Literatuur

De essays

Jorge Luis Borges
De Bezige Bij, Amsterdam, 2016
vertaling Barber van de Pol
Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

 

Door Thomas Heij, filosoof en Nexus-redacteur

‘Ieder mens heeft op zijn vijftigste gevoeligheden, ironieën, obsceniteiten en een grote hoeveelheid anekdotes opgehoopt: Burton schudde ze leeg in zijn noten’, schreef Jorge Luis Borges. Hij was zelf pas 36 toen hij dit schreef in een essay over Sir Richard Burton, de grote avonturier en vertaler van Duizend-en-één nacht. Hoewel het met de obsceniteiten wel meevalt, kunnen we hetzelfde zeggen over Borges’ essays. Gevoeligheden, anekdotes, obsessies en ideeën: Borges schudde ze leeg in zijn essays.

Dat Borges op aanzienlijk jongere leeftijd al zulke stellige beweringen deed over de ervaring van een vijftigjarige is typerend voor hem. Hij had misschien ook een voorgevoel van de uiteindelijke omvang van zijn eigen werk en bezat in ieder geval de wilskracht om die indrukwekkende hoeveelheid verhalen en ideeën te verzamelen en ze vervolgens allemaal op te tekenen. Tussen zijn 26e en 81e schreef hij honderden essays, waarvan de bundel De essays er iets meer dan honderd bevat. Het resultaat: een lijvig en onwaarschijnlijk rijk boekwerk.

Borges’ essays zijn geen behoedzame afwegingen of voorzichtig tastende onderzoekingen; het zijn stukken die blaken van het zelfvertrouwen. Nog een voorbeeld van Borges’ zelfverzekerdheid: over Ulysses van James Joyce schreef Borges in een essay uit zijn jonge jaren het volgende:

Ik beken dat ik niet alle zevenhonderd bladzijden heb doorgeworsteld, ik beken dat ik alleen fragmenten heb gelezen en toch ken ik het, met die avontuurlijke, gerechtvaardigde zekerheid waarmee we beweren een stad te kennen zonder te doen of we vertrouwd zijn met alle straten die er deel van uitmaken.

Vertaalster Barber van de Pol vermeldt in haar uitgebreide voorwoord op de bundel dat Borges zich op latere leeftijd geneerde voor zijn vroege essays. Hij vond ze te pedant. Het is inderdaad wat pedant om allerlei stellige uitspraken te doen over Ulysses als je het werk niet geheel hebt gelezen, maar Borges’ excuus is met zo veel flair opgeschreven, dat je het hem als lezer snel vergeeft.

De essays zijn eclectisch, maar niet chaotisch. Er zijn duidelijke thema’s, onderwerpen waarover hij niet uitgeschreven raakte, bijvoorbeeld zijn literaire helden: Whitman, Wells, Wilde, en vooral Cervantes en Dante.

Vanaf zijn 46e schreef hij een negental essays over Dante en De goddelijke komedie, volgens hem ‘het beste boek dat ooit door de mensheid is geschreven’. De opening van een van deze essays is net iets genuanceerder dan die van zijn essay over Joyce, maar evenwel onmiskenbaar Borges: ‘Ik heb net zo min als wie ook alle commentaren op Dante gelezen, maar ik vermoed dat ze in het geval van het beroemde vers 75 van het voorlaatste canto uit de Hel een probleem hebben geschapen dat een gevolg is van de vage grens tussen kunst en werkelijkheid.’

De vraag is of de opgesloten en hongerige Ugolino in dit vers zijn eigen kinderen opeet of niet. Dante suggereert het, maar het staat er niet expliciet. Waar alle eerdere exegeten voor een van beide opties kozen – meestal voor de variant zonder kannibalisme – laat Borges beide versies bestaan en grijpt hij de specifieke kwestie aan voor een algemene stelling over literatuur. Ugolino eet zijn kinderen wel én niet. ‘In de echte tijd, in de geschiedenis, kiest een mens iedere keer dat hij voor diverse alternatieven staat voor één ervan en elimineert en verspeelt de andere; zo is het niet in de ambigue tijd van de kunst […].’

Niet alleen zijn literaire helden, maar ook de taal zelf is een opvallend thema. Borges is bijvoorbeeld verzot op de absurde opvattingen van kabbalisten. Hij deelt hun inhoudelijke opvattingen niet, maar is geïnteresseerd in hun vreemde methodes en vooral de idee dat een tekst door God gegeven is en omgekeerd dat God zich manifesteert in geschreven woorden.

Ook het essay ‘De analytische taal van John Wilkins’ is een goed voorbeeld van Borges’ liefde voor het schrijven over taal. De vergeten cryptograaf John Wilkins bedacht in de 17e eeuw een eigen taal, waarin elk woord zichzelf definieert. ‘Bijvoorbeeld: de staat voor element; deb voor het eerste van de elementen, vuur; deba voor een deel van het element vuur, vlam’, enzovoorts. Net als bij de kabbalisten krijgt zo iedere letter een speciale betekenis. Het doet Borges denken aan een oude Chinese encyclopedie waarin de dieren zijn ingedeeld in a) toebehorend aan de keizer, b) gebalsemd, c) getemd, d) speenvarkens, e) zeemeerminnen, en zo voort en zo verder. Prachtige vondsten van Borges, die ons erop wijzen dat het toch eigenlijk maar vreemd is dat we al onze triviale alledaagse woorden en indelingen vanzelfsprekend achten.

Een laatste voorbeeld is Borges’ vergelijking van de verschillende vertalingen van Duizend-en-één nacht – een tekst waar hij keer op keer op terugkomt. Voor de preutse Jean Antoine Galland en Edward Lane waren de sensuele en seksuele scènes een groot probleem, en dus sneuvelden hele passages; de ‘onvergetelijke’ versie van Burton barst juist van het vulgaire en obscene; J.C. Mardrus verzint er van alles bij en is ‘verrukkelijk onbetrouwbaar’; en Enno Littmann laat ten slotte geen woord weg en ‘schrikt zelfs voor de meest onuitsprekelijke obsceniteiten niet terug: hij giet ze in zijn kalme Duits’. Borges veroordeelt geen van alle en je krijgt zin om direct alle edities te lezen.

De grote hoeveelheid feiten en ideeën in Borges’ essays heeft een keerzijde: het gaat ten koste van de diepgang. Bijvoorbeeld Geschiedenis van de engelen komt, ondanks de verleidelijke titel, niet veel verder dan een aantal korte schetsen van wat er over engelen is geschreven. Sommige essays lijken daardoor eerder voorbereidingen of overblijfselen van het onderzoek dat hij deed voor zijn fictieverhalen. Borges’ essays draaien dus niet om grondig doordenken en beargumenteren, maar om het leggen van verbanden, het maken van vergelijkingen en vooral om het plezier van het ontdekken.