Literatuur

Boomgaarden

Een Franse Rilke in het Nederlands

Rainer Maria Rilke
Athenaeum, Amsterdam, 2016

Door Florian Jacobs, filosoof

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

‘En de vindingrijke dieren merken het al, / dat wij niet betrouwbaar bekend zijn / in de geduide wereld’, schreef Rainer Maria Rilke in zijn beroemde De elegieën van Duino. De inherente dubbelzinnigheid in de wereld maakte deel uit van zijn wereldbeschouwing. Enkele jaren na het voltooien van zijn elegieën beproefde hij zijn kunst in het Frans, voor hem een nieuwe dichttaal.

Rilkes Franstalige bundels Vergers (Boomgaarden) en Les Quatrains Valaisans (Walliser kwatrijnen) zijn nu voor het eerst vertaald naar het Nederlands. Althans, ‘herdichtingen’ noemt Jan Kuijper zijn vertalingen: dat belooft meer dan een vertaling. Vertalingen beogen het hervertellen van een geschrift in een andere taal; een herdichting lijkt het gedicht ook opnieuw te willen construeren. In zijn korte nawoord weidt Kuijper niet uit over over zijn keuze voor ‘herdichtingen’ in plaats van het normale ‘vertalingen’ en dus is de lezer aangewezen op de herdichtingen zelf om een antwoord te achterhalen op de vraag: wat maakt een herdichting anders dan een vertaling?

Wat voornamelijk opvalt is dat Kuijper Rilkes rijmschema’s haast letterlijk in stand heeft gehouden. Herdichten lijkt dan ook vooral te betekenen: A-B-A-B blijft, koste wat kost, A-B-A-B. Dit heeft tot gevolg dat de vertaler (of moeten we zeggen: herdichter?) nogal vrij met de inhoud van de poëzie is omgesprongen. Een vertaler moet immers vaak een keuze maken tussen syntactische overeenstemming (zoals hier identieke rijmschema) en betekenisovereenstemming (door met name de inhoud te willen overbrengen naar een nieuwe taal).

Kuijper heeft voor het eerste gekozen, en daar heeft de betekenis van Rilkes woorden aardig onder te lijden. Daarnaast doet de neiging om het eindrijm in stand te houden regelmatig gekunsteld aan, in tegenstelling tot het eindrijm in het origineel, dat Rilke ondersteunde om nauwgezet te schrijven in een taal die zijn moedertaal niet was. Bij Rilke is het vaste rijmschema een kapstok die een nieuwe jas netjes houdt; in de herdichtingen doet het schema eerder aan als een steunplankje voor een net niet juist in elkaar gezette boekenkast. Exemplarisch is het volgende gedicht en zijn herdichting:

33

Het sublieme is een scheiding.
Iets van ons dat zich wendt
en zich zonder begeleiding
aan de hemel went.

Is de kunst in haar uiterste ontmoeting
geen afscheid, hoezeer ook verfraaid?
En muziek: de laatste begroeting
die iemand zichzelf toezwaait!

Dat is kort maar krachtig en elegant gedaan. In het oorspronkelijke Frans staat het er zo:

33

Le sublime est un départ.
Quelque chose de nous qui au lieu
de nous suivre, prend son écart
et s’habitue aux cieux.

La rencontre extrême de l’art
n’est-ce point l’adieu le plus doux?
Et la musique : ce dernier regard
que nous jetons nous-mêmes vers nous!

Het begint met de keuze voor de vertaling van ‘départ’: Kuijper kiest voor ‘scheiding’ en laat dit later rijmen op ‘begeleiding’. ‘Départ’ betekent echter eerder ‘vertrek’ dan ‘scheiding’ (daar gebruiken de Fransen vooral ‘séparation’ voor) en bovendien betekent ‘départ’ ook ‘begin’, zoals in ‘signal du départ’ (startsein). Deze ambiguïteit is overigens essentieel voor begrip van Rilkes (late) werk: hij kiest vaak voor dubbelzinnige woorden en de nauwkeurige lezer komt keer op keer meerdere betekenissen tegen in zijn werk.

Dit gedicht begint dus ook met een dubbelzinnigheid: het sublieme is zowel een vertrek als een begin. Een vertrek waarvan? Van ‘iets van ons dat zich wendt en zich aan de hemel went’. Deze herdichting komt wel overeen met het Frans, alleen het ‘zonder begeleiding’ is nergens te bekennen in het origineel. ‘In plaats van ons te volgen’, staat er letterlijk, en dat is positiever geformuleerd dan het negatieve ‘zonder begeleiding’. ‘Iets van ons’ maakt vooral een bewuste keuze om, in plaats van bij ons te blijven, de hemel op te zoeken en zo ook niet alleen te vertrekken maar ook te beginnen. Dát is het sublieme: iets dubbelzinnigs dat deel heeft aan ons én aan de hemel. Het vertrek dat dat sublieme inhoudt hoeft dan ook in het geheel geen definitieve scheiding van ons te zijn: ‘départ’ impliceert, in tegenstelling tot ‘scheiding’ niets onherroepelijks; het is een afscheid dat een terugkeer niet bij voorbaat uitsluit.

De dubbele betekenis van ‘départ’ (afscheid én begin) keert terug in het begin van de tweede strofe: ‘la rencontre extrême’. Een extreme ontmoeting, veel extremer dan die tussen afscheid en begin kan het moeilijk worden. En wat ontmoet elkaar in die ‘rencontre extrême’? Waarnaar verwijst zij? Naar de kunst, ‘l’art’. De kunst is dus zowel een vertrek als een begin. Dat is wat Rilke schrijft, wat we kunnen onderbouwen met enkele citaten uit Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge, de roman die Rilke aan het begin van de twintigste eeuw in Parijs schreef. Hierin beschrijft hij de muziek als iets wat hem ‘stärker als alles forthob aus mir’, hem ‘nicht wieder dort ablegte, wo sie mich gefunden hatte, sondern tiefer, irgendwo ganz ins Unfertige hinein’ en waarop ‘man aufrecht aufwärtssteigen konnte, höher und höher, bis man meinte, dies müßte ungefähr schon der Himmel sein seit einer Weile’. De muziek, de kunst, verheft hem uit zichzelf, laat hem, als hij terugkeert, ergens anders los dan waar zij hem aantrof en geeft hem de gedachte dat hij op haar naar de hemel zou kunnen stijgen. De kunst als verbintenis tussen hemel en aarde, waarmee we een gedeelte van ons blijvend veranderen omdat het aan de hemel went, dat is precies de strekking van het gedicht dat we nu bestuderen. ‘L’adieu le plus doux’ (het zoetste afscheid) lijkt op het elders loslaten, ‘la musique’ wordt zelfs bij name genoemd en de ‘dernier regard’ (de laatste blik) die we onszelf toewerpen vanaf de hoogte van de hemel lijkt op de gewaarwording van het alsmaar stijgen terwijl we ons al bewust zijn van ons uiteindelijke dalen.

Wat blijft er nu over van al deze diepgang in het Nederlands? De uiterste ontmoeting van de kunst wordt ‘de kunst in haar uiterste ontmoeting’, waarmee de kunst opeens iets anders ontmoet terwijl zij bij Rilke juist zelf die ontmoeting is, ‘doux’ wordt ‘verfraaid’, waarmee de vertaler opsmuk in de tekst smokkelt die bij Rilke nergens te bekennen is. De blik (‘regard’) die tussen hemel en aarde hangt wordt een ‘begroeting’ van ‘iemand’, in plaats van van ons, en ‘jeter’ (‘toewerpen’) wordt ‘toezwaaien’, waarmee de muziek een joviaal ‘hallo!’ wordt in plaats van een sereen en stilzwijgend elkaar aankijken.

Hoe meer er van Rilke beschikbaar is, hoe beter. Zeker aan zijn late, Franstalige werk was in het Nederlands taalgebied nog weinig aandacht besteed. Een lacune voor de poëzieliefhebber, maar ook voor hen die geïnteresseerd zijn in Rilke’s late werk. De Franstalige gedichten vormen namelijk een geschikte inleiding in de late Duitstalige gedichten, omdat zij eenvoudiger zijn opgebouwd en dezelfde thematiek bestuderen. Kuijper heeft er goed aan gedaan de verzen te vertalen naar vlot Nederlands, maar wie Rilkes werk werkelijk wil bestuderen en daarbij alle betekenissen die hij in gedachten had eer wil bewijzen, zal toch de oorspronkelijke tekst moeten uitpluizen. Deze Rilke in het Nederlands is een Rilke voor het slapengaan, en niet een Rilke voor de taalliefhebber. Daarvoor heeft de tekst te veel aan dubbele bodems ingeboet.