Biografie

Briefwechsel mit den rheinischen Freunden

Heinrich Böll, Paul Schallück und Rolf Schroers

Paul Celan
Suhrkamp, Frankfurt am Main, 2011
Herausgegeben und kommentiert von Barbara Wiedemann

Door Ton Naaijkens, hoogleraar Duitse Letterkunde en Vertaalwetenschap (UU)

Meer over Ton Naaijkens bij Nexus

De afgelopen jaren is het oeuvre van de dichter Paul Celan (1920-1970) enorm uitgebreid door de publicatie van de brieven die hij schreef aan zijn vrouw, zijn redacteuren en uitgevers, zijn vrienden en zijn vriendinnen. De brieven zijn literaire uitingen op zich, hoe ontnuchterend ze soms ook zijn – met name waar het de mens Paul Celan betreft. Vooral de brieven aan zijn vriendinnen hebben de aandacht getrokken, in het bijzonder de briefwisseling met de dichteres Ingeborg Bachmann (1926-1973). Dat laatste heeft niet alleen met de beroemdheid van de twee correspondenten te maken, maar ook met de tragiek van de onbereikbare liefde waardoor hun relatie gekenmerkt wordt. Uiteraard blijft de briefwisseling van Celan met zijn vrouw Gisèle Lestrange de meest ontroerende en aangrijpende: de tragiek ervan is oneindig veel groter vanwege de dood van hun beider eerste kind en de enorme psychische spanningen van de dichter die zichtbaar worden in elk woord dat hij tot zijn vrouw richt; brieven aan de vrouw met wie je het nauwst verbonden bent en die je het vaakst ziet, kunnen niet veel anders onthullen dan de intiemste gronden van je bestaan. Celan blijft echter in elke brief een dichter, een dichter ook die aan een oeuvre werkt. Dat oeuvre valt zozeer samen met zijn persoon dat het scheppen ervan aan alle beslissingen en dus aan alle formuleringen, ook de meest alledaagse, voorafgaat.

De afgelopen jaren zijn de briefwisselingen elkaar opgevolgd, vrijwel allemaal dankzij het voorbeeldige redactionele werk van Barbara Wiedemann. Het is geen kunst om nu de biografie van Celan te schrijven; het is tegelijk ook ondoenlijk om nu de biografie van Celan te schrijven: Wiedemann is dusdanig op de hoogte van alle verwijzingen en feitelijkheden dat je over haar virtuele kaartsysteem moet beschikken om alles op zijn plaats te laten vallen. Het is ook bijzonder dat zij degene is die een becommentarieerde uitgave van de gedichten heeft gemaakt waarin de verwijzingen en feitelijkheden opduiken bij de gedichten. Langzamerhand, samen met de historisch-kritische uitgave van Celans werk door Axel Gellhaus en anderen, langzamerhand spreidt het leven en werk van Celan zich voor onze ogen in alle omvang uit. De gedichten worden er indringender en sterker door; de mens Celan, zoals die uit de brieven blijkt, wordt er menselijker en kwetsbaarder op.

In 2011 verscheen de briefwisseling met zijn ‘vrienden uit het Rijnland’, de schrijvers en generatiegenoten Heinrich Böll (1917-1985), Paul Schallück (1922-1976) en Rolf Schroers (1919-1981): alle drie romancier en goed ingevoerd in het literaire bestel, alle drie ook voormalig soldaat in het leger van Hitler. Alle drie doen zij veel moeite om de jood Celan, schrijver van moeilijke poëzie, onder de aandacht te brengen. Ze ontmoetten elkaar op een bijeenkomst van het schrijverscollectief Gruppe 47, waar Celan bij zijn eerste bezoek aan het naoorlogse Duitsland kwam voorlezen. Hij raakte er onder de bekoring van Ingeborg Bachmann en werd er evenzeer erkend als afgewezen vanwege de bezwerende toon die hij van nature aansloeg. Celan schrijft zijn gedichten om de verschrikkingen van de oorlog te gedenken: in de jaren vijftig een precaire zaak voor elke naoorlogse Duitser. De briefwisselingen verschillen in omvang; die met Böll is klein, die met Schroers groot. Schallück, oprichter van de Keulse bibliotheek over de geschiedenis van het jodendom, houdt in bewondering afstand, wat hij expliciet gepast vindt. Böll neemt het aanvankelijk voor Celan op, geeft hem ook vertaalwerk, maar vindt op een beslissend moment – ten tijde van de plagiaataffaire – geen tijd, iets wat Celan onvergeeflijk acht. Het is pikant om te zien hoe Celan de briefwisselingen doorstaat. Schroers is het bijzonderste geval: die was in 1931 lid van de NSDAP geworden en had het in de oorlog tot Oberleutnant geschopt. Van Celan is de gevoeligheid voor naziverleden bekend en je ziet hem afwachten: wanneer gaat Schroers, een inmiddels nagenoeg vergeten auteur die hij ‘zeer Duits’ noemt, ‘in de betekenis die je eerst afstoot en dan aan het denken zet’, over de schreef? Maar Schroers is juist degene die de discussie aangaat, over schuld praat en de verhoudingen op gepaste wijze probeert te normaliseren. Bij hem is zeker het enorme respect voor Celan en zijn werk zichtbaar.

Maar uit eerdere briefwisselingen was het patroon al bekend: er hoeft maar een woord verkeerd te vallen of Celan zegt de vriendschap op. Dat gebeurt ook hier, ook al is de briefwisseling behoorlijk intens, als Schroers op een gegeven moment betrokkenheid bij executies in Italië in de schoenen geschoven wordt, nota bene door de schrijver Hans-Werner Richter, nota bene zonder overtuigende bewijslast. Celan neemt het hem ook kwalijk het voor hem opgenomen te hebben door eenvoudigweg te spreken over zijn psychische problemen met betrekking tot het verwijt van plagiaat dat hem gemaakt werd: praten erover helpt zijn tegenstanders alleen maar, aldus Celan. Maar het is misplaatst om deze ontwikkelingen te reduceren tot een persoonlijke reactie van een gekweld dichter: zijn allergische reacties geven aan tot welke gevoeligheden de maatschappelijke discussie over het lot van de joden en de schuld van de Duitsers moesten leiden. In een kritiek in de Süddeutsche Zeitung vond Helmut Böttiger echter dat de briefwisseling met Schroers wat hem betreft verbazingwekkend lang aanhield. Hij herinnerde eraan dat Celan bij het eerste bezoek aan Schallück al aan zijn vrouw liet weten dat hij er ‘al te veel sporen van een verleden vol verschrikkelijke dingen’ aangetroffen had. Celan laat Schroers schrijven, is zijn theorie, totdat hij een boek van hem ontvangt waarin hij de talige sporen van de ex-nazi aanstreept. Andere gevoeligheden betreffen de verwevenheid van Schallück met het naoorlogse Duitse letterenveld, waarin Celan, al met al en in een Duits dat dwars door de verschrikkingen van de oorlog heen had moeten gaan, zijn plaats moest veroveren. Door de talloze annotaties van Barbara Wiedemann zijn de toespelingen en de verwijzingen naar de literatuur en de literaire debatten in de jaren vijftig inzichtelijk geworden.

Tussen de briefwisselingen met Celan nemen die met vrouwen een aparte plaats in, zeker met die dichteres Nelly Sachs (verschenen in 1993) en die met zijn vrouw Gisèle Lestrange (2001). Er zijn briefwisselingen met vrouwen die Celan kende uit zijn jeugd in de Boekovina (bijvoorbeeld die met Edith Silbermann uit 2010) en de briefwisselingen met zijn minnaressen: uit 2004 die met Ilana Shmueli, uit 2008 die met Ingeborg Bachmann, uit 2010 die met Brigitta Eisenreich (een zeer bijzondere) en nu die met Gisela Dischner. In 1996 was die al eens verschenen in een privé-uitgave; Roland Bos interviewde haar een paar jaar later en maakte er een behartigenswaardig stuk voor De Parelduiker (2002/1) van.

In 1964 leert Celan Gisela Dischner (*1939) kennen, op dat moment een ondernemende studente germanistiek en filosofie. Tot vlak voor zijn dood correspondeert hij met haar, ondanks de drie opnames in psychiatrische klinieken in die periode. Zij studeert bij Adorno en Horkheimer, verhuist met haar man, de schrijver Chris Bezzel, in 1967 naar Londen en werkt aan een dissertatie over de poëzie van Nelly Sachs. De studie zou ook een hoofdstuk over Celan bevatten. In het interview met Roland Bos is zij openhartig, vertelt over een afspraak in de trein bij Keulen. Ze draagt zwart en rood, ‘de kleuren van de anarchie’ aldus Celan, die haar bovendien de Friezin noemt; in zijn brieven noemt hij haar niet Gisela, de naam die hij exclusief reserveert voor zijn vrouw, maar Ulla. Aan Bos suggereert Dischner wat er tussen de brieven 4 en 5 (tussen eind oktober 1964 en begin februari 1965) gebeurde. In de beschrijving door Gisela Dischner zelf – in de briefwisseling zijn ook haar herinneringen opgenomen – is ze beschouwender en voorzichtiger van toon. Ze beschrijft nu de maanden van geconsummeerde verliefdheid zo: ‘In deze “overschrijding naar het andere” (Deleuze) voltrok zich een wederzijdse verandering zonder de grens van bezit en identificatie over te steken, een wederzijdse belangstelling in de openheid van de relatie.’ Bij Bos spreekt ze van danige verliefdheid en zegt later, om te verklaren hoe dicht ze bij elkaar bleven staan in hun brieven, dat ‘niet alles lichamelijk is’. Ze is openhartig en legt bij Bos meer uit dan nu in de officiële brieveneditie, die in haar geheel minder op sensatie gericht is en beide briefpartners recht wil doen. Daardoor wordt de briefwisseling evenwichtiger en worden de mogelijkheden blootgelegd om de verschillen beter te doen uitkomen in de respectievelijke contexten: Celan, een getrouwde mid-veertiger, getekend door de oorlog, maar omringd door roem; Dischner, een kind van de jaren zestig, intellectueel geschoold, politiek bewust, iemand die de diepten van de poëzie doorgrondt. Voor Celan, die van zijn gedichten een ‘ontmoeting’ verwacht, is zij ongetwijfeld een ideale lezer geweest; hij spreekt net als in alle andere briefwisselingen ook met haar over zijn gedichten en op welke impulsen ze teruggaan. Dischner bewondert hem, maar confronteert hem ook met de ideeën van haar ‘Frankfurtse school’ of breder gezegd: de opvattingen die de tijd haar aandraagt. Hun posities verschillen, zeker als het over Israël en Palestina gaat of over de impact van mei ’68 in Parijs, maar ze blijven in gesprek, tot op het laatst. Ze vraagt hem in januari 1970 of hij nog soms aan haar denkt, na de uiterst moeilijke jaren die hij heeft doorgemaakt. Veel vaker dan soms, luidt zijn antwoord op 26 januari 1970, en hij vraagt om een ontmoeting, ook gezien de ‘nieuwe ijstijd’ die volgens het weekblad Der Spiegel op dat moment nadert. Dat betrekt Celan op zichzelf. Het zijn de luttele maanden die aan Celans zelfgekozen dood in april van dat jaar voorafgaan, in de dagen dat hij een dichtbundel afmaakt waarin de leidraad het spreken na de dood is, vanuit het graf, vanuit de kou van het ijs, de troostende deken van de uiteindelijke sneeuw. De brieveneditie brengt ook de aanloop naar de dood precair en overdonderend in beeld.