Literatuur

Boze geesten

Fjodor Dostojevski
Van Oorschot, Amsterdam, 2017
Vertaling Hans Leerink

Door Jilt Jorritsma, historicus

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

‘Ik herken niets meer’, verzucht Stepan Verchovenski wanneer hij na een verblijf in het buitenland terugkeert naar zijn Russische vaderland. Wat hij aantreft doet in geen enkel opzicht nog denken aan het Rusland zoals hij dat kende. De grote gedachten die hij zo lang heilig had verklaard, zijn door het slijk gehaald, misvormd en verdraaid; zij zijn verworden tot een speeltuig ‘voor domme kinderen’ – revolutionairen. Verchovenski zelf is niets meer dan een ruïne, een vertegenwoordiger van de vorige eeuw. Maar, zo gelooft hij, ‘onze tijd zal terugkeren en zal het wankele, al het moderne weer in vaste banen leiden. Wat zou er anders van komen?’

Een soortgelijke verbijstering zal Fjodor Dostojevski hebben ondergaan toen hij na vier jaar dwangarbeid in Siberië terugkeerde in de vervreemdende werkelijkheid van het Petersburgse stadsleven. Zijn veroordeling tot het strafkamp dankte Dostojevski aan zijn aanwezigheid bij een bijeenkomst in 1849 van de utopisch-socialistische Petrajevski Cirkel, een revolutionaire groep waarin de kiem werd gelegd voor wat later uitgroeide tot een gewelddadig aanvalsplan tegen de bestaande orde. Deze denkrichting, die in 1869 door Sergej Netsjajev onder woorden werd gebracht in de Catechismus van een revolutionair, kenschetst de ware revolutionair als een toegewijd mens, zonder emoties, zonder naam, die slechts leeft voor een enkele gedachte, een enkel doel: de revolutie. Dostojevski zette zich juist af tegen het revolutionaire gedachtegoed en verwerkte zijn bezwaren en ervaringen in Boze geesten (1872), een roman waarin hij de psychotische mentaliteit van de nihilistische revolutionairen probeert bloot te leggen.

Boze geesten is een roman over twee generaties die volledig van elkaar vervreemd zijn geraakt. Het verhaal volgt de ontwikkelingen in een fictieve Russische stad, die langzaam bezwijkt onder de invloed van een nieuwe generatie die zichzelf geroepen ziet de aan ouderdomszwakte lijdende structuren van het land te vernieuwen. Stepan Verchovenski, een hoogmoedige en verfijnde intellectueel, belichaamt de waarden van de oude wereld. Zijn zoon Pjotr – wiens karakter is gebaseerd op dat van Sergej Netsjajev – is een manipulatieve intrigant die Rusland op slinkse wijze in een permanent tumult van omwentelingen en ontwortelingen probeert te storten. Vader en zoon lijken maar weinig te begrijpen van elkaars wereldbeeld. Tijdens de overdracht van culturele idealen op de volgende generatie dragers is overduidelijk iets fout gegaan.

Net als Dostojevski worstelt Stepan Verchovenski met de vraag hoe iets dat als een idealistische, wereldverbeterende gezindheid begon, binnen een paar decennia heeft kunnen veranderen in een waanzinnige, goddeloze kracht die enkel uit is op destructie. Hij leest Toergenjevs Vaders en zonen en Nikolaj Tsjernysjevski’s Wat te doen? in de hoop de generatiekloof te overbruggen, maar pijnigt daarmee enkel zichzelf. Het nihilisme verwijt hij onvruchtbaarheid: het suggereert alleen, zonder te genereren. Dat het de revolutionairen enkel om de suggestie te doen is, blijkt ook uit de woorden die Lenin (een fervent lezer van Tsjernysjevski) enkele decennia later spreekt: ‘Het gaat niet om de overwinning; het gaat erom het regime op zijn grondvesten te doen schudden en de massa’s op de been te krijgen. Dat is het hele punt.’

Boze geesten bevat talloze onbehaaglijke vooruitzichten over de aanstaande revolutie die onder het bolsjewisme werkelijkheid zouden worden. Tijdens een van de bijeenkomsten van de revolutionairen oppert de jonge student Sjigalev dat het uitgangspunt van de onbeperkte vrijheid enkel kan leiden tot de onbeperkte dictatuur. Maar waarom zou je terugdeinzen voor ‘honderd miljoen hoofden’, vraagt Pjotr zich vervolgens af, ‘als bij de langzame papieren dweperijen het despotisme in iedere eeuw niet honderd maar vijfhonderd miljoen hoofden zal verslinden?’ Het is dezelfde gedachtegang waarmee Georg Lukács bijna vijftig jaar later de terreur uit naam van het socialisme legitimeerde. ‘Alleen bloed kan de kleur van de geschiedenis veranderen’, schreef Maxim Gorki. Het is een van de voornaamste imperfecties van het menselijk handelen, dat het object van ons verlangen slechts haalbaar blijkt via zijn tegenstelling.

Terwijl de wereld om hem heen tuimelt, klampt Stepan Verchovenski zich vast aan de schoonheid van Rafaëls Sixtijnse Madonna. ‘Het hele misverstand’, zo redeneert hij, ‘bestaat alleen in de vraag, wat schoner is: Shakespeare of schoenen, Rafaël of petroleum?’ Zonder schoonheid zal niets standhouden. Maar de mensen om hem heen zien niets anders dan vuil.

In het post-Siberische denken van Dostojevski zelf speelde Rafaëls schildering van de Heilige Maagd die het Christuskind in haar armen draagt eveneens een sleutelrol. Hij typeerde het werk als ‘de zuiverste openbaring van de menselijke geest’ en een reproductie ervan prijkte aan de wand van zijn studeerkamer. Het schilderij verbeeldt de idee dat ook uit het menselijke uiteindelijk iets hogers kan ontstaan, een spirituele kracht die in de wereld na Tsjernysjevski verloren lijkt te zijn gegaan. Daarvoor draagt niet alleen de nieuwe generatie schuld, want uiteindelijk is iedereen verantwoordelijk.

Boze geesten behandelt die verantwoordelijkheid. De angst voor het vaderschap is een thema dat meerdere malen terugkeert. Telkens weer wordt er van personages verlangd dat zij de zorg dragen voor vrouwen die zwanger zijn, of lijken te zijn, van kinderen die van andere mannen komen. In hoeverre kan men zich aansprakelijk voelen voor een nageslacht dat in geen enkel opzicht op onszelf lijkt? Hetzelfde geldt voor de overdracht van ideeën. Herhaaldelijk wordt de verantwoordelijkheid voor ideeën afgewezen door personages die hun halfbakken theorieën overgenomen en verdraaid zien worden in de hoofden van bedorven volgers.

Tegen het einde van het boek lukt het slechts één iemand zijn angst voor het vaderschap te overwinnen. De jonge Ivan Sjatov, die zich probeert los te maken van zijn revolutionaire banden, wordt bezocht door zijn vrouw Marja die hoogzwanger van een ander blijkt te zijn. Tijdens de geboorte wordt Sjatov overweldigd door het ontzagwekkende mysterie van de menselijke creatie. Sjatov neemt zijn verantwoordelijkheid, ‘opeens is er een derde mens, een nieuwe geest … zelfs zit er iets angstwekkends in. … En toch bestaat er niets hogers in de wereld!’ Heel even wordt het menselijk bestaan opgetild tot iets hogers, tot een onverklaarbaar en groot geheim. Dit is zijn zoon. De boze geesten zijn verdreven, de bezetene is genezen.