Literatuur

Autobiografie van een lijk

Sigizmoend Krzjizjanovski
gekozen en vertaald door Annelies de Hertogh en Els de Roon Hertoge
Uitgeverij Vleugels, 2020

Bestel dit boek via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel

Door Jilt Jorritsma, historicus, schrijver en onderzoeker aan de Open Universiteit

Een ongekende droogte benauwt de aarde, bossen en jungles vliegen in brand en de grote ijsmassa’s van eeuwenoude gletsjers smelten. Het beeld dat de in Kiev geboren Sigizmoend Krzjizjanovski in 1939 van de wereld schetste, had zomaar uit de krantenkoppen van onze eigen tijd kunnen ontspruiten. De verhalen uit Autobiografie van een lijk zijn de werkelijkheid steeds een stapje voor.

Krzjizjanovski verhuisde in 1922 naar Moskou, waar hij hoopte om van zijn verhalen te kunnen leven. Maar publiceren werd hem gedurende zijn leven nooit gegund. Censoren weigerden zijn teksten, omdat hun stijl niet strookte met de Sovjet-manier van denken. Om het hoofd boven water te houden schreef Krzjizjanovski literaire kritieken. Zijn verhalen hield hij voor zichzelf. Pas in 1989, toen de strenge censuur afnam, doken ze geleidelijk op uit de vergetelheid. De auteur was toen al bijna 40 jaar dood.

Afgelopen jaren wordt zijn oeuvre wereldwijd vertaald en is er sprake van een heuse wederopstanding van Krzjizjanovski’s werk. Wat verklaart die hernieuwde interesse? Waarom spreken de vreemde verhalen over vingers die zich van hun eigenaar bevrijden, een man die in zijn eigen elleboog probeert te bijten, of een middeltje dat kamers vergroot ineens weer tot de verbeelding?

Het titelverhaal van de bundel helpt ons wellicht die vraag te beantwoorden. Daarin betrekt een provinciaalse journalist een kamer in Moskou en ontvangt daar het manuscript van de vorige bewoner, die zichzelf in de kamer heeft opgehangen. De voorganger verhaalt over zijn existentiële crisis:

‘Hele dagen van schemer tot schemer dacht ik aan mezelf als aan een biconcaaf wezen, dat noch naar buiten noch naar binnen kon, noch uit zichzelf, noch tot zichzelf geraakte: dat van alle kanten even ontoegankelijk was. Onbereikbaar.’

De zelfdoder zoekt naar manieren om zijn verstoorde band met de buitenwereld te herstellen. Via het manuscript sijpelen zijn gedachten over in die van de nieuwe bewoner. Zijn ‘ik’ neemt intrede in andermans ‘ik’. Zo slaagt de dode erin zijn doel te bereiken. Hij leeft voort buiten de grenzen van zijn eigen hersenpan. Dit lukt alleen omdat de dode zijn ‘ik’ niet langer los ziet van de wereld om hem heen. Hij smelt. Heeft bezit genomen van de kamer, huist in de pagina’s van het manuscript. In tijdelijke zin is zijn lichaam misschien afwezig, dood dus, maar hij is uiteengelopen in de ruimte om hem heen en leeft daarin voort.

Die fluïditeit, waarin het onderscheid tussen mens en omgeving wordt opgeheven, keert meermaals terug in Krzjizjanovski’s verhalen. De omgeving, gewoonlijk slechts achtergrond, treedt vaak op de voorgrond – stuurt soms zelfs het plot. In ‘Quadraturine’ bijvoorbeeld gaat de ruimte, een kamer, door toedoen van de mens zijn eigen leven leiden. Wanneer Soetoelin een experimenteel middeltje op zijn muren smeert dat het aantal vierkante meters van zijn woning moet doen stijgen, verliest hij de controle over het groeiproces. In de oneindige leegte die ontstaat verliest Soetoelin uiteindelijk ook zijn verstand. In ‘Rode sneeuw’ flaneert de werkloze Sjoesjasjin doelloos door de stedelijke ruimte, geleid door flarden van gesprekken die bepalen welke kant het verhaal op gaat. De stedelingen mijmeren over hun ontworteld-zijn:

‘We zijn nog steeds gericht op onze oude omgeving, als boomstronken in een gekapt bos. Maar onze levens zijn reeds lang op de houtstapel gelegd, en niet voor onszelf, maar voor anderen.’

Ook in ‘Gele steenkool’, klimaatfictie avant la lettre, verliest de mensheid de controle over haar leefwereld. Door de opwarming van de aarde dreigt de wereld onbewoonbaar te worden. Oliebronnen en rivieren drogen op. Brandstoffen zijn schaars. Een professor bedenkt een oplossing: hij ontdekt dat het gal van mensen, hun ‘gele steenkool’, opgevangen kan worden en als energiebron kan dienen. Door constante irritaties (oorlogen, te kleine deuropeningen, het verbieden van liefdadigheid) worden mensen wereldwijd in een constante staat van stress gebracht, zodat ze gal blijven produceren. De mens verwordt ineens zelf tot geologische laag. Na eeuwenlang de aarde te hebben uitgewoond, onderwerpt hij zichzelf nu aan het mijnen.

Net als in het titelverhaal vloeit de mensheid samen met de ruimte, als een sediment samengeperst in de grond. Ons ‘ik’ is een beeld dat ons gevangen houdt en aan de hand waarvan we ons distantiëren van de wereld. Krzjizjanovski ontleedt dat ‘ik’. Zijn verhalen bevragen de contouren tussen binnen- en buitenwereld. Ze herinneren ons eraan dat de ruimte niet zo ongeanimeerd is als we denken, en wij mensen niet zo zelfbewust en vrij zijn als we zouden willen geloven. Juist in onze tijd waarin de mens samen met de aarde coauteur blijkt van de geschiedenis, is die boodschap het waard om gelezen te worden.


Lees ook: