Literatuur

De blikken trom

Het leven van een gebochelde dwerg

Günter Grass
Meulenhoff, Amsterdam, 2016

Door Hans Bertens, hoogleraar Twintigste-eeuwse literaire en intellectuele geschiedenis

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

De blikken trom (Die Blechtrommel) van de in 2015 overleden Günter Grass, oorspronkelijk gepubliceerd in 1959 en vrij snel daarna ook in het Nederlands verschenen, is in 2009 opnieuw uitgebracht in een nieuwe vertaling van Jan Gielkens die nu herdrukt is. Het is een genoegen om vast te stellen dat de gevreesde tand des tijds na ruim vijftig jaar nog geen enkel vat heeft gekregen op dit brutale, wilde, irritante en mateloos inventieve boek, dat ondanks zijn ruim 660 pagina’s geen ogenblik – nou ja, vrijwel geen ogenblik – verveelt.

De hoofdpersoon van De blikken trom is de dertigjarige Oskar Matzerath, één meter drieëntwintig lang en gebocheld, die ons het verhaal van zijn leven vertelt vanuit de inrichting waarin hij, verdacht van moord, ter observatie is opgenomen. Dat leven begon in 1924 in Danzig, destijds een vrije stad die noch onder Pools noch onder Duits gezag viel, maar het verhaal waaiert uit naar Oskars grootouders, naar de veelbewogen geschiedenis van Danzig, naar de Kasjoebische minderheid waartoe zijn grootmoeder behoort – alles kan in dit encyclopedische boek een plaats krijgen. We horen over lugubere praktijken bij het palingvissen in de Oostzee, over het typisch Duitse kaartspel skaat, over de geheimen van het steenhouwen – als Oskar tijdelijk namen op grafzerken beitelt – en tal van andere niet altijd duidelijk ter zake doende dingen. Dat vertellen gebeurt vrijwel altijd door Oskar zelf, die daarbij echter niet altijd gebaande wegen volgt. Zo krijgen we een hoofdstuk in sprookjesvorm met een steeds weer herhaald ‘Er was eens…’ en een hoofdstuk in de vorm van een toneeltekst:

‘LANKES begroetend: Dora Zeven, een korporaal, vier manschappen. Geen bijzonderheden!

HERZOG: Dank u! Plaats rust, korporaal Lankes…’

Soms krijgen we herhalingen van eerder verhaalde scènes of gebeurtenissen, maar nu alsof ze worden herbeleefd in een droomtoestand, met irreële nieuwe wendingen of zelfs een heel andere afloop. En Oskar laat de ik-vorm veelvuldig varen om zichzelf in de derde persoon op te voeren, wat de indruk wekt dat hij zichzelf afstandelijk observeert – een gewoonte die aansluit bij het doel van zijn gedwongen opname en tegelijkertijd suggereert dat er inderdaad misschien goede redenen voor die opname zijn.

Al vanaf het begin van de roman dient de lezer dus op zijn hoede te zijn. Vrijwel onmiddellijk laat Oskar zich ontvallen dat de verhalen die hij zijn verzorger vertelt ‘voorgelogen’ zijn en als die verzorger hem de vijfhonderd vellen papier heeft gebracht waarop Oskar zijn levensverhaal zal gaan vastleggen, krijgen we een – mogelijk veelbetekenende – beschouwing over het schrijven van romans.

Het valt bovendien niet mee om Oskars verhaal letterlijk te nemen. Zo moeten wij geloven dat hij geestelijk volledig volwassen ter wereld is gekomen en dat hij op zijn derde verjaardag, als hij negentig centimeter meet, besluit om niet meer te groeien om geen deel te hoeven nemen aan het kleinburgerlijke bestaan van zijn ouders – zijn moeder gaat weliswaar op een vaste dag in de week met haar minnaar naar bed maar ondermijnt die ongehoorzaamheid aan de burgerlijke moraal ook elke week weer in de biechtstoel. We moeten geloven dat Oskar met zijn stem glas kan doen springen, zelfs op grote afstand, dat hij na verloop van tijd zelfs cirkelvormige gaten in etalageruiten kan snijden, dat hij in de nadagen van de oorlog een criminele scholierenbende leidt, dat hij na de oorlog besluit om toch maar door te gaan met groeien, enzovoort.

Soms geeft Grass de lezer de kans met een sceptisch oog naar Oskars beweringen te kijken. Oskar heeft zich, naar eigen zeggen, van de keldertrap op zijn hoofd laten vallen zodat zijn groeistilstand daaraan zou worden toegeschreven, wat ook inderdaad gebeurt. Maar de lezer kan besluiten dat Oskar per ongeluk door het openstaande luik is gevallen en de feiten verdraait ter wille van de illusie dat hij greep op zijn lot heeft. Wat die feiten in dit geval ook zijn, alles suggereert dat Oskar een onbetrouwbare verteller is.

Hoe het ook zij, Oskar groeit niet meer, maar begint te trommelen op een speelgoedtrom, elke dag en uren aaneen, hij groeit uit tot veelgevraagd drummer die rijk wordt van optredens en de verkoop van platen. Hij trommelt bij wijze van zelfexpressie, om het verleden op te roepen, om met de buitenwereld te communiceren, maar ook om anderen te manipuleren. Dat Oskar zich heeft afgekeerd van de wereld der volwassenen betekent niet dat hij in moreel opzicht boven die volwassenen staat. Grass waakt er zorgvuldig voor zijn hoofdpersoon een moreel superieure status te geven.

Oskar leert lezen aan de hand van fragmenten uit een boek over Raspoetin en uit een boek van Goethe – Dionysius en Apollo, zoals hij zelf zegt. Soms neigt hij er naar Jezus te zijn, en hij laat zich ook zo noemen door zijn scholierenbende, dan weer is hij Satan, zoals hij de verpleegster voorhoudt die hij in het donker tracht te verkrachten. Met zijn kille kijk op zijn omgeving en zijn gebrek aan empathie kan hij geen sympathiek karakter worden genoemd. Hij ontwikkelt zich ook niet in de loop van het verhaal – wat trouwens niet verwonderlijk is als hij inderdaad geestelijk volwassen ter wereld is gekomen.

Grass neemt een groot risico met een dergelijke hoofdpersoon, ook al omdat we eigenlijk nooit zeker weten wat we van diens verhalen en beweringen moeten geloven. Maar dat doet er eigenlijk niet veel toe. Via Oskars vooroorlogse leven, de oorlogsjaren in Danzig en naoorlogse bestaan in West-Duitsland – de ‘huidige bloeiende biedermeyertijd’ zoals hij sarcastisch opmerkt – geeft Grass ons een weliswaar fragmentarisch maar toch indringend beeld van de opkomst van het nazisme, van de onvoorstelbare gewelddadigheid van de oorlog en van het Duitsland van de wederopbouw.

De oorlog mag dan niet centraal staan in het episodische en tragikomische verhaal, maar is toch nadrukkelijk aanwezig omdat Oskar zo afstandelijk verslag doet van wat hij ziet en meemaakt. Het vooroorlogse Danzig, dat met liefde wordt opgeroepen, wordt vernield, er wordt zinloos gemoord, voorheen oppassende burgers doen alles om zich het vege lijf te redden, een joodse overlevende komt volledig gedesoriënteerd terug uit een vernietigingskamp. Grass brengt dat alles onder in een complex fictief raamwerk dat ons uitdagend en brutaal aankijkt en ons onverbiddelijk voor zich wint.