Geschiedenis

De bronnen van het vaderland

Taal, literatuur en de afbakening van Nederland 1806-1890.

Joep Leerssen
Vantilt, Nijmegen, 2011
tweede druk

Door Joris Janssens, directeur Vlaams Theater Instituut

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Enige tijd geleden schreef de populaire Vlaams-nationalistische politicus Bart de Wever in de krant De Standaard een opiniestuk over hedendaagse kunst. Daarin stelde hij de vraag of die kunst ‘nog een echte impact heeft op de brede samenleving’. Dat zou vandaag niet het geval zijn, zo suggereerde hij, maar ooit was dat het wel. ‘Voor de negentiende eeuw stonden kunst, individu en gemeenschap in een veel nauwere relatie tot elkaar. Kunst was nog niet de hoogst individuele expressie van hoogst individuele gevoelens, maar de vertaling van hoe een gemeenschap de werkelijkheid zag en machtsrelaties ervoer.’ Wie Joep Leerssens De bronnen van het vaderland leest, wordt van zo’n uitspraak achterdochtig. Is het niet naïef te denken dat kunst vóór de Tachtigers – want De Wever beschouwt de tijd van Willem Kloos als kantelmoment – simpelweg de ‘vertaling’ was van het denken en voelen van een gemeenschap? Eerder werd kunst, en zeker ook literatuur, als medium ingezet om vaak stereotype, maar soms ook vernieuwende of tegendraadse denkbeelden over de gemeenschap te verspreiden en breder ingang te doen vinden. Over wat een gemeenschap bindt, maar ook wat haar van andere collectieven onderscheidt, waar haar grenzen liggen. Door de herhaling en het hergebruik van dergelijke beelden vormt zich dan gaandeweg een canon, een culturele traditie, maar ook een politieke verbeeldingsruimte. Die kan in nieuwe kunstwerken worden bekrachtigd of juist tegengesproken.

Hoe zulke processen precies verlopen, valt gedetailleerd na te lezen in De bronnen van het vaderland van Joep Leerssen, hoogleraar Europese studies aan de Universiteit van Amsterdam. Het is een boek over hoe de grenzen van Nederland en Vlaanderen in de loop van de negentiende eeuw (1806-1890) vorm kregen en gaat vooral over de rol die taal- en letterkundigen daarbij speelden. Oorspronkelijk verscheen dit boek in 2006, vorig jaar kwam er een tweede druk.

De wortels van de hedendaagse filologie liggen in de negentiende eeuw. In deze periode werd ook het grondplan van Europa grondig hertekend. Die gelijktijdigheid is volgens Leerssen niet toevallig. In de negentiende eeuw zagen vele moderne naties het levenslicht, waaronder ook Nederland en België (waarbinnen zich gaandeweg ook een Vlaamse gemeenschap articuleerde). In dat revolutionaire politieke klimaat van de negentiende eeuw was het van het grootste belang dat het bestaan van die moderne naties gelegitimeerd werd. Diverse strategieën werden gehanteerd om de pas verworven nationale eenheid meer vaste grond te geven. Eén daarvan bestond eruit de culturele wortels van de natie in het verleden aan te wijzen. Om het ontstaan van de natie te ontdoen van de contingentie van contemporaine politieke constellaties, moesten de ‘bronnen’ van het vaderland in het verleden worden gezocht en binnen een modern kader worden toegeëigend en opnieuw geïnterpreteerd.

De ontluikende filologie speelde daarbij een belangrijke rol. In het discours over de grenzen van de Lage Landen hebben taal- en letterkundigen uit binnen- en buitenland – Jacob van Lennep, Jan Frans Willems, Hoffmann von Fallersleben, Ernst Moritz Arendt en Jacob Grimm – een bepalende rol gespeeld. Voor een belangrijk deel werden zij gedreven door theoretische nieuwsgierigheid. Dat heeft de ontwikkeling van de filologie in de negentiende eeuw een sterke impuls gegeven. Maar hun demarche was onthecht noch vrijblijvend. In een reeks van casestudies laat Leerssen overtuigend zien dat wat zij schreven ook het resultaat was van geopolitieke aspiraties én interne concurrentie binnen hun vakgebied. Deze beide factoren motiveerden de filologen om lang en diep in de archieven te duiken. De ontdekking van een nieuw en belangwekkend manuscript verhoogde immers niet alleen het eigen wetenschappelijke prestige, het kon ook argumenten bieden om de grenzen tussen naties te verstevigen of ter discussie te stellen. Uiteraard waren deze filologen het vaak met elkaar oneens. Dit maakt het hele denken over de identiteit van een gemeenschap zeer dynamisch, fragiel en niet gespeend van tegenstrijdigheden.

Over de geopolitieke dimensie of discursieve fragiliteit van natievormingsprocessen ontwikkelt Leerssen in mindere mate theoretische argumentaties. Met een aantal goed gekozen casestudies laat De bronnen van het vaderland zien hoe nationale identiteiten en tradities in de praktijk tot stand kwamen. De casestudies zijn interessant omdat ze gaan over het hart van onze canon, over iconen van ons nationale culturele zelfbewustzijn. Veel aandacht gaat bijvoorbeeld naar de casus van Reinaert de Vos, een dier dat in de Nederlandstalige, maar ook in Duits- en de Franstalige literatuurgeschiedenissen opduikt. Dat was niet zozeer het gevolg van de sluwe aard van dit dier, maar van complexe processen van toe-eigening en herinterpretatie. Leerssens analyse suggereert dat het verhaal van Reinaert in de Middeleeuwen wijdverbreid was in een pre-nationale Europese culturele ruimte. Maar vooral belicht hij de moeite van negentiende-eeuwse letterkundigen om het dier een nationale identiteitskaart in de pels te schuiven.

Intrigerend is ook de verschuivende beeldvorming over de Middeleeuwse minnezanger Hendrik van Veldeke. Die stond tot halverwege de negentiende eeuw simpelweg bekend als een Duits dichter. Maar na de ontdekking en de nauwkeurige filologische exegese van een tot dan toe onbekend manuscript kon hij plots als een ‘Limburgs’ auteur worden getypeerd – en bijgevolg niet alleen voor de Duitse, maar ook voor de Nederlandse, Vlaamse of zelfs Belgische letteren worden geclaimd.

Verder leren we over de merkwaardige oorsprong van de ‘blauwvoet’, de mythische vogel uit de verzen van de West-Vlaamse negentiende-eeuwse dichter Albrecht Rodenbach. Dat de ‘blauwvoet’ een vogel zou zijn die symbool werd voor de dappere Vlaamse kerels, ontmaskert Leerssen als het resultaat van een hilarische opeenstapeling van misverstanden, schrijffouten en etymologische fantasie die nota bene zijn oorsprong vindt in een verkeerde interpretatie van de verhalen over Reinaert de Vos… Nationale symbolen worden broos wanneer ‘de bronnen van het vaderland’ van hun aura worden ontdaan. Berust het denken en voelen van een gemeenschap op een reeks misverstanden?

De bronnen van het vaderland is een boek over filologen die selectief – door cherry picking – omgaan met het verleden. Dat deden ze deels uit eigenbelang, maar ook omdat ze dachten dat het goed was voor de groep. Dit boek gaat over de stroomlijning van een pre-nationaal verleden in het licht van negentiende-eeuwse politieke constructies. De nationale clichés en stereotypen blijken allerminst versteend, maar flexibel, kneedbaar en veelzijdig inzetbaar. Tegen De Wever zou je dus kunnen inbrengen dat literatuur niet zozeer de verklanking was van wat leefde binnen een gemeenschap. Ze was een actieve vormgevende kracht. Maar De Wever zou je dan misschien antwoorden dat we net dát vandaag kwijtgeraakt zijn. Want dat het werk van Leerssens filologen – ondanks alle schijnmanoeuvres, contingentie en knulligheden – in de negentiende eeuw ‘nog een echte impact’ had ‘op de brede samenleving’, dat staat na het lezen van dit boek als een paal boven water.