Literatuur

Brieven en gedichten van Baudelaire

Bestel deze boeken via ons partnerprogramma met Athenaeum Boekhandel:

 

  • Het gif – Charles Baudelaire
    Vertaald door Peter Verstegen
    Voorwoord Simon Mulder
    HetMoet, 2021

 

Een wittere vore over het wit

Door Sjoerd van Hoorn, essayist en filosoof

Friedrich Nietzsche, wagneriaan van het eerste uur en francofiel van late roeping, noemde Charles Baudelaire in zijn Ecce homo (Warum ich so klug bin, 5) ‘de eerste en wellicht ook de laatste intelligente verdediger van Wagner.’ Volgens Nietzsche heeft de artiest in Europa geen ander thuis dan Parijs, waar de fijnzinnigheid en de psychologische ziekelijkheid heersen, de hartstocht voor vragen naar de vorm, de decadentie van een Delacroix die niet voor niets ook als eerste door Baudelaire verstaan werd… Parijs was volgens Nietzsche dan ook de stad van Wagner. Uiteraard was ze zeker de stad van Baudelaire.

Baudelaire en Wagner kenden elkaar van papier. De eerste was de grote pleitbezorger van de opera’s van de tweede. ‘Vóór alles wil ik u zeggen dat ik het grootste muzikale genot dat ik ooit heb ervaren aan u te danken heb’, schrijft Baudelaire op 17 februari 1860 aan Wagner. Even later vervolgt hij:

Er is overal iets verhevens en verheffends, iets dat hoger wil reiken, iets buitensporigs, iets superlatiefs. Om dit te illustreren aan de hand van vergelijkingen uit de schilderkunst, zie ik bijvoorbeeld een weidse donkerrode ruimte voor me. Dat rood staat misschien voor hartstocht, maar ik zie het geleidelijk, via alle tussenkleuren van rood en roze uitkomen bij het gloeien van een vuurzee. Het lijkt moeilijk, zelfs onmogelijk uit te komen bij iets vurigers; en toch trekt een laatste lichtflits een wittere vore over het wit dat als achtergrond dient. Dat is, zo u wilt, de uiterste kreet van de ziel die tot zijn hoogste punt is gestegen.

Het is interessant om deze passage uit Baudelaires brief aan Wagner te vergelijken met het slot van zijn prozagedicht ‘Le confitéor de l’artiste’ (De belijdenis van de kunstenaar), zoals vertaald door Jacob Groot ‘de studie van het schone is een duel waarbij de kunstenaar het uitschreeuwt van angst voor hij zich gewonnen geeft’. De uiterste kreet van de ziel die Baudelaire bij Wagner hoorde is ook de angstschreeuw in zijn eigen werk, dat zeker in de prozagedichten ook draait om ‘het trekken van een wittere vore over het wit’. Baudelaires brief aan Wagner bevat aldus fragmenten van een poëtica, maar is ook gewoon fanmail van de negendertigjarige dichter aan z’n muzikale idool. ‘Kon ik vanavond maar iets van Wagner horen!’, verzucht hij.

Wagner antwoordt meer dan een jaar later met een vrij nietszeggend briefje vol geklaag over de behandeling die hem ten deel is gevallen en een reeks gemeenplaatsen over het belang van vriendschap en liefde. Baudelaire heeft echter daarvoor al een lang essay over het belang van Wagners muziek gepubliceerd, ‘Richard Wagner et Tannhäuser à Paris’, en als de componist daarvan kennis neemt doet hij hem een uiterst vriendelijk briefje toekomen waarin hij voorstelt elkaar te treffen. Wellicht was dat een formulering uit beleefdheid, maar het verschil met de eerste brief is opmerkelijk.

Wagners muziek heeft iets eindeloos, iets extatisch, iets dat je onophoudelijk bij je jasje pakt en je meetrekt naar weer iets dramatisch. Baudelaire schrijft in de hierboven geciteerde brief dat hij het gevoel had dat ‘ik deze muziek al kende […]; het scheen me toe dat het mijn eigen muziek was, en ik herkende haar zoals ieder mens de dingen herkent die hij voorbestemd is lief te hebben.’ Wat Baudelaire erin herkende was ‘de verhevenheid van de grootste hartstochten van de mens. Je voelt je meteen opgetild en meegesleept’.

Ik citeer zo uitgebreid uit de Wagnerepisode in Baudelaires leven en werk niet alleen vanwege het biografische belang van de plaats van twee kunstenaars in elkaars leven, met Nietzsche als niet bepaald onbetekenende derde partij, maar vooral omdat Baudelaires opvattingen over Wagners muziek ook een nauw verholen zelfportret van de dichter behelzen. Precies zoals Nietzsche opmerkte, delen Wagner en Baudelaire in de décadence, de lichtzinnige ernst van een fanatisme wat betreft de vorm. Ook het opgetild en meegesleept worden door de grote hartstochten verenigt de componist en de dichter. Beide mannen delen deze eigenschappen met Eugène Delacroix, de laatromantische schilder van lugubere oriëntalistische fantasieën.

Baudelaire’s geestelijke verwantschap met Delacroix is geen verrassing voor wie weet dat het grootste deel van zijn oeuvre uit kunstkritiek bestaat. Zoals Walter Benjamin, overigens de auteur van een aantal invloedrijke studies over Baudelaire de grootste literatuurcriticus van zijn tijd wilde zijn, zo had de jonge Baudelaire de ambitie de grootste kunstcriticus van zijn tijd te worden. Ofschoon hij zijn roem vandaag de dag in de eerste plaats aan zijn gedichten te danken heeft, is ook zijn kunstkritiek niet zonder merites, zij het dat de kunstopvatting zoals hij die verwoordt in Le Peintre de la vie moderne wellicht eerder een poëticale opvatting van Baudelaire is dan een opvatting van de beeldend kunstenaar, Constantin Guys, wiens werk hij in die invloedrijke tekst bespreekt.

Baudelaires poëticale opvattingen – schoonheid heeft een eeuwige en een tijdelijke component en het typisch moderne schuilt in het verbeelden van het hedendaagse, het vergankelijke en het dagelijkse – zijn overigens niet uitsluitend persoonlijk. Baudelaire is de schepper van de moderniteit in haar vroegste vorm. Het stedelijke leven zoals een Renoir het verbeeldt, de wat groezelige seksualiteit van Manet en Toulouse-Lautrec, maar evenzeer de verloren jongemannen van T.S. Eliot, vinden allemaal hun voorafschaduwing in de gedichten en prozagedichten van Baudelaire.

Het is dit jaar tweehonderd jaar geleden dat Baudelaire werd geboren, en ter gelegenheid daarvan zijn ook in het Nederlands verschillende nieuwe publicaties verschenen. Hierboven citeerde ik al uitgebreid uit Kiki Coumans’ in de Privé-domein-reeks van de Arbeiderspers verschenen vertaling van een uitgebreide selectie van Baudelaires correspondentie, getiteld Mijn hoofd is een zieke vulkaan. Schrijvers doen een groot deel van de tijd dingen die iedereen doet en daarover lezen is niet per se interessant, zelfs niet wanneer ze een flink gat in hun hand hebben, zoals Baudelaire. Niettemin is Mijn hoofd is een zieke vulkaan een must-have voor wie Baudelaire in het Nederlands wil lezen, want de band bevat ook de belangrijke brieven waarin Baudelaire zich uitlaat over de literatuur. Coumans’ vertaling is glashelder en haar inleiding biedt een uitstekende beknopte biografie van de dichter.

Haar opmerking dat alleen Menno Wigman en Petrus Hoosemans zich maar bekommerd hebben om Baudelaire kan echter naar het rijk der fabelen verwezen worden. Wigmans eveneens door Coumans bezorgde Baudelaire vertalingen hebben hun merites – Hoosemans is wat mij betreft volstrekt onleesbaar – maar wie tekstgetrouwe vertalingen van al Baudelaires gedichten wil lezen, kan niet heen om de integrale vertaling die Peter Verstegen maakte van Les Fleurs du mal. Uit deze editie is nu een bloemlezing met zestien gedichten verschenen bij uitgeverij HetMoet. De inleiding van letterkundige Simon Mulder is flamboyant en onderhoudend, maar leidt aan het ernstige gebrek dat Mulder denkt dat Baudelaire het kwaad leuk vond. Mulder schrijft: ‘met zijn werk zette [Baudelaire] als eerste ‘gedoemde dichter’ (poète maudit) een viering in van wat door de gewone man wordt beschouwd als het exces, het onnatuurlijke en het ongezonde; een viering die tot een hoogfeest werd.’ Mulders lezing vindt ongetwijfeld veel weerklank bij aanhangers van de subcultuur die ‘Gothic’ genoemd wordt, maar hij berust op een foutieve interpretatie van Baudelaire; van een viering is bij nader inzien helemaal geen sprake.

Zoals de lezers van teksten als Mon coeur mis à nu weten, was Baudelaire een metafysische pessimist die de erfzonde als het kenmerk bij uitstek van de mens zag, zonder het overigens ooit over de redding door Christus te hebben. Volgens Baudelaire moet de mens, dat wil zeggen de man – vrouwen zijn volgens hem een gedaante van het kwaad – streven naar het hogere. Hij is wellicht eerder dan een katholiek een gnosticus, een trek die je ook terug kunt vinden in de opera’s van Wagner waar hij zich zo in herkende. Dit streven naar het hogere is in het aardse bestaan makkelijk de ondergang van de dichter, zoals Baudelaire verbeeldt in ‘De albatros’. Ik citeer de laatste strofe in de vertaling van Verstegen:

De Dichter is gelijk die prins der hemelsferen.
Hij die met storm verkeert, lacht boog en schutter uit;
Gebannen aan de grond, waar spotters hem kleineren,
Hebben zijn vleugels, zo enorm, zijn gang gestuit.

Baudelaire schildert hier een duidelijk contrast. In de sferen van het burgerlijke leven is zijn wens op grote voet te leven, zich volledig onder te dompelen in de kunst en andere vormen van de roes (‘je moet altijd dronken zijn’, zoals hij het formuleert in het gelijknamige prozagedicht) iets dat hem belemmert in zijn gang, net als de enorme vleugels van de bezongen vogel als hij op de grond zit; hij is een beetje lachwekkend door zijn buitenissige leefstijl, hij waggelt onhandig rond, beneveld door drank en opium. Maar in de literatuur, is ‘hij die met de storm verkeert’ allerminst een onderwerp van spot: hij is als de albatros, ‘een prins der hemelsferen’.

Het gedicht toont ook wat ik de verticaliteit van Baudelaires wereldbeeld zou willen noemen. De werkelijkheid is verdeeld in het hoge en het lage. De dichter probeert op te stijgen, zich te onttrekken aan het aardse bestaan van wat louter materie is. Veel gedichten in Les Fleurs du mal hebben de thematiek van het ontsnappen aan de banaliteit, niet zelden via de omweg van wat nog lager is dan de banaliteit, het kwade, het lelijke waar de dichter zich op stort in beide zinnen van dat woord. Hij gaat erin op én hij bestrijdt het met al zijn wegkwijnende kracht. Uit die botsing van krachten ontstaat deze schitterende poëzie. Baudelaire heeft eens gezegd dat men hem modder gegeven had en dat hij er goud van had gemaakt. Van die alchemie zien we hier een staaltje. Al is ook de dichter zelf gemaakt van aardse klei, van modder, hij maakt er onaards goud van.