Tijdschrift Nexus

Nexus 54

De passie voor geloof, dood en vrijheid
Uitverkocht

De schrijvers van dit nummer troffen elkaar tijdens de Nexus-conferentie 2009. De gevoerde debatten over tolerantie en fanatisme inspireerden tot urgente en doordachte essays. Uitgangspunten zijn de opera La Juive, die de passie voor geloof, dood en vrijheid op huiveringwekkende wijze verbeeldt, en de openingslezing van opperrabbijn Jonathan Sacks. De essays leggen de duistere en de meest verlichte kanten van de menselijke ziel bloot, alsmede de belangrijkste problemen van onze tijd.

Inhoudsopgave

De passie voor geloof, dood en vrijheid

De idee van de kunst als dochter van de vrijheid en aanklaagster van onrecht roept de vragen op: Wat heeft vrijheid met het wezen van het mens-zijn te maken? En hoeveel waarheid schuilt er in de overtuiging van Nietzsche en Thomas Mann dat de kunst, de muziek in het bijzonder, ook over een demonische macht beschikt?

Alleen zij die vergeten waren dat de mens een ziel heeft, die zich soms laat doven maar nooit voor altijd laat temmen, kunnen zich het afgelopen decennium verbaasd hebben over de opbloei van religies, nationalisme, fanatisme en agressie. In al zijn macaberheid is ‘9/11’ symbool van een nieuwe tijdgeest.

Hoop en tragedie

In de lezing die opperrabbijn Jonathan Sacks uitsprak bij de opening van de Nexus-conferentie 2009 neemt hij de opera La Juive als uitgangspunt voor een tocht door de geschiedenis van het Europees jodendom, waarbij religie, fanatisme, intolerantie en haat terugkerende thema’s zijn. Het betoog van Sacks is een pleidooi voor alle gelovigen om hun godsdienst niet op te vatten in termen van macht, maar als bron van tolerantie, respect en vrijheid. De lezing van Sacks is eveneens los verkrijgbaar als tweetalige uitgave in de Nexus Bibliotheek onder de titel Hoop en tragedie/Hope and tragedy (2009).

De werkelijke godsdienstige scheidslijn vandaag de dag is niet die tussen joden, christenen en moslims, maar tussen degenen voor wie religie een vorm van machtswil is en degenen die haar zien als de wil tot leven, alle leven. Mijn definitie van fundamentalisme is de poging een enkelvoudige waarheid op te leggen aan een meervoudige wereld, en dat streven heeft meer te maken met imperialisme dan met nederigheid jegens onze door God geschapen diversiteit.

Gedachten over het martelaarschap

Onze westerse cultuur kent niet langer een martelaarsmentaliteit en volgens Leon Wieseltier hoeven we daarom niet rouwig te zijn. Martelaars sterven doorgaans voor een onbewijsbare, subjectieve waarheid en hun daad is door zijn openbare karakter ronduit exhibitionistisch van aard. Hun keuze voor de dood is daarnaast geen werkelijk vrije keuze, waardoor hun daad geen bewijs is van karakter of persoonlijke sterkte, maar een gevolg van tirannie.

Ik begrijp het standpunt niet dat martelaarschap mooi zou zijn. Ik vind het afschuwelijk: een geheiligde uitbarsting van sadisme en masochisme. Op zijn best is het een uiting van wanhoop, de keuze voor een dood die hoe dan ook onvermijdelijk zou zijn – de vrijheid van iemand die toch al ten dode opgeschreven is.

Een vreeswekkend soort sadomasochisme

Psychoanalytica Elisabeth Young-Bruehl gaat nader in op de bewering van Jonathan Sacks in diens openingslezing dat het Verbond van Noach gold voor alle mensen, niet slechts een groep uitverkorenen, en dat het daarmee ruim baan gaf tolerantie en vrijheid van godsdienst. Young-Bruehl is eerder van het tegendeel overtuigd: het Verbond legt wetten op die al wie ze niet gehoorzaamt, uitsluiten. De monotheïstische godsdiensten blijven daarmee bij uitstek intrinsiek autoritair en sadomasochistisch van aard.

Gezien mijn overtuigingen vervulde de opera La Juive me met vrees en een soort schaamte over de eindeloze moordzucht ten opzichte van ‘ketters’ binnen de groep en van de monotheïstische religies ten opzichte van elkaar. Het is dezelfde mengeling van vrees en schaamte die ik keer op keer ‘s morgens voel bij het lezen van de krant en zie hoe onze tijd vergeven is van destructiviteit in naam van alle drie de abrahamitische religies door mensen die maar al te bereid zijn grote aantallen van hun medemensen en van hun eigen kinderen op te offeren. Dit is niet ‘het einde van de geschiedenis’, het is een tijdperk van het bijna ondraaglijke gewicht van een zich dwangmatig herhalende geschiedenis.

Een passie voor onvrijheid?

Het is een illusie te denken dat wij in vrijheid leven: onze ogenschijnlijke keuzevrijheid is juist een vorm van onvrijheid. Doordat wij toegang tot te veel kennis hebben, voelen we ons gedwongen ons over te leveren aan experts en vertegenwoordigers. De populistische reactie hierop is er een van onvrede die, zo laat Slavoj Žižek zien, tot paradoxale opvattingen en situaties leidt.

Gedwongen te zijn beslissingen te nemen in een situatie die duister blijft – dat is onze basisconditie. In de standaardsituatie van de gedwongen keuze (een situatie waarin ik vrij kan kiezen, op voorwaarde dat ik de juiste keuze maak, zodat het enige wat mij rest het loze gebaar is te doen alsof ik uit vrije wil doe wat de kennis van experts mij heeft opgelegd). Maar wat als de keuze daarentegen werkelijk vrij is en juist daarom als nog frustrerender wordt ervaren? We bevinden ons voortdurend in de positie dat we over zaken moeten beslissen die ons leven diepgaand zullen beïnvloeden, terwijl we geen echte kennisbasis hebben.

We zijn gettobouwers geworden

In onze maatschappij zijn we opgehouden te denken over de fundamenten van onze religies, filosofieën en beschavingen. Het gevolg is dat we gettobouwers zijn geworden: we maken een hiërarchisch onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’, waardoor we mensen met andere achtergronden geheel of gedeeltelijk buitensluiten. Tariq Ramadan roept op tot een diepgaande en onderbouwde dialoog tussen mensen, tot een gemeenschappelijke zoektocht naar het universele. Zo ontstaat vanzelf verbondenheid.

Verbondenheid is niet af te dwingen: die moet vanzelf ontstaan, in het dagelijks leven op straat, op school, door de uitdagingen die ons worden gesteld. Al dat getheoretiseer en gedebatteer over verbondenheid maakt het onmogelijk om die spontaan te voelen. Want het gaat om een gevoel: dat krijg je alleen door het te beleven, het te ervaren.

Passie voor het geloof, of de moord op God

Jonathan Sacks stelde in zijn openingslezing dat de ware passie voor het geloof samenvalt met een passie voor vrijheid. In de abrahamitische religies staat immers het individu in zijn persoonlijke verhouding tot God centraal. Ladan Boroumand beschrijft aan de hand van de situatie in haar eigen land, Iran, hoe de passie voor het geloof leidt tot totalitaire tirannie wanneer ze van de passie voor vrijheid wordt losgekoppeld. Het gevolg is dat de geestelijk leider zich ontwikkelt tot tiran die de plaats van God inneemt en zo het geloof vernietigt.

De moord op Neda en die op Mohsen vormen scénes uit het laatste bedrijf van een tragedie waarvoor het doek in februari 1979 opging, toen de passie voor het geloof van een geestelijke het politieke lichaam de taak opdrong om met dwang en geweld mensen aan wie de vrije wil werd ontzegd, de absolute waarheid op te leggen. Hiertoe moest de ayatollah een nieuwe status verwerven en de belichaming van de historische waarheid worden. De ‘nederige, zondige geestelijke’ werd een onfeilbare, onberispelijke leider.

Thanatopolitiek, of de politiek van de dood

La Juive is een opera die niet alleen religieus fundamentalisme en individualistisch eigenbelang tegenover elkaar plaatst, maar ook de goede kanten van het ethisch gemotiveerde levensoffer onderstreept. In het personage Rachel zien wij de voornaamste vorm van zelfopofferende liefde, gekoppeld aan een kritische analyse van religieuze onverdraagzaamheid. La Juive is in vele opzichten exemplarisch als tegenwicht tegen de dreiging en de realiteit van totalitarisme en repressie, en als pleidooi voor het standpunt dat muziek zowel politiek moet zijn als in staat boven de politiek uit te stijgen. De dood is allesoverheersend in de gevallen waarin individuen/martelaren hun leven geven voor anderen ten behoeve van een politieke zaak of een geloof. De voornaamste theoretische scholen met betrekking tot de logica achter dit verschijnsel hebben altijd lijnrecht tegenover elkaar gestaan. Sommige beriepen zich op religieuze inspiratie, terwijl andere wezen op een repressief, strategisch politiek kader. Het is frappant hoezeer deze notie van een doelgerichte dood, een dood die roem of heiligverklaring waardig is, het vermogen bezit om anderen – met name verschoppelingen en maatschappelijke randfiguren – te bezielen en te mobiliseren.

Het levensoffer is als een schok met onvoorspelbare gevolgen. Alleen symbolisch geweld lokt de aandacht uit en het terroristisch geweld tracht symbolisch te zijn door de radicale en wrede aard van het schouwspel. Het spreekt vanzelf dat de politiek van de dood, de ‘thanatopolitiek’, ernstige beperkingen oplegt aan de moderne politieke ratio, simpelweg omdat ze de wegen van de dialoog en het compromis over vreedzame coëxistentie van de volkeren verspert.

Waarom wordt er niet op grotere schaal gemoord?

Het mag dan lijken alsof de niet-westerse en de westerse wereld beheerst worden door een doodscultuur, terrorisme-expert Marc Sageman meent dat dit een vertekend beeld is. In de niet-westerse wereld is de passie voor de dood slechts te vinden bij een uiterst marginale groep moslimtieners in oorlogsgebieden, en in het Westen gaat het om een intellectuele en elitaire groep kunstminnaars, die zich door het gesublimeerde doodsverlangen in opera’s laat raken. Onze cultuur draait eerder om het leven dan om de dood.

Ik vermoed dat we genetisch zijn geprogrammeerd om het leven te verkiezen boven opoffering en sterven. Met een cultuur van opoffering en sterven zou de menselijke soort geen stand kunnen houden. In uitzonderlijke omstandigheden kan zelfopoffering – altruïstische zelfmoord – de soort ten goede komen, maar als deze de norm werd, zou de soort uitsterven. De dramatische expansie van de menselijke soort in de afgelopen eeuw, ondanks alle gruwelijke oorlogen, bewijst dat we nog steeds worden omringd door een cultuur van het leven.

Van geluk spreken

Op de tv leek de val van de Berlijnse Muur, in november 1989, één groot volksfeest. Wie er, zoals Anne Applebaum, bij was, weet wel beter. De sfeer was grimmig, afwachtend en onzeker. De omwenteling verliep uiteindelijk vreedzaam, maar het had ook makkelijk anders kunnen aflopen, want ‘vrijheid’ is iets anders dan het ontbreken van gezag en anarchie lag op de loer.

Wat die paar cruciale dagen na de eerste gebeurtenissen voorkwam dat Berlijn met geweld te maken kreeg, en wat de maanden erna veel Midden-Europese landen van de ondergang redde, was naar mijn inzien de kracht van het voorbeeld. Eind jaren tachtig kon je Polen, Tsjechen en anderen met grote regelmaat horen zeggen dat ze zo hevig naar een ‘normale’ samenleving verlangden. En met ‘normaal’ bedoelden ze ‘West-Europees’.

De meerduidige vrijheid van de kunst

Al eeuwenlang wordt er gediscussieerd over de relatie tussen de inhoud en de vorm van een kunstwerk. Schrijver en pianist Charles Rosen bespreekt verschillende grote muzikale werken, van Mozarts Don Giovanni tot Beethovens Negende Symfonie, waarin de vorm de idee schijnbaar ondermijnt: de muziek lijkt iets anders te suggereren dan wat de tekst of de handeling zegt. In al deze gevallen gebruikten de componisten de vrijheid die de muzikale vorm hen gaf om uitdrukking te geven aan een verlangen naar politieke vrijheid – juist wanneer het te riskant was om dat verlangen expliciet in tekst of handeling weer te geven. Een martiale of triomfantelijke muzikale vorm kon zo, onafhankelijk van een veel onschuldiger tekst, de componist de vrijheid geven om de vrijheid te bezingen.

Betekenis is altijd variabel. Niettemin worden we ingeperkt door, en raken we zelfs verstrikt in, het dagelijks gebruik. We voelen ons bekneld door betekenissen waaraan we willen ontsnappen. De mooiste uitweg is niet alleen de humor, maar ook de poëzie, of de kunst in het algemeen. De kunst verlost ons natuurlijk niet geheel en al van betekenis, maar schenkt ons een zekere mate van vrijheid, verleent ons armslag.

De grijze massa van het poetinisme

De geschiedenis heeft aangetoond dat de kunsten opbloeien in een onvrije omgeving, zoals ze dat deden onder het stalinisme, terwijl ze in een democratie juist door een te grote vrijheid verwateren. Maar het huidige Rusland is noch vrij, noch onvrij. President Poetin weet kunstenaars en intellectuelen aan zich te binden door middel van gunsten en privileges, en laat tegelijkertijd genoeg dreiging bestaan om te zorgen dat zij zich niet snel kritisch zullen uitspreken. Het is daarom dat de Russische cultuur zich op dit moment op een bedroevend laag peil bevindt, en dat de middelmaat er regeert.

Zeker, Rusland is niet de USSR, en Poetins culturele bemoeienissen hebben minder intimiderende vormen aangenomen dan die in het Sovjetverleden. De autoriteiten beïnvloeden tegenwoordig kunstenaars vooral door middel van vleierij, persoonlijke gunsten, staatsprijzen en milde dreigementen – vaak worden bepaalde privileges toegestaan of ingetrokken, en daarmee gehoorzaamheid en zelfcensuur afgedwongen. Opsplitsen en isoleren is het parool.

We moeten leren vrij te zijn

Onze grote vrijheid ervaren we meestal als moeilijk en bedrukkend. Wij worden dan ook niet in vrijheid geboren: ons karakter wordt gevormd onder invloed van context en gemeenschappelijke cultuur, en we voelen een natuurlijke behoefte aan morele oriëntatie en saamhorigheid. De omgang met vrijheid is dus iets wat we moeten aanleren, willen we niet stuurloos raken in onze postmoderne cultuur van keuzevrijheid.

Vrijheid kan wel moreel wenselijk zijn, maar het is geen aangeboren eigenschap van het menselijke zelf. Wij zijn niet toegerust om meteen uit te vliegen zodra wij ter wereld komen. Integendeel, een subjectief gevoel van autonomie moeten we aanleren en zien te bereiken. Het uitoefenen van vrijheid vergt vaardigheid en ervaring.