Politiek

Aan tafel bij dictators

Witold Szabłowski
vertaald door Goverdien Hauth-Grubben
Nieuw Amsterdam, 2020

Bestel dit boek via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel

 

Door Arnout le Clercq, journalist en correspondent Centraal- en Oost-Europa bij de Volkskrant

Het geheim van de chef 

Abu Ali, de kok van Saddam Hoessein, hield er niet van als de dictator zelf kookte. Maar zijn wil is wet. Dus als Saddam tijdens een boottochtje op de Tigris erop staat zelf köfte te grillen, schikt hij zich daarnaar. Bovendien, wat kan er fout gaan bij iets eenvoudigs als köfte? Als Saddam met een bord van het gekruide vleesgerecht op zijn persoonlijke kok afstapt en hem wat aanbiedt, stopt Abu het nietsvermoedend in zijn mond. ‘Ik nam een hap en… het was alsof ik in brand stond.’

Paniek. Vergif? Van Saddam? Of juist bedoeld voor Saddam? Eenmaal gekalmeerd, na een kwartier lang water drinken, blijkt het tabasco te zijn. Saddam had een fles cadeau gekregen. Hij hield niet van scherpe dingen en besloot het uit te proberen op zijn vrienden en personeel. ‘Alle opvarenden renden op hetzelfde moment rond en dronken grote hoeveelheden water om de smaak van tabasco weg te spoelen, terwijl Saddam daar zat te lachen.’

Deze even smeuïge als akelige anekdote aan het begin van Aan tafel bij dictators zet direct de toon voor de rest van het nieuwe boek van de Poolse journalist Witold Szabłowski. Eerder schreef hij de journalistieke werken Dansende beren (over het postcommunisme in Oost-Europa) en De moordenaar uit de abrikozenstad (over Turkije). Om dichter bij de aard van dictators te komen praat hij met mensen die dicht bij dictators stonden en die in sommige opzichten een intiemere band met hen hadden dan hun familie of persoonlijke lijfwachten: hun koks. Szabłowski speurt de wereld af op zoek naar de chefs van Saddam Hoessein, Idi Amin, Enver Hoxha, Pol Pot en Fidel Castro.

In zijn inleiding schrijft Szabłowski hoe hij aan een jeugdige escapade als kokshulp in Kopenhagen een blijvende fascinatie voor koks heeft overgehouden. Het vak was niet voor hem weggelegd en hij werd journalist. Je zou kunnen stellen dat er veel raakvlakken zijn tussen beide metiers: een combinatie van methodiek en creativiteit, afgetopt met een verrassend ingrediënt of geniale inval. Szabłowski weet in elk geval hoe hij een verhaal moet opdienen.

En als lezer krijg je snel door dat er meer achter steekt dan slechts een fascinatie voor koks. Door zijn onderwerp (dictators) te benaderen via een omweg (hun koks) heeft Szabłowski een geweldige manier gevonden om een bekend verhaal opnieuw te vertellen. In de naaste omgeving van de dictators, waar het wemelt van machtswellustelingen, strebers en sadisten die allemaal strijden om de gunst van de macht, is de kok een buitenbeentje dat desondanks dicht op het vuur zit. Ze zien hoe de dictator zich gedraagt, welk gerecht hem rustig maakt, de machtsstrijd in zijn entourage. En terwijl zij de lievelingsschotel van de autocraat bereiden, crepeert het volk van de honger.

De Poolse school
Sommigen zouden zeggen dat Szabłowski hier eenvoudigweg een kunstgreep toepast. Maar het ligt anders en dat verklaart waarom het werk van Szabłowski zo goed is. De ‘omweg’ is namelijk een intrinsiek onderdeel van zijn journalistieke methode. Szabłowski komt uit de Poolse school van de reportage, een lange traditie van met name Poolse verslaggevers met aandacht voor het menselijke, voor wie bijzaken soms hoofdzaken zijn en bij wie details het verhaal vertellen. Literatura faktu heet dat in het Pools, ‘de literatuur van de feiten’. De grote rol die is weggelegd voor details heeft in sommige gevallen een historische oorzaak: onder het communisme kon niet alles direct benoemd worden en journalisten gebruikten bepaalde details die als een hondenfluitje op hun lezers werkten.

In Nederland kennen we vooral het werk van Ryszard Kapuściński, een van de grondleggers en een ware reus van de Poolse journalistieke school. Kapuściński werkte voor het Poolse persbureau PAP en was daar correspondent voor drie continenten: Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Zijn levendige stijl en oog voor het menselijke verhaal maken zijn reportages steengoed. Soms te goed om waar te zijn, blijkt uit een biografie van Artur Domosławski (zelf een vriend en leerling van Kapuściński). In deze uitstekende biografie uit 2010 wordt beschreven hoe Kapuściński het niet altijd even nauw nam met de waarheid, wat samen met beschrijvingen van zijn buitenechtelijke relaties in Polen tot controverse leidde.

Kapusćiński’s grote voorbeeld was de Griekse geschiedschrijver Herodotus (die overigens ook door sommigen als fantast werd versleten, niet altijd onterecht). Bij Herodotus is er niet alleen aandacht voor het hoofdonderwerp, maar ook ruimte voor zijpaden die soms hele delen van het werk in beslag nemen. Hij ruimt plaats in voor sappige verhalen en probeert bovenal een totaalwerk te creëren, een omvattende geschiedenis van de wereld in zijn tijd waarbij ook aandacht is voor taal, cultuur en mythologie. Zijn kleurrijke Historiën verschillen hiermee sterk van bijvoorbeeld het werk van de latere geschiedschrijver Thucydides, die zich distantieerde van Herodotus’ methode, feitelijk bleef en zich zonder opsmuk op de gebeurtenissen richtte. De methode van Herodotus sprak Kapuściński aan en het combineren van een omvattend verhaal waarin details de boventoon voeren zie je onder meer goed terug in een boek als Imperium, over het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.

Maar Kapuściński was zeker niet de enige. Minder bekend in Nederland en daardoor helaas minder bemind zijn bijvoorbeeld de literaire reportages van Hanna Krall.

Een gesprek met Krall in het boek Hotel Europa (lees hier de Leestafel-bespreking) van de Vlaamse schrijver Piet de Moor geeft een mooi inkijkje in haar methodiek. Krall schrijft over het getto van Warschau, waar de lijken van de Joden die op straat liggen met krantenpapier worden bedekt. Een schrijnend detail dat het noteren waard is. Maar Krall gaat een stapje verder: wat voor kranten zijn dat? De lokale Nowy Kurier Warszawski was korte tijd te koop; later werd verspreiding van kranten in het getto verboden. Verzetskranten waren te klein om een lijk mee te bedekken.

‘Als je journalist bent, wil je toch precies weten wat voor soort krant dat was, want dat maakte nu eenmaal deel uit van het leven dat in het getto werd geleid’, zegt zij daarover. ‘Zo ontdekte ik dat het ging om de Gazeta Zydowska, een heulblad dat fatsoenlijke mensen destijds niet eens ter hand namen, maar dat voor mij, vijftig jaar later, een belangrijke bron van informatie was.’ Deze krant stond in geen enkele catalogus vermeld, maar Krall wist twee jaargangen te vinden in het Warschause Joods Historisch Instituut. Haar valt de neutrale berichtgeving op. ‘Niets over honger, geen transporten. Treblinka komt er niet in voor. Integendeel, de Gazeta moest de mensen geruststellen en de normaliteit van de wereld verzekeren.’ Met haar nieuwsgierigheid en scherpe antenne wist Krall zo een nieuw en belangrijk detail te ontsluiten.

De vertalingen van Szabłowski boeken het nodige succes in Nederland en zo lijkt de aandacht weer terug te keren voor de bijzondere Poolse stijl van reportages schrijven. Dit geldt in zekere mate ook voor zijn landgenoot en collega Mariusz Szczygieł, van wie in 2018 het dunne boekje Geen stap zonder Bata met enkele reportages verscheen. Overigens is de ‘Poolse stijl’ niet enkel voorbehouden aan Polen: in Nederland is Frank Westerman duidelijk geïnspireerd door zijn vakbroeders en -zusters uit het Centraal-Europese land.

Het menselijke in het onmenselijke
In Aan tafel bij dictators komen via Szabłowski’s kundige methode de vijf dictaturen in hun vele facetten voorbij: nepotisme, corruptie, geweld, angst, idolatrie. Zo zijn de koks van zowel Fidel Castro als Pol Pot nog altijd dol op hun voormalige baas (het is misschien geen toeval dat beide koks de dictator kennen van de guerillatijd van respectievelijk Castro’s guerillero’s in de Sierra Maestra en Pol Pots Rode Khmer in de jungle van Cambodja). Wanneer Szabłowski al te kritische vragen over Pol Pot aan zijn kokkin Yong Moein stelt, doet ze net alsof ze hem niet hoort.

In de meeste getuigenissen is de angst alomtegenwoordig. Bij Otonde Odera bijvoorbeeld, die op een bepaald moment ook uit de gratie viel bij Idi Amin. Hij werd gevangen genomen en om onbekende redenen gespaard. Veel anderen hadden minder geluk bij de despoot, die slachtoffers in mootjes liet hakken en naar verluidt aan de krokodillen voerde.

‘Ik was altijd bang’, zegt ook meneer K., die niet met zijn naam in het boek wilde omdat hij niet wil uitleggen dat hij in de keuken van Enver Hoxha werkte toen in Albanië mensen omkwamen van de honger. K. wist dat hij vervangbaar was (een van zijn voorgangers pleegde zelfmoord, een ander verdween spoorloos) en verzon een list om in leven te blijven. Meneer K. wist dat hij het humeur van Hoxha kon verbeteren door iets te koken uit diens geboortestad Gjirokastër. Dat deed hij uit kookboeken, maar hij realiseerde zich eigenlijk net zo te moeten koken als Hoxha’s moeder, ‘hoewel ik wist dat het aanmatigend was: de plaats van zijn moeder innemen zodat hij me niet zou kunnen doden.’ Hoxha’s moeder was al overleden, maar diens zus Sano wijdde meneer K. in  de familierecepten van de Hoxha’s. Ook met veel Albanezen liep het slechter af, wat Szabłowski goed laat zien door K.’s relaas te spiegelen aan het verhaal van Jovan, die op zoek gaat naar de man die zijn vader heeft geëxecuteerd.

Hier is Szabłowski op zijn best: het menselijke in het onmenselijke laten zien, met één detail een heel verhaal vertellen. Dit vind je ook terug in De moordenaar uit de abrikozenstad, journalistiek gezien zijn meest conventionele boek. Het boek dat over Turkije gaat barst van de originele reportages, zoals een verhaal over snordracht en politieke affiliatie om Erdoğans opkomst te beschrijven (Erdoğan en de zijnen behoren tot de ‘amandelsnorren’) of een zoektocht in de abrikozenstad Malatya naar de man die een moordaanslag pleegde op de Poolse paus Johannes Paulus II. De reportage ‘Omdat ik van je hou, zus’ gaat over eerwraak en kruipt onder de huid van de lezer. Szabłowski neemt je mee en probeert ook voor zichzelf te begrijpen hoe het kan dat broers en vaders hun zussen en dochters willen doden.

Maar het mooiste boek van Szabłowski is misschien wel Dansende beren. De hoofdlijn van dit boek gaat over Bulgaarse beren die door een Europese ngo worden bevrijd van hun eigenaren, Roma die van beren temmen hun beroep hebben gemaakt. Zij trainden de beren om te dansen voor mensen. In een reservaat vlakbij het stadje Bansko worden de dieren nu klaargestoomd voor een leven als vrije beer. Na hun hele leven in gevangenschap te hebben doorgebracht kunnen ze zich niet redden in de natuur, ze moeten langzaam verwilderen en zelf kunnen foerageren. Szabłowski wisselt dit verhaal af met reportages uit Oost-Europa en elders, waar de mensen na de val van het IJzeren Gordijn ook oefenen met hun nieuwverworven vrijheid. Terugvallen in oude gewoontes is daarbij soms onvermijdelijk, net als bij de Bulgaarse beren. Soms, als zij een mens zien, richten de beren zich op, staan op hun achterpoten en beginnen ze langzaam te wiegen – ze dansen. Over literatuur van de feiten gesproken.