Literatuur

De begraafplaats van Praag

Umberto Eco
Prometheus, Amsterdam, 2011

Door Liliana Jansen-Bella, Cultuurwetenschapper

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Is het mogelijk valsheid met fictie te bestrijden, met de kunsten van de verbeelding de listen van de leugen te ontkrachten?  Dat is de uitdaging die Umberto Eco aangaat in zijn zesde roman, De begraafplaats van Praag. De hoofdpersoon, Simone Simonini, is een kundig vervalser van notariële akten, brieven, bekentenissen en verslagen van de politie en van de geheime dienst. Maar het meesterstuk waar hij, door haat en geldzucht gedreven, jarenlang aan werkt, is het document dat bewijst dat de joden op slinkse wijze de wereldheerschappij nastreven: De Protocollen van de Wijzen van Zion. Door de werkwijze van de vervalser in kaart te brengen en het ontstaansproces van dit valse bewijsstuk te reconstrueren, tracht Eco het effectief te deconstrueren.

De begraafplaats van Praag bij nacht is de plek waar Simonini de bijeenkomst ensceneert van de rabbijnen, die daar hun sinistere plannen smeden. De keuze voor een suggestieve mise-en-scène is al een duidelijke aanwijzing dat de samensteller van de Protocollen niet anders te werk is gegaan dan de schrijver van een roman en in het bijzonder van een feuilleton uit de negentiende eeuw – de tijd waarin de handeling zich afspeelt. Tussen fictieve tekst en tekstvervalsing lijkt aldus geen duidelijk verschil te bestaan: kunsten en listen, verbeelding en leugen spelen een rol in elk geschrift dat de lezer wil overtuigen, voor zich wil winnen. En als Eco en zijn tegenspeler, wiens tekst al meer dan een eeuw oud is,  met gelijke wapens strijden, is de zege van de eerste allesbehalve verzekerd.

Door de inzet van een negatief personage als hoofdpersoon gaat Eco een tweede uitdaging aan: kan hij de lezer verleiden meer dan vierhonderd bladzijden lang met een slecht mens te verkeren, die 67 jaar herdenkt van een leven vol opportunisme, bedrog, verraad, moord en doodslag? We leren Simonini kennen op het moment dat hij, oud, ziek en geestelijk ontredderd, een dagboek begint bij te houden in de hoop een antwoord te vinden op de klemmende vraag: ‘Wie ben ik?’ Hiermee zijn de neiging tot medeleven en de nieuwsgierigheid van de lezer al gewekt. De dagboekvorm brengt een intieme relatie tot stand: wie leest, wordt medestander van wie zijn doen en laten op schrift stelt. Opgesloten in zijn huis, boven de rommelwinkel die als dekmantel dient voor zijn louche zaken, wordt Simone bovendien belaagd door de ongrijpbare abt Dalla Piccola. De geestelijke, wiens priesterkleed hij soms gebruikt voor zijn vermommingen, is zijn leven binnengedrongen, laat tekens van zijn aanwezigheid achter en schrijft zelfs mee aan het dagboek. Uit zijn toevoegingen blijkt dat hij verdacht veel weet over Simone. Wie is deze geniepige figuur?

De competente lezer begrijpt al gauw dat het om een dubbelganger gaat. Daarmee wordt het narratief perspectief verdubbeld, waarna het verrijkt wordt met een derde, ‘neutrale’ verteller die voor achtergrondinformatie, sfeertekening en ordening zorgt. De drievoudige invalshoek legt een brede basis onder het verhaal, dat in flashbacks en bij flarden verteld wordt vanwege het haperende geheugen van de hoofdverteller. Hiermee zijn de voornaamste elementen aanwezig van een complexe vertelstructuur die de ambitie van de schrijver – tevens semioloog – verraadt om theorie en praktijk van het literair handwerk zorgvuldig op elkaar af te stemmen. Eenzelfde preoccupatie geldt voor de afstemming van vorm en inhoud.

Simonini krijgt een spannend leven toegedicht. Zijn lotgevallen spelen zich af in de schaduw van de geschiedenis, in contact met intrigerende jezuïeten, complotterende vrijmetselaars, aanslagen beramende revolutionairen, enkel-, dubbel- en contraspionnen, alsook occultisten, hypnotiseurs, satanisten. Dat alles toont eens te meer dat Eco zich uitstekend heeft ingelezen en de verleiding om al zijn bijzondere vondsten mee te delen nauwelijks heeft kunnen weerstaan. Simonini dient als kapstok om al die gegevens te dragen en riskeert onder het gewicht ervan te bezwijken.

Eco heeft veel zorg besteed aan de ‘authenticiteit’ van zijn product, onder meer door zijn lexicon en stijl te kleuren met het proza van de feuilletonschrijvers en door passende illustraties uit zijn eigen verzameling toe te voegen. De beschrijvingen van de routes door het laatnegentiende-eeuwse Parijs  zijn bijzonder evocatief voor de ‘historische sensatie’. De eetobsessie van Simone is bovendien aanleiding voor de (modieuze) toevoeging van originele recepten. In een toelichting achteraf verzekert Eco de lezer: ‘Alle andere personages [dan de hoofdpersoon] hebben werkelijk bestaan en hebben de dingen die ze doen en zeggen in deze roman ook daadwerkelijk gedaan en gezegd.’ Deze ironische verzekering biedt de lezer geen soelaas: wat waar is in de werkelijkheid, hoeft niet per se geloofwaardig te zijn in fictie!