Religie

De Islam en het Westen

Een ontmoeting met Jacques Derrida

Mustapha Chérif
Uitgeverij Klement, Zoetermeer, 2011
vert. Leon Otto de Vries

Door Theo de Wit, Universitair Docent sociale ethiek en politieke filosofie, Bijzonder Hoogleraar geestelijke verzorging in Justitiële Inrichtingen (TiU)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
In mei 2003 nodigde de Algerijnse politiek filosoof en islamoloog Mustapha Chérif de Franse, maar in Algiers geboren en getogen filosoof Jacques Derrida uit voor een colloquium in Parijs, waar gesproken zou worden over de verhouding tussen het Westen en de islam – dit naar aanleiding van het ‘Algerije-jaar’ in Frankrijk. Op de dag van de ontmoeting had Derrida juist slecht nieuws over zijn gezondheidstoestand gekregen. Niettemin nam hij deel aan het debat; een ‘overweldigende les in broederschap en moed’ (p. 119), zoals Chérif deze geste waardeerde. Op 8 oktober van het daaropvolgende jaar zou Derrida bezwijken aan zijn ziekte en daarmee zou de wereld een van zijn grootste denkers verliezen. Het gesprek tussen Chérif en Derrida heeft nu zijn weerslag gekregen in een boek: De islam en het Westen, samengesteld door Chérif.

De gesprekspartners zijn het erover eens dat het schema van een onvermijdelijke botsing van beschavingen tussen West en Oost als hegemoniale westerse propaganda (p. 11, 29) moet worden gekwalificeerd. Consensus is er ook over de vaststelling dat (ten tijde van het debat in 2003) de extremisten uit beide kampen invloedrijker zijn dan de vredelievende krachten. Dominant zijn dan een westerse politiek die zich sinds de bezetting van Irak weinig gelegen laat liggen aan het internationaal recht en vooral ‘met twee maten meet’ (p. 11, 55) aan de ene kant, en aan de andere kant een terroristische beweging die zich de islam toe-eigent en voor wie religie ‘een soort doping’ is, zoals Chérif het formuleert (p. 12). Het debat tussen beide denkers kan dan ook worden begrepen als een poging om op intellectueel gebied de bakens te verzetten, opdat er ruimte voor echte dialoog en vervolgens ook politieke speelruimte komt, zodat de huidige patstelling kan worden overwonnen.

Het gesprek draait om grote thema’s als secularisatie (‘een van de meest duistere termen uit het moderne denken’, zo heeft Derrida wel eens verzucht), de mogelijkheid van ware universaliteit (Chérif: ‘De complexiteit van de situatie vraag om universele oplossingen,’ p. 31), de juiste relatie tussen religie en politiek, de toekomst van de beschavingen en van de democratie. Derrida gaat in zijn bijdragen uitvoerig in op zijn Algerijnse jeugd: hij was ‘een kind van de rand van Europa’ en zijn filosofisch werk dient dan ook begrepen te worden als een denken vanuit ‘een soort randpositie’ (p. 45). Hij maakt korte metten met ideeën die ook in hedendaags Nederland zonder veel protest worden gebezigd, zoals de gedachte dat het Griekse, het joodse en het Arabische denken eenvoudigweg tegenover elkaar kunnen worden geplaatst, zodat vooral ‘Arabisch’ als vreemd en vijandig aan Europa kan verschijnen.

Kernachtig vat Derrida in het debat zijn in diverse werken uitgewerkte opvatting van democratie samen: ‘In een democratie leven betekent dat men ermee instemt om aan te vechten en aangevochten te worden, om een als democratisch gekenschetste toestand in naam van een komende democratie aan te vechten’ (p. 56). Democratie dient zijns inziens echter wel losgemaakt te worden van enkele andere begrippen waarmee het (Griekse) begrip van meet af aan verbonden was, zoals autochtonie en territorialiteit, die centraal staan in het begrip natiestaat. Onduidelijk blijft of zijn gesprekspartner hierin meegaat. Datzelfde geldt voor de positie en de betekenis van de religie in een democratie. Terwijl Chérif zich zorgen maakt over de ‘verwijdering van de religie uit het leven’ (p. 64) als gevolg van het westers rationalisme, benadrukt Derrida vooral de ‘bevrijding van het politieke uit zijn verstrengeling met het theocratische en theologische’ (p. 66), die zeer goed samen kan gaan met de vrijheid van godsdienstoefening.

Juist omdat Derrida zich hier in eenvoudige woorden moet uitdrukken, kan dit boekje in de reeks ‘filosofie in dialoog’ goed dienen als een kennismaking met de denkwereld en de politieke attitude van deze denker. Het thema ‘de islam en het Westen’ heeft natuurlijk een geheel nieuwe dimensie gekregen in het licht van de revoltes in de Arabische wereld. Zal de Arabische wereld inderdaad de weg naar de democratie in Derrida’s zin vinden, zoals deze zich in dit debat reeds openlijk afvraagt? En zal Europa (eerder dan de Verenigde Staten) zich effectief kunnen positioneren als een macht die de dialoog met de Arabisch-islamitische natiestaten en culturen in de geest van de ‘komende democratie’ aangaat, zoals hij hoopt? Daarvan is momenteel nog niet veel te merken: eerder maakt een defensief Europa zich zorgen over vluchtelingenstromen die onze kant op komen als gevolg van de repressie waarmee de despoten in het Midden-Oosten reageren op het democratisch verlangen.