Cultuur

Museums Matter

In Praise of the Encyclopedic Museum

James Cuno
University of Chicago Press, Chicago/Londen, 2011

By Debora J. Meijers, onderzoeker Kunstgeschiedenis (UvA)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Toen James Cuno de lezingen schreef die de basis voor dit boek vormen, was hij directeur van het Art Institute of Chicago, een zeer populair museum met een collectie waarin kunst van alle continenten en culturen is opgenomen. Die positie vormt de achtergrond van zijn lofzang op het type museum dat hij als encyclopedisch aanduidt. Het boek opent met zijn observatie van de dichte scharen bezoekers van uiteenlopende komaf die hij op donderdagmiddag vanuit zijn raam ziet staan wachten tot de klok van vijf uur: het moment waarop de toegang gratis wordt. Het zijn geen toeristen, maar inwoners van Chicago, en vaak niet de best bedeelden van de samenleving in deze multiculturele industriestad. Toch zijn ze naar het museum gekomen om de kunst te bekijken die hier van over de hele wereld bijeen is gebracht. Wat trekt hen aan, en wat trekt ook al die tienduizenden bezoekers op uren dat er wel entreegeld wordt geheven? Kennelijk, zo constateert de auteur niet zonder verbazing, vinden ze hier iets wat ze zoeken, ondanks het feit dat er zo veel andere vormen van vertier in de buurt zijn.

Door Cuno’s hele betoog loopt als een rode draad dit talrijke en in cultureel opzicht gevarieerde publiek, waarvan ieder individu op haar of zijn eigen wijze geniet van de tentoongestelde kunstvoorwerpen, die eveneens uit een breed spectrum aan culturen afkomstig zijn. Hun toestromen vormt voor hem het beste bewijs dat academische museumcritici sinds Carol Duncan en Tony Bennett (om enkele van de bekendste te noemen) ongelijk hebben met hun theorieën over ‘scripts’ of zelfs rituelen die de bezoekers zouden onderwerpen aan de controle van de politieke en financiële elites van de stad of de staat en hen daarmee zouden dwingen tot een westerse kijk op de wereld. In Cuno’s visie laten bezoekers zich niet zo makkelijk door museumpresentaties manipuleren – ze lopen en kijken zoals het hun bevalt. Bovendien is het encyclopedische museum juist niet een instrument van de staat, maar een argument tégen een ‘essentialized, state-derived cultural identity’; en dringt het juist niet een westerse blik op, maar bevordert het een kosmopolitische levenshouding. Juist door kunstvoorwerpen uit de hele wereld te tonen, laat dit type museum zien dat cultuur altijd gevormd is door contact en uitwisseling tussen verschillende volkeren en daarom nooit politieke grenzen heeft gekend, maar altijd dynamisch en hybride is geweest. Daarom kan dit type museum zijns inziens ook niet worden afgedaan als louter een product van het negentiende- en twintigste-eeuwse imperialisme. Cuno geeft toe dat de sporen van roof en repressie in de collecties waarneembaar zijn, maar pleit er in het voetspoor van onder anderen de literatuurwetenschapper Edward Said voor deze situatie om te buigen ten behoeve van een vergelijkende kunstwetenschap die de samenlevingen van vandaag ten goede kan komen. Deze musea, zo concludeert de auteur, ‘work to dissipate ignorance and superstition about the world and promote tolerance of difference itself’. De corrumpering van het encyclopedische museum door het negentiende-eeuwse nationalisme en imperialisme zou overwonnen kunnen worden door terug te grijpen op de idealen van de achttiende-eeuwse Verlichting, waar de wortels van dit museumtype zouden liggen.

Zo wordt bij het lezen duidelijk dat ‘in praise of’ vooral ‘in defence of’ betekent. Het encyclopedische museum ligt al geruime tijd onder vuur, vooral van de kant van vertegenwoordigers van de landen of culturen waar de objecten oorspronkelijk vandaan komen, en de auteur dient hier de critici van repliek. Tegenover de huidige zucht tot afbakening van specifieke nationale en etnische identiteiten, en de vaak daarmee gepaard gaande agressie, doet Cuno’s kosmopolitische invalshoek weldadig aan. Maar bij nadere beschouwing blijkt hij soms discutabele vooronderstellingen te hanteren. Vooral zijn uitgangspunt dat het Art Institute of Chicago samen met (onder andere) het British Museum, het Louvre en het Berlijnse Museumsinsel één museumtype vormt, dat met zijn encyclopedische samenstelling zou wortelen in de waarden van de achttiende-eeuwse Verlichting, is niet overtuigend. De musea in Londen, Parijs en Berlijn kregen niet in de achttiende, maar in de negentiende eeuw hun brede, verschillende culturen omvattende collecties, en dat was meer ingegeven door de felle concurrentiestrijd tussen de betreffende naties dan door Verlichtingsidealen. Weliswaar zetten geleerden als Alexander von Humboldt het verlichte gedachtegoed nog even voort, maar in de loop van de negentiende eeuw werd hun kritische (Cuno verwijst uitvoerig naar Kant), op de mens(elijk)heid als geheel gerichte aanpak ingehaald door de imperialistische politiek van met name Groot-Brittannië, Frankrijk en Pruisen.

Heeft de verwijzing naar de Verlichting bij het in 1753 gestichte British Museum nog relevantie omdat het werkelijk de eigen geschiedenis betreft waarop kritisch gereflecteerd wordt, in het geval van het museum in Chicago van 1879 ligt dat anders. Die collecties hebben zich ontwikkeld door particuliere aankopen en schenkingen, en het instituut is ontstaan in het kader van een typisch eind negentiende-eeuws stedelijk beschavingsoffensief. Samen met een stelsel van parken, andere educatieve instellingen en een concertgebouw met orkest kreeg het kunstmuseum tot doel bij te dragen tot de ‘spirit of civic unity’ in de snel groeiende industriestad met zijn diverse populatie van immigranten uit Ierland, Groot-Brittannië, Duitsland, Polen, Tsjechië, Servië, Kroatië, Griekenland en China. De enige overeenkomst met de telkens genoemde musea in Londen, Parijs en Berlijn is gelegen in de samenstelling van de collecties, namelijk met internationale topstukken. Voor de rest is alles anders: de ontstaansgeschiedenis, de functies in de staat en stad, het publiek, etc.

Toch is dit boek belangrijk. De auteur is diep verontrust door de impasse waarin musea met ‘mondiale collecties’ door hun beladen verleden zijn geraakt en hij zoekt een uitweg. Hij vat zijn motivatie samen: ‘This I hold to be the promise of encyclopedic museums: that as liberal, cosmopolitan institutions, they encourage identification with others in the world, a shared sense of being human, of having in every meaningful way a common history, with a common future not only at stake, but increasingly, in an age of resurgent nationalism and sectarian violence, at risk.’ Het liefst zou hij dit soort musea overal op de wereld zien ontstaan, niet alleen in ‘het Westen’.

In zijn koers staat Cuno niet alleen: rond 2000 werd voor het eerst stelselmatig een beroep gedaan op de Verlichtingsidealen door (inderdaad) het British Museum, bij monde van directeur Neil MacGregor. Niet toevallig was dat in een tijd van toenemende politieke druk vanuit met name Griekenland en het Nabije Oosten, maar ook Italië, om in de afgelopen eeuwen verworven dan wel geroofde objecten te restitueren.

Hier ligt vermoedelijk de reden waarom de auteur spreekt van het encyclopedische museum en daar zulke verschillende instituties onder schaart. Wat deze musea delen, is dat ze door de herkomst van hun collecties doelwit zijn van aanklachten en claims. Op dit punt gekomen moest ik denken aan de Declaration on the Importance and Value of Universal Museums die in 2002 door de directeuren van achttien musea in acht landen ondertekend en verspreid is, waaronder ook het Art Institute of Chicago (onder Cuno’s voorganger). Deze verklaring, die ‘universal’ als beter alternatief gebruikt voor ‘encyclopedisch’, was een antwoord op de toenemende roep om restitutie en berust op argumenten die verwant zijn aan die van Cuno: musea dienen niet slechts de burgers van één natie, maar alle mensen van elke natie; de missie van musea is kennis te bevorderen in een voortdurend proces van herinterpretatie. Ieder object draagt bij aan dat proces; ‘to narrow the focus of museums whose collections are diverse and multifaceted would therefore be a disservice to all visitors’.

Voor verdere context is ook de congresbundel van belang die eerder onder Cuno’s redactie is verschenen: Who’s Culture? The Promise of Museums and the Debate over Antiquities (2009). Het hier besproken boek sluit aan op deze bundel, maar bestrijkt een breder spectrum dan de eigendomsproblematiek. Zo is hier ook een hoofdstuk gewijd aan de vraag in hoeverre een museum discursief is of zou moeten zijn, waarbij Cuno’s antwoord een krachtig ‘nee’ is: bezoekers laten zich niet sturen door een verhaal of een verborgen ‘script’, ze gaan hun eigen gang. De ‘sheer matter-of-factness of the objects’ in de zalen is voldoende. Hoe dat te rijmen is met de uitvoerige toelichtingen in het boek, wordt niet duidelijk. Een sterk punt van Cuno’s betoog is juist dat het telkens theoretische uiteenzettingen toelicht met voorbeelden van kunstwerken. In het boek worden de oneindige migratie en herinterpretatie van beeldvormen en thema’s aan de hand van concrete voorwerpen zichtbaar gemaakt, zodat het geloof in het exclusieve toebehoren van kunstwerken aan een ras, natie of godsdienst bij de lezer afdoende wordt ontzenuwd. Maar hoe kan het museum dit inzicht aan de talrijke en diverse bezoekersstromen overdragen als het niet discursief zou (mogen) zijn?