uitgedacht door een tijdperk van aristocraten. Ik maak geen bezwaar tegen de Ideale Herder, welnee, ik zou willen dat er een Ideale Postbode was, een Ideale Kruidenier en een Ideale Loodgieter. Zonder twijfel zouden wij bij de gedachte aan een Ideale Postbode in lachen uitbarsten – zeker, en dat bewijst dat wij geen ware democraten zijn.

De fluit en het tapijt

Cristina Campo wijst er in dit essay uit 1971 op haar gebruikelijke, onnavolgbare en poëtische wijze op dat we leven in een ‘beschaving van verlies’: we zijn onze eigen lotsbestemming verloren, en zijn we beroofd van wat Pasternak ‘het oor van de ziel’ noemde, waarmee we ons lot kunnen ervaren. Wij zijn als de dove slang die in Psalm 58 de klanken van het lot niet hoort waarmee de fluitspeler hem tracht te bezweren. Hoe kunnen we de roep van het lot gewaarworden in de ruis van de moderne tijd? Hoe kunnen we het fluitspel leren ontwaren, en het patroon leren ontdekken van het tapijt waarin wij slechts een enkele knoop zijn, opgerold door de wever als de slang door de fakir? Het antwoord op deze vragen ligt in de stem van de doden, zegt Campo, die resoneert in het landschap, in de taal van de schrijvers, in mythen en in religieuze of heilige riten. Campo verbindt werkelijkheid en analogie, gebed en liturgie, arabische sprookjes en literaire meesterwerken van Borges, Pasternak of Kaváfis, en maakt zo ook in onze tijd de melodie van het lot hoorbaar voor wie hem wil horen.

Symbool van het noodlot is het grote woud: vanwege de angst die de woudzoom ons inboezemt, de onafzienbare uitgestrektheid, het immer groeiend aantal paden (een oude noordse held kon er zelfs eeuwenlang rondrijden en steeds op dezelfde plek terugkeren), het dichte schemerlicht waardoor het dag noch nacht is. En in dat dichtstgeweven donker schitteren de spoelen van ontmoetingen: de kapel van de heremiet, het meisje in tranen bij het beekje of, aan het open uiteinde van de groene galerij, een ridder met gesloten vizier die ferm zijn paard inhoudt, zoals wij onze adem. En kastelen die verschijnen en verdwijnen, onverwachte meren van zuiver zilver met in het midden een zwaard geplant, maar zonder boot om ze te doorklieven.