Geschiedenis

1848

Clubkoorts en revolutie

Geerten Waling
Vantilt, Nijmegen, 2016

Door Jilt Jorritsma, historicus en Connect-ambassadeur

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel 

Democratische vermoeidheid
Er is iets aan de hand met de Westerse democratie. Deze politieke staatsvorm wordt weliswaar nog steeds beschouwd als het ijkpunt van onze beschaving, maar de onvrede over de wijze waarop democratische idealen in de praktijk worden gebracht groeit. Door dit ‘democratische vermoeidheidssyndroom’, zoals historicus en auteur David van Reybrouck het onlangs noemde, raakt onze representatieve democratie steeds meer in het slop. Mensen stemmen minder en politieke partijen lopen leeg. Pogingen om de burger opnieuw bij de politiek te betrekken resulteerden dit jaar in verscheidene referenda, maar ook deze volksraadplegingen zorgden niet voor de gewenste heropleving van democratische bevlogenheid. Zij tonen echter wel een verlangen naar een nieuwe vorm van democratie, die recht doet aan onze oude democratische principes.

Wat zijn die democratische principes van weleer nu eigenlijk? Om ze te achterhalen moeten we onze blik op het verleden richten, zo meent politiek historicus Geerten Waling. Waling promoveerde eerder dit jaar aan de Universiteit van Leiden op het proefschrift 1848 – Clubkoorts en revolutie. Democratische experimenten in Parijs en Berlijn. Centraal in zijn onderzoek staat het jaar 1848, een kort maar cruciaal moment in de Europese geschiedenis waarop de democratische burgerparticipatie floreerde. De ideeën en verwachtingen achter de democratische experimenten van toen kunnen ons volgens Waling helpen de democratie van nu uit het slop te krijgen: ‘Het jaar 1848 kan ons inspireren bij het zoeken naar een vorm van democratie zonder partijen.’

Het ‘moment 1848’
Een golf van revolutionaire euforie trok in 1848 over het Europese continent. Van Kopenhagen tot in Palermo en van Parijs tot Boedapest werd de gevestigde orde geteisterd door revolutionaire bewegingen die overal vrijwel gelijktijdig de kop opstaken. De revolutionairen werden gedreven door eenzelfde verlangen: hun stem te laten horen en zelf mee te kunnen doen in de politiek. In Parijs, de bakermat van de revolutionaire bezetenheid, moest de monarchie plaatsmaken voor een nieuwe republiek waarin politiek een zaak werd van iedereen. Het dagelijkse leven van miljoenen Europeanen kwam plotseling in het teken te staan van politieke activiteiten. Maar het ‘moment van euforie’ duurde niet lang. Met dezelfde snelheid waarmee ze opkwamen, werden de revoluties ook weer de kop ingedrukt.

Was het meer dan slechts één moment? Over deze vraag lopen de meningen onder historici sterk uiteen. Wat in de ene visie als een tijdelijke bevlieging wordt gezien die met een onvermijdelijke kater werd bekocht, is voor de ander de uiting van een duurzame wil tot verandering. Waling probeert deze ogenschijnlijk tegenstrijdige visies met elkaar te verenigen. Door zijn boek op te hangen aan het jaar 1848 benadrukt hij aan de ene kant het belang en de uniekheid van het revolutionaire ogenblik, terwijl hij tegelijkertijd wil aantonen dat het revolutiejaar een blijvende verandering in het bewustzijn van de Europese politieke cultuur teweeg heeft gebracht. Ondanks het feit dat de revoluties van 1848 uiteindelijk allemaal werden neergeslagen of uitdoofden, bleven de ervaringen van dat jaar in het denken van de moderne mens sluimeren.

De democratische laboratoria in Parijs en Berlijn
We moeten onze blik volgens Waling daarom niet enkel op de daadwerkelijke uitwerkingen van de revoluties richten, maar juist kijken naar de verwachtingen en ervaringen van de politieke pioniers die experimenteerden met de democratie. Wat motiveerde hen om de status quo omver te werpen en wat hoopten zij daarmee te bewerkstelligen? Hun revolutionaire droombeeld waarin alle (mannelijke en volwassen) burgers konden participeren in de politiek manifesteerde zich in de vrije samenkomst in politieke clubs en volksvergaderingen, de ‘werkplaatsen van de democratie’. Maar in hun zoektocht naar de juiste balans tussen participatie en representatie werden zij al snel geconfronteerd met de moeilijkheden van de organisatie en de spanningen tussen verwachting en realiteit, tussen idealen en praktijk. De revolutionaire droombeelden moesten geleidelijk plaatsmaken voor een weerbarstige politieke realiteit. Voor velen bleek die realiteit een bureaucratische nachtmerrie te zijn.

De claim dat de nieuwe volksvergaderingen de ‘stem van het volk’ vertolkten werd al snel in twijfel getrokken. De organisatoren van de vergaderingen zouden in plaats van de meningen van de massa te willen horen, haar juist willen bepalen. Zo waren er in Frankrijk ineens 36 keer zoveel kiesgerechtigden als voor 1848, waarvan de meesten geen idee had wat ze moesten gaan stemmen. Vergaderingen waar honderden individuen bijeen kwamen die elk hun eigen opvattingen hadden, verliepen daardoor veelal chaotisch. Het volk werd de speelbal van de redenaar die de juiste woorden vond om op veel steun te kunnen rekenen. Deze ‘democratische overgevoeligheid’, zoals Waling het noemt, zorgde voor verdeeldheid en partijvorming. De belangen van diverse groeperingen, evenals individuele belangen raakten onvermijdelijk met elkaar in conflict. Het volk bleek niet één en ondeelbaar en liet zich niet zo gemakkelijk verenigen.

Hoe vanzelfsprekend is de democratie?
Waling weigert zich neer te leggen bij het ogenschijnlijke falen van de democratische ondernemingen van 1848. Door ze op te vatten als experimenten, als ‘leerscholen waar werd geoefend in welsprekendheid, in debat, in het formuleren van eisen en het afdwingen van die eisen’, kenmerken ze voor hem een verandering van politieke cultuur. Hierin toont zich de waarde van Walings boek. Hij laat zien hoe de begrippen ‘politiek’ en ‘vereniging’ rond 1848 ‘een geaccepteerde en zelfs prestigieuze combinatie gingen vormen […] die nog altijd de kern van het politieke engagement in de moderne Europese partijdemocratieën’ vormt.

‘Democratie is nooit vanzelfsprekend’, zo luidt de les die Waling ons hierbij mee wil geven. Opvallend is wel dat de democratische idealen door bijna het gehele boek wel degelijk als vanzelfsprekend worden beschouwd. Door zich enkel op de spanningen en conflicten tussen de democratische opvattingen binnen de voorstanders van de democratie te richten, lijkt het alsof democratie zelf al een onmiskenbaar gegeven was. Waling gaat voorbij aan de tegenstellingen tussen de voor- en tegenstanders van de democratie. Want tegenstanders waren er ook. Zij waarschuwden voor de tirannie die alles uit naam van allen zou gaan besturen. Wie de onvanzelfsprekendheid van de democratie wil laten zien, zou juist ook een kijkje moeten nemen in de gedachten van hen voor wie democratie inderdaad niet vanzelfsprekend is.

Desalniettemin moet de wijze waarop Waling het verleden in dienst stelt voor problemen die ons aangaan in het heden worden geprezen. 1848 – Clubkoorts en revolutie biedt ons een gedetailleerde kijk in de keuken van onze huidige politieke cultuur.