Literatuur

Alle gedichten

Jorge Luis Borges
De Bezige Bij, Amsterdam, 2016
Vertaling Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer
Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

 

Vertolkt door de doden: Borges’ bibliothecaire dichterschap

Door Harm ten Napel, schrijver, filosoof en mede-oprichter van Klecks.nl.

Toen hij al bijna zeventig was, en zo goed als blind, gaf dichter Jorge Luis Borges (1899–1986) een serie lezingen aan Harvard University. Want hoewel wij hem het beste kennen als de schrijver van metafictieve verhalen avant la lettre zoals ‘De bibliotheek van Babel’ en ‘De tuin met zich splitsende paden’, was Borges allereerst een dichter. In die hoedanigheid was hij ook gevraagd om voor Engelse studenten te spreken over de metafoor en het vertalen van poëzie – lezingen die hij door die vergevorderde blindheid trouwens uit zijn hoofd moest geven, inclusief citaten, als een virtuoos soort mijmeringen. Borges sloot de serie af met een toespraak die hij ‘Het credo van een dichter’ als titel meegaf. Dit is hoe Borges zichzelf daarin, bescheiden, beschreef:

Ik zie mezelf vooral als lezer. Zoals u weet heb ik mij ook aan schrijven gewaagd; maar ik denk dat wat ik heb gelezen veel belangrijker is dan wat ik heb geschreven. Want men leest wat men wil – maar men schrijft niet wat men zou willen schrijven, maar wat men in staat is te schrijven.

En lezen wat hij wilde had Borges zoveel mogelijk gedaan. Toen hij zijn zicht begon te verliezen, verzamelde hij groepjes studentes om hem heen die hem voorlazen, zodat hij misschien wel de meest belezen blinde uit de literatuurgeschiedenis is geworden.

Borges kende zijn klassiekers. Zijn favorieten, zoals Don Quichot en de Duizend-en-één nacht keren regelmatig terug in zijn gedichten, net als zijn favoriete dichters – Walt Whitman bijvoorbeeld, die de jonge Borges sterk beïnvloedde. Maar ook Homerus en Vergilius maken hun opwachting en dichters uit de Engelse canon als Milton en Oscar Wilde (van wie hij op zijn negende al een kinderverhaal schijnt te hebben vertaald). Borges was vooral verzot op het Oud-Engels, dat hij ook goed las, en voor een groot deel van zijn carrière doceerde hij Engelse literatuur aan de universiteit van Buenos Aires. Naast het Engels en het Duits verdiepte Borges zich op zijn oude dag zelfs nog in het IJslands om ook die niche aan literatuur tot zich te nemen. Hij kon zich ook filosofisch prima staande houden met kennis van Plato, Berkeley en Spinoza. Over de lenzenslijper schreef hij meermaals een gedicht.

Hoe blinder Borges werd – en het schemerde al vanaf zijn dertigste – hoe meer gedichten hij schreef over de boeken en verhalen die hem dierbaar waren. Door te schrijven over wat hij las, of dat hij las, heeft hij zelfs, denk ik, het onderscheid ontmanteld tussen dat zelfbenoemde essentiële lezerschap en zijn schrijverschap. Een ‘bescheiden’ subversie, eigenlijk, waarmee Borges zijn belezenheid en blindheid tot twee kanten van de munt van zijn dichterschap sloeg.

Een mooi voorbeeld van die bescheiden, belezen blindheid stamt uit de tijd van de Harvardlezingen. Het gedicht heet ‘Voor een mindere dichter uit de bloemlezing’ en komt uit De ander, dezelfde (1964). Het is een vrij vers, een vorm waarin Borges na zijn eerste bundels in de jaren dertig steeds minder schreef maar waarin hij hier iets toont van zijn liefde voor Whitmans prozaïsche stijl:

Waar is de herinnering aan de dagen
die jou waren vergund op aarde, die lief en leed
vervlochten en voor jou het universum waren?

Ze zijn verdwenen in de telbare stroom
der jaren; je bent een woord in een register.

De goden gaven anderen eeuwige roem,
inscripties, vermeldingen op munten, monumenten, scrupuleuze
historici;
van jou, duistere vriend, weten we alleen
dat op een avond jij de nachtegaal hebt horen zingen.

Tussen de affodillen in de schaduw zal jouw ijdele schaduw
wel denken dat de goden niet vrijgevig zijn geweest.

Maar onze dagen zijn een web van triviale treurnis,
en is er soms een beter lot dan de as
van de vergetelheid.

Anderen werden door de goden gebaad
in het onverbiddelijke licht van de roem, die het intiemste ziet en
alle barsten noemt,
de roem, die de aanbeden roos uiteindelijk verwelken doet;
jou waren ze genadiger, broer.

In de vervoering van een schemering die nimmer nacht zal worden,
hoor jij de stem van Theocritus’ nachtegaal.

In de bloemlezing waar het om gaat, de eeuwenoude Anthologia Graeca vol epigrammen, is niet meteen een vers te vinden dat voldoet aan Borges beschrijving. De ‘duistere vriend’ en broer in ‘de schemering die nimmer nacht zal worden’ hebben eigenlijk vooral veel weg van Borges zelf, die zijn blindheid ooit beschreef als ‘een wereld van mist’ in plaats van de inktzwarte duisternis die het cliché wil. Wat Borges aanvoert als het bescheiden hoofdwerk van deze poeta menor is ook intrigerend. De kleine dichter liet slechts een vers achter waarin hij, in de vervoering van de schemering dus, ‘de stem van Theocritus’ nachtegaal’ hoort. Borges, de lezer, roemt het dichtertje dat een der groten goed verstond.

Want ‘de roem, die de aanbeden roos uiteindelijk verwelken doet’, dempt ook een veel gelezen, vaak gehoord gedicht. De tijger van Blake, de zomerdag van Shakespeare of, dichter bij huis, de jonge sla van Kopland, wie kan ze horen zonder ze voor de zoveelste keer te horen, zonder dat ze bijna als clichés klinken? Het lijkt Borges’ kleine dichter wel te zijn gelukt. Bovendien, omdat zijn gedicht klein is gebleven, zal zijn succes in de schaduw bewaard blijven, voor de zeldzame vinder.

Borges eigen poëtische project gaat voor een groot deel over de andere schrijvers en verhalen die hij bewondert. In De ander, dezelfde staat ook een gedicht over Milton. De roos keert terug, hier niet alleen als een klassiek poëtische troop maar ook als specifiek die bloem die door Milton tot motief werd gemaakt. Voor Milton maakte de kortstondige maar pure schoonheid van de roos die bloem tot een geschikt hoofdmotief van Paradise Lost (1667): ook het paradijs bloeide slechts een korte, pure tijd, tot de slang de eerste vrouw verleidde. Dat Milton zijn magnum opus schreef toen hij al geheel blind was geworden moet één van de reden voor Borges zijn geweest om ‘Een roos en Milton’ te schrijven:

Van generaties rozen die vergingen
en zijn vergleden in de diepe tijd,
wil ik deze sparen voor vergetelheid,
één zonder stem of spoor tussen de dingen
die zijn geweest. Het lot wil dat ik verdien
als eerste te reppen van de stille roos
die Milton als zijn laatste vruchteloos
naar de ogen bracht en die hij niet kon zien.
O rode of witte of gele bloem, gelicht
uit een gaarde die gewist is in het heden,
verlaat magisch je onheuglijk verleden
en schitter in dit andere gedicht,
jij, goud of bloed of van ivoor of duister,
als in zijn handen, vol onzichtbare luister.

Het is jammer maar begrijpelijk dat de vertalers een effect uit het Spaanse origineel niet mee hebben kunnen vertalen. De eerste regel eindigt in Borges’ versie van het gedicht op rosas, het meervoud; in de laatste regel is dat het enkelvoud, rosa geworden. Het leest als een Platoonse knipoog, waarmee Borges de onzichtbare pracht van de ideale en zeker ook poëtische Roos afzet tegen die ‘generaties rozen die vergingen’. Door juist het gedicht ook voor te stellen als de schaduw waarin die roos der rozen gespaard kan worden, verheft Borges Miltons en zijn eigen blindheid tot een vermogen in plaats van een kwaal.

Dat is op zichzelf geen origineel idee; Borges vernieuwt hier in feite de troop van de blinde ziener, zo oud als Homerus. Hij zet Milton, en by association zichzelf, bij in die kleine eregalerij van dichters die in het duister zien. Borges is zelf de kleine dichter met een oor voor de Nachtegaal van Theocritus en een geestesoog voor de Roos van Milton. Indirect stelt hij zichzelf voor als de voornaamste lezer van bijvoorbeeld Joyce – ‘Ik ben allen die jij niet kent en die jij redt’ – of van Melville – ‘Hij is het grote boek. De blauwe Proteus’.

In zijn klassieke en omstreden werk Anxiety of Influence beschrijft Harold Bloom zes manieren waarop dichters de invloeden van hun grote voorgangers verwerken om tot een individueel dichterschap te komen. Na lezing van Borges zouden we een zevende figuur aan dat schema toe kunnen voegen, dat het midden houdt tussen de criticus en de encyclopedist: de bibliothecaris. Anders dan de ‘revisionaire ratio’s’ die Bloom uiteenzet, die hun invloeden te boven komen of zich juist van hun voorgangers afscheiden, is de bibliothecaris een dichter die zijn invloeden noch direct overwint noch afzweert. Borges plaatst elk van zijn invloeden boven zichzelf, bescheiden, maar: wel in zijn bibliotheek. Hij bewondert ze als dichter terwijl hij ze canoniseert als een criticus, een opdracht die hij in het gedicht ‘Een lezer’, uit Lof van de schaduw (1969), wat mij betreft samenvat:

de taak die ik me stel is onbegrensd
en zal me tot het einde vergezellen,
niet minder mysterieus dan het universum,
dan ik, de leerling.

Maar waarvan hij de bescheiden, belezen kracht pas echt uitspreekt in ‘Mijn boeken’ uit De diepe roos (1975):

Het is beter zo. De stemmen van de doden
vertolken mij voorgoed.

Meer nog dan als prozaïst en zeker meer dan als essayist, heeft Borges zo in zijn poëtische werk zijn plaats in de literatuurgeschiedenis bevochten als een soort judoka, die de kracht van zijn tegenstander tegen hem gebruikt. Al zou Borges dat zelf natuurlijk nooit zo agressief uitdrukken.

‘Het goud van de tijger’ is misschien wel Borges bekendste gedicht. Het is het titelgedicht van de bundel die hij in 1972 uitbracht, een gedicht waarin Borges opnieuw zijn blindheid als thema neemt, of liever gezegd, waarin hij het laatste zicht dat hij heeft thematiseert. Het goud uit de titel benoemt namelijk de laatste kleur die Borges kon zien, een vage glinstering in de mist. Uit de manier waarop hij in dit gedicht zijn persoonlijke biografie verbindt aan een aantal van de oudste of belangrijkste symbolen uit de literatuurgeschiedenis, spreekt opnieuw die vererende, subversieve kracht van de bibliothecaris. Het laatste dat Borges ziet is het goud van de vuurtijger van William Blake en van Odins ring Draupnir, dat tegelijk het goud is van de Bengaalse tijgers die hij als kind in de dierentuin bewonderde:

Hoe vaak heb ik de machtige Bengaalse tijger
tot aan het uur van de gele zonsondergang
de voorbestemde weg
niet heen en weer zien gaan
achter het ijzeren traliehek,
zonder dat hij zich opgesloten wist.
Daarna zouden er andere tijgers komen,
de vuurtijger van Blake;
daarna zou er ander goud komen,
het verliefd metaal dat Zeus geworden was,
de ring die elke negen nachten
negen ringen baart, en deze ook negen,
er komt geen einde aan.
Ik werd met het verstrijken van de jaren
verlaten door de andere mooie kleuren,
nu resten mij alleen nog maar
het vage licht, de ondoordringbare schaduw
en het goud van het begin.
O avondrood, o tijgers, schitteringen
van mythen en epiek,
o waardevoller goud, jouw haar,
waar deze handen zo naar smachten.