Politiek

After Europe

After Europe
Ivan Krastev
University of Pennsylvania Press, Philadelphia, 2017

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

 

Door Theo de Wit, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg

Het jongste boek van de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev, getiteld After Europe (Europadämmerung in het Duits), is een goed startpunt voor een discussie over grenzen, het overschrijden, openstellen en (her)sluiten van grenzen in Europa, in zowel geografisch als symbolisch opzicht. De titel wijst misschien in de verkeerde richting, aangezien Krastev – zo zegt hij zelf – geen euroscepticus is. Hij noemt zijn essay, geschreven net na de afgelopen Franse presidentsverkiezingen, een ‘meditatie’ onder het motto van Antonio Gramsci: ‘pessimisme van het verstand en optimisme van de wil’. Hij spoort ons, zijn mede-Europeanen, aan om de naïeve hoop en verwachtingen over het Europese bouwwerk achter ons te laten en daartoe te kijken naar de ‘periferie’ van Europa, zogezegd naar de grenzen van Europa, en ons te bezinnen op het déjà-vu-denken dat daar heerst. Velen in Midden- en Oost-Europa hébben tijdens hun leeftijd al eens de implosie van een imperium meegemaakt…

Na 1989 leek het alsof landkaarten met afgebakende grenzen uit de mode waren, zo stelt Krastev. De grenzen moesten open zijn voor mensen, goederen, kapitaal en ideeën. In plaats van die oude kaarten kwamen er afbeeldingen die de verwevenheid van economieën illustreerden. Volgens Krastev werd de tijdsgeest aan het eind van de Koude Oorlog heel goed gevat door Francis Fukuyama in zijn essay The End of History. Na de Koude Oorlog zouden ideologische conflicten voorbij zijn en de geschiedenis zou een winnaar hebben: de westerse liberale democratie.

Hieraan wil ik toevoegen dat hier al sprake is van een soort déjà vu, aangezien Fukuyama hiermee Alexander Kojève herhaalde en Kojève op zijn beurt Hegel. Alle drie stelden dat het einde van de geschiedenis is aangebroken wanneer het liberalisme en de democratie onlosmakelijk verbonden zijn geraakt. Aan het einde van de geschiedenis is de staat een ‘liberale staat’, want ‘hij erkent het universele menselijke recht op vrijheid in de grondwet, en deze staat is democratisch voor zover hij wordt bestuurd op basis van de goedkeuring van de geregeerden.’ Welnu, het thema van After Europe is precies de nieuwe en onverwachte scheiding van het stabiele huwelijk tussen het universalistische liberalisme en democratie in Europa, beginnend in de periferie.

Herlezen we Fukuyama, dan kunnen we, met Krastev, de vinger gaan leggen op twee ‘details’ in zijn succesvolle ‘evangelie’ – zo noemde Jacques Derrida het tot boek uitgegroeide essay van de Amerikaanse politicoloog destijds (zie Spectres de Marx, 1993). Ten eerste is Fukuyama door het vertellen van een groots verhaal over het einde van de geschiedenis gedwongen om kleinere obstakels en hindernissen in de loop der geschiedenis te negeren. Krastev wijst op een passage waarin de Amerikaan schrijft dat hij zich niet genoodzaakt ziet om te reageren op ‘alle uitdagingen aan het adres van het liberalisme van de kant van iedere idiote verlosser ergens op de wereld’ of op de illiberale ideeën ‘ontwikkeld door lieden in Albanië of Burkina Faso’. Binnen een hegeliaanse geschiedfilosofie kunnen dit soort negaties of uitzonderingen uit de periferie van de wereld inderdaad genegeerd worden.

Al in 1992 had een collega van Fukuyama zo zijn twijfels over die houding. Krastev citeert Ken Jowitt, hoogleraar aan Berkeley, die de terugkeer van onderdrukte etnische, religieuze en tribale identiteiten in de wereld na 1989 voorzag. Jowitt vergeleek deze nieuwe wereldorde ironisch met een bar voor singles, waar ‘mensen samenkomen die elkaar niet kennen, die er rondhangen en weer naar huis gaan, seks hebben, elkaar nooit meer zien en zich de naam van de ander zelfs niet herinneren, naar de bar terugkeren en weer andere mensen ontmoeten. Het is een wereld zonder verbondenheid.’ Intussen weten we dat de belangrijkste ‘gebeurtenis’ na 1989 – namelijk 9/11 – georganiseerd werd in een achtergebleven land in de periferie van de wereld: Afghanistan, een land dat ons nog steeds bezighoudt.

Nu het tweede detail in Fukuyama’s verhaal. De Amerikaan koesterde een beeld van de wereldmarkt waarbij kapitaal en goederen konden circuleren zonder obstakels en grenzen, en waar de westerse ideeën de harten en geesten van de rest van de wereld zouden winnen, terwijl de mensen ‘thuis zouden blijven’ en zich bekommerden om het democratische proces in hun eigen samenleving. Het woord ‘migratie’, het oversteken van nationale grenzen, kwam niet in zijn historische vocabulaire voor. In zijn plaatje was het Westen alleen bezig met het exporteren van zijn ideeën en instituties.

Volgens Krastev is deze visie op de wereld in een vrije val, want – en dat is de centrale stelling in zijn boek – ‘migratie is de revolutie van onze tijd’, en het Westen is zelf veranderd in reactie op deze revolutie. Naast de terugkeer van het inrichten van fysieke grenzen tussen Europese landen – sinds het neerhalen van de Berlijnse Muur is er twaalfduizend kilometer aan hekken opgericht – wijst Krastev op een ‘migratie van argumenten, emoties, politieke identiteiten en stemmen.’

In welk opzicht is migratie de revolutie van onze tijd? Het is een revolutie die niet is gedreven door een voorstelling van een schitterende toekomst, zoals in de communistische ideologie, maar door ‘screenshots van Google Maps van het leven aan de andere kant van de grens’; een revolutie die er niet op is gericht om de regering te veranderen, maar om van land te wisselen; de nieuwe, solitaire revolutionairen zijn individuen of families die geen manifesten schrijven, maar louter willen verhuizen naar Europa dat aantrekkelijker is dan elke utopie.

Volgens Krastev is deze revolutie, meer nog dan de andere problemen waar de EU zich voor gesteld ziet (bijvoorbeeld de tekortkomingen in de opbouw van de instituties, of het beruchte democratisch tekort), een uitdaging voor de wereldorde van na 1989 en het verbond tussen liberalisme en democratie.

Laten we onze blik nogmaals richten, niet op het centrum van Europa, op Duitsland en zijn Willkommenskultur bijvoorbeeld, zo sensibel beschreven door Navid Kermani (zie Overvallen door de werkelijkheid, Cossee, 2016), maar op de Europese periferie, zoals Bulgarije. De aangrijpendste passages uit Krastevs boek gaan over de invloed en interpretatie van immigratie (vluchtelingen én economische migranten: dit juridische onderscheid is niet relevant in Krastevs analyse) in landen als Bulgarije en Roemenië. Krastev toont uitgebreid dat het toeval van iemands geboorteplaats vandaag de dag overal ter wereld bepalend is voor diens levenskansen – niet iemands opleiding of die van zijn ouders, maar zijn paspoort.

Voor velen in Oost-Europa zijn demografische feiten en verwachtingen van groot belang. Voor hen geldt dat ‘democratisch denken ook demografisch denken is’. In Bulgarije is de verwachting dat de bevolking afneemt met 27% in 2050 – het land heeft momenteel zeven miljoen inwoners. Dit wekt de angst voor ‘demografische verdwijning’. In de ogen van vele Bulgaren betekent de komst van migranten hun eigen uittocht uit de geschiedenis, en het veelgehoorde argument dat een vergrijzend Europa juist migranten nodig heeft, versterkt hun melancholie.

Hier voegt Krastev een persoonlijke noot toe: ‘Als je op tv ziet dat oudere inwoners van kleine, leeggelopen dorpjes waar in decennia geen kind is geboren protesteren tegen de vestiging van vluchtelingen, kun je niet anders dan sympathie voelen voor beide kanten – voor de vluchtelingen, maar ook voor de eenzame ouderen die hun wereld zien verdwijnen. Zal er over honderd jaar nog iemand zijn die Bulgaarse poëzie leest?’

Dit kun je afdoen als nationalistisch sentiment van bedreigde meerderheden uit de periferie, maar dat lijkt mij niet verstandig. Ik sluit me hier aan bij wat de theoloog Kurt Appel op een recente conferentie zei over de noodzaak ‘de grenzen tussen de levenden en de doden te overstijgen’ (zie Religion, Community, Borders, 2017). ‘De natie’, zo lezen we bij Krastev, ‘is, net als God, een schild voor de mensen dat hen beschermt tegen hun sterfelijkheid. Wij hopen na onze dood voort te leven in het geheugen van onze familie en ons land.’

Welnu, ik vermoed dat de recente scheiding van het liberalisme en de democratie en de opkomst van de ‘illiberale democratie’ die Krastev en anderen (zie bijv. Jacques Rupnik, ‘Illiberale Demokratie’, in Lettre International, najaar 2016) sinds de ‘vluchtelingencrisis’ ontwaren, onder andere verband houdt met de verwaarlozing van het belang van patriotisme in het westerse politieke denken.

Onlangs merkte iemand in een discussie over Europa op dat de Europese Unie vluchtelingen sinds 2015 op eenzelfde manier verdeelt over Europa als gebruikelijk is met visquota. De dreigende hernationalisering van Europa sinds de vluchtelingencrisis moeten we opvatten als een impuls om patriotisme en nationalisme (en de verschillen tussen de twee) opnieuw te overdenken, om opnieuw na te denken over de neiging om lijnen te trekken en grenzen af te bakenen, maar ook over de drang om grenzen te overstijgen en zelfs geen (morele) grenzen te kennen als we handelen in naam van vaderlandsliefde, het eigen volk of de eigen soevereiniteit.

In de ogen van vele Bulgaren betekent de komst van migranten hun eigen uittocht uit de geschiedenis, en het veelgehoorde argument dat een vergrijzend Europa juist migranten nodig heeft, versterkt hun melancholie.