Cultuur

Berlin Psychoanalytic

Psychoanalysis and Culture in Weimar Republic Germany and beyond

Veronika Fuechtner
University of California Press, Berkeley/Los Angeles/London, 2011

Door Carl Niekerk, hoogleraar Germanistiek aan de Universiteit van Illinois

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Wanneer we aan de geschiedenis van de psychoanalyse denken, associëren we die meestal met plaatsen als Wenen, Londen of desnoods New York, maar niet met Berlijn. Dat is niet terecht: met name tussen 1910 en 1930 bestond er ook in Berlijn een buitengewoon levendig circuit van niet alleen psychoanalytici en dokters, maar ook van allerlei kunstenaars, intellectuelen en gewone belangstellenden die zich actief met de theorie en praktijk van de psychoanalyse bezighielden en in 1920 het Berliner Psychoanalytisches Institut oprichtten.

Veronika Fuechtner’s Berlin Psychoanalytic reconstrueert deze geschiedenis in detail en laat overtuigend zien dat deze Berlijnse versie van de psychoanalyse een heel ander traject volgde dan de psychoanalytische beweging in Wenen en andere landen. Omdat de Berlijnse tak van de psychoanalyse zich pas vanaf 1910 en daarmee iets later ontwikkelde dan de Weense tak, werd zij in veel grotere mate door de Eerste Wereldoorlog beïnvloed. Veel Duitse psychoanalytici waren gedurende die oorlog als medicus aan het front actief en hielden zich na afloop direct of indirect met het behandelen van oorlogstrauma’s en -neuroses bezig. Interessant is ook, dat de Berlijnse psychoanalyse zich intensief met sociale vragen bezighield en zich politiek met het socialisme en communisme verwant voelde. (Van Freud wordt algemeen aangenomen dat hij progressieve ideeën had, maar het is moeilijk je hem als socialist of communist voor te stellen.) Bij de sociale bewogenheid van de Berlijnse psychoanalyse hoorde overigens ook aandacht voor de maatschappelijke rol van de vrouw en voor homoseksualiteit. Wat de Berlijnse versie van de psychoanalyse verder buitengewoon interessant maakt, is het grote aantal schrijvers dat ook in de praktijk als psychoanalyticus actief was. Met name om deze groep gaat het in Berlin Psychoanalytic.

De bekendste naam in deze groep is zonder twijfel die van Alfred Döblin – niet alleen prominent schrijver, maar in het dagelijks leven arts met een Joodse achtergrond, die nooit echt carrière maakte en met name in de jaren twintig actief was in psychoanalytische kringen. Fuechtner, die onder meer Döblins medische notities over zijn patiënten bestudeerd heeft, laat zien hoe Döblins ideeën vooral door de psychoanalyticus Ernst Simmel beïnvloed werden. Döblin volgde psychoanalytische publicaties op de voet en schreef er ook veel recensies over. Döblins korte psychoanalytisch-geïnspireerde roman Die beiden Freundinnen und ihr Giftmord (1924) is gebaseerd op historische documenten naar aanleiding van een proces tegen twee lesbische vrouwen die ervan beschuldigd werden de man van een van hen vermoord te hebben en hetzelfde plan te hebben met de man van de ander. In een gedetailleerde analyse laat Fuechtner zien hoezeer Döblin in deze tekst door het psychoanalytische denken van zijn tijdsgenoten is beïnvloed, een invloed die overigens ook in zijn latere, veel beroemdere roman Berlin Alexanderplatz (1929) is terug te vinden– iets wat tot nu toe weinig aandacht heeft gekregen.

In tegenstelling tot Döblin is Georg Groddeck een tegenwoordig bijna vergeten auteur van nogal onconventionele romans, die ook als psychoanalyticus actief was en voor wie Freud zelf (althans in het begin van Groddecks psychoanalytische carrière) respect zei te hebben. Groddeck was een vertegenwoordiger van de zogenaamde ‘wilde’ psychoanalyse die zich tegen de medische professionalisering en dogmatisering van de psychoanalyse verzette. Zelf werd hij bekritiseerd, omdat hij in zijn psychoanalytische voordrachten nogal eens intieme details van zijn privéleven prijsgaf.

Fascinerend in Berlin Psychoanalytic is ook het hoofdstuk over de (tegenwoordig eveneens vergeten) Arnold Zweig, die naar Palestina emigreerde en daar met een aantal aanhangers probeerde de Berlijnse psychoanalyse voort te zetten. Ook over Arnold Zweig kan gezegd worden dat bij hem fictie, essay en psychoanalytische case study vaak hand in hand gingen. In een brief aan Freud in 1934 schreef Zweig dat hij weer in psychoanalyse ging om eindelijk de Hitler in hem aan te pakken. Zweig gebruikte zijn eigen emigratie als basis voor een theorie over het emigratietrauma, naar zijn mening belangrijk voor de collectieve psychologie van het joodse volk (een thema dat in zijn latere jaren een steeds dominantere rol zou gaan spelen). Verder fantaseerde Zweig over het idee van een psychoanalytische kleuterschool als effectief middel om Duitsers na de Tweede Wereldoorlog her op te voeden. Overigens publiceerde Arnold Zweig in 1932 onder de titel De Vriendt kehrt heim een historische roman over de Nederlandse dichter Jacob Israël de Haan.

Een van de schilderachtigste figuren in Berlin Psychoanalytic is zonder twijfel Richard Huelsenbeck. In de Duitse literatuurgeschiedenis kent men hem als een van de minder prominente dadaïsten en als vriend van Hugo Ball. Na het eerst een tijdje in nazi-Duitsland geprobeerd te hebben, emigreerde hij in 1936 naar New York om daar als Charles R. Hulbeck niet alleen zijn carrière als arts en psychoanalyticus voort te zetten, maar ook het dadaïsme als alternatieve psychoanalytische therapie te propageren. Huelsenbeck werkte met de eveneens in Berlijn geschoolde Karen Horney samen – iemand wier bijdrage tot de geschiedenis van de psychoanalyse onderbelicht is gebleven. Volgens Huelsenbeck biedt kunst het individu een kans zich op creatieve wijze niet alleen met de vervreemding tussen ‘zelf’ en maatschappij, maar ook met zelfverwerkelijking bezig te houden. De psychoanalytische praktijk zag hij als creatief proces dat langzaam maar zeker naar een articulatie van een onderliggende behoefte toewerkt.

Niet alle in de jaren twintig aan het Berliner Psychoanalytisches Institut verbonden psychoanalytici emigreerden. Een aantal van hen bleef ook toen het instituut werd omgedoopt tot Göring Institut, een nationaalsocialistische organisatie geleid door Matthias Göring, een neef van Hermann Göring. Veel aandacht krijgt dit hoofdstuk in de geschiedenis van de psychoanalyse in Berlijn niet in Berlin Psychoanalytic (hoewel men ter verdediging van Fuechtners beslissing kan zeggen dat er elders wel uitvoerig over gepubliceerd is). Jammer is ook dat Amerikaanse universitaire persen nauwelijks meer titels of citaten in de taal van oorsprong toestaan. Gelukkig is er Wikipedia, waar men de originele titels van alle vermelde teksten gemakkelijk kan vinden.

Berlin Psychoanalytic is een uitstekend boek, waarvan veel valt te leren. Het maakt duidelijk hoe groot de culturele invloed van de psychoanalyse was. Voor de auteurs en intellectuelen die in dit boek besproken worden, was psychoanalyse veel meer dan een medische behandelmethode; het was een visie op de wereld en de positie van de mens daarin. Uiteindelijk sprak uit het psychoanalytische discours ook grote creativiteit, en het zou jammer zijn als die betekenislaag verloren zou gaan. Boeken als Berlin Psychoanalytic zorgen ervoor dat dat niet gebeurt.

Meer van en over Carl Niekerk bij Nexus