Samenleving

De mist van de geschiedenis

Over herinneren, vergeten en het historisch geheugen van de samenleving

Willem Frijhoff
Vantilt, Nijmegen, 2011

Door Liesbeth Hoeven, Promovenda Cultuurwetenschappen (TIU)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

‘Het grootste en belangrijkste museum over het jodendom in Europa,’ aldus de trotse directeur Michael Blumenthal bij de opening van het Jüdisches Museum in Berlijn. Tienduizend vierkante meter. Eenenzestig miljoen euro. Het gebouw heeft de vorm van een bliksemschicht of gebroken en uitgerekte davidster, waarbinnen bezoekers kennismaken met twee millennia Duits-joodse geschiedenis. Het ontwerp is van de gerenommeerde Amerikaanse architect Daniel Libeskind, zoon van Holocaustoverlevenden. Innovatief is de ruimte die hij laat voor de belevingsdimensie van de museumbezoeker. De door Libeskind ontworpen Garten des Exils roept een gevoel van desoriëntatie op bij wie buiten wandelt langs de hoge pilaren met olijfbomen, schots en scheef gerangschikt op een betonnen vloer. Men waant zich een banneling. Een bezoek aan de Holocaust-Turm – een 24 meter hoge, koude en donkere afgesloten ruimte, die slechts aan de bovenzijde een streep licht doorlaat – laat ervaren wat het betekent opgesloten en zonder uitzicht te zijn, zoals de slachtoffers van de Holocaust. De installatie Shalekhet van de Israëlische kunstenaar Menashe Kadishman, ten slotte, nodigt mensen uit om over meer dan tienduizend ijzeren gezichtjes te lopen, wat het akelige geluid voortbrengt van de verstomde schreeuw van hen die de dood vonden.

Ons toenemend historisch bewustzijn vertaalt zich in een memory boom in het publiek domein. Erfgoedinitiatieven, historische verenigingen en monumentendagen vermenigvuldigen zich in rap tempo, de aandacht van de sociale media voor historische thema’s neemt alleen maar toe en de ontwikkeling van geschiedeniscanons en educatieve programma’s kent geen grenzen. ‘Publieksgerichte geschiedenis’ (p. 62): onder deze noemer beschrijft Willem Frijhoff, emeritus hoogleraar Geschiedenis van de Nieuwe Tijd en bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, deze cultuurhistorische trend. In zijn boek De mist van de geschiedenis signaleert hij een verschuiving in de huidige omgang met het verleden, die tot ‘een vermisting van de geschiedenis’ in onze samenleving leidt. Het onderscheid tussen historische kennis en historische ervaring is vervaagd. Geschiedenis heeft plaatsgemaakt voor herinnering. ‘Herinnering is de vorm waarin individuele personen, afzonderlijke groepen en welomschreven gemeenschappen zich de sporen van het verleden als op henzelf betrokken toe-eigenen en ze zo tot hun eigen, geleefde geschiedenis maken’ (p. 11). De geschiedenis wordt een categorie van beleving, maar blijft daarmee niet als vanzelfsprekend bewaard. Het proces van toe-eigening van het verleden gaat daarom gepaard met een proces van overdracht. Dit verlangt, zo stelt Frijhoff in zijn boek in lijn van de cultural theorist Mieke Bal, een memory recall (p. 15).

De sporen van een persoonlijk beleefd verleden kunnen eenvoudig overgeleverd worden door de communicatie die geschiedt op inter- of intragenerationeel niveau. Sommige sporen gaan echter verder terug in de tijd en liggen verzonken in het verleden. Ze verlangen een proces van re-enactment: een historische herbeleving in het herinneringsproces (p. 18 en 40). Geheugenplaatsen activeren deze vorm van identificatie en hernieuwde betekenisgeving: een museum, een archief, een monument. Maar ook niet lokaliseerbare plaatsen kunnen, in virtuele of immateriële vorm, een aanhechtingspunt zijn voor de herinnering en haar dragers (p. 42). Frijhoff beschrijft, aan de hand van de ideeën van de Franse historicus Pierre Nora, hoe de veranderde omgang met het verleden ook op dit niveau zijn sporen trekt. De historische ervaring die een plaats oproept, schept – vanuit de primaire belevingswaarde – ruimte voor verbeelding. Een voorstelling, een idee, een waarde. Deze symbolische entiteiten komen tot leven door de narratieve traditie die de geheugenplaats actualiseert.

Het geheugen is voor Frijhoff als bewaar- en werkplaats niet alleen metafoor voor het proces van de herinnering, maar eveneens voor de kunst van het vergeten. Verdwijning, verstilling, verdringing: de geschiedschrijving wordt beïnvloed door georganiseerde vergetelheid, door tijdelijke selectie van herinneringen die zinvol zijn voor het historisch verhaal en achterstelling of verwerping van de andere herinneringen. Taboes, revisionisme, nostalgie: zij maken volgens Frijhoff dat collectieve amnesie op de loer ligt (p. 27 en 28). Zolang een spoor van het verleden in onze culturele herinnering bewaard blijft en tot leven geroepen kan worden via de communicatieve herinnering, is er door memory recall steeds een hercontextualisering van de geschiedenis mogelijk. De vernietiging van sporen uit het verleden, totale vergetelheid, sluit deze mogelijkheid uit (p. 23). Wat dit specifiek betekent voor de omgang met de Grote Vernietiging – de vernietiging van meer dan zes miljoen mensenlevens, de vernietiging van hun herinnering en geheugenplaatsen, evenals het al dan niet in vergetelheid geraken van onze herinnering aan deze vernietiging – blijft in het boek van Frijhoff enigszins onderbelicht. De Holocaust als de centrale geheugenplaats voor de ontwikkeling van een modern bewustzijn: een Europese community of memory? Frijhoff nuanceert dit politiek statement van de Duitse cultuurwetenschapster Aleida Assmann. De belangrijkste Europese geheugenplaats is nog altijd de figuur van Europa zelf, met zijn emblemen, mythen en symbolen, en met het spel van in- en uitsluiting van landen en religies (p. 56).

In de West- en Noord-Europese samenleving is religie als zijnswijze, als een totale identificatie van mensen met hun geloof in de publieke en private leefwereld, onacceptabel geworden. Religie als zienswijze, als een contingente vorm van identificatie met een geloofsgemeenschap, is als religieuze identiteit wel toegestaan (p. 60). Deze fundamentele verandering op religieus gebied, in onze omgang met traditie, kent parallellen met de huidige omgang met het verleden. Frijhoff signaleert in de definiëring van religie een verschuiving van structuur naar proces, idee naar ervaring, ordening en patroon naar dialoog en zingeving, dogma naar herinnering en gebod naar toe-eigening (p. 79). ‘De herinneringscultuur [is] de nieuwe modaliteit van religie als instrument voor identificatie in de samenleving’ (p. 80), zo formuleert Frijhoff zijn werkhypothese tot besluit van het boek. Het religieus verlangen uit zich in de eenentwintigste eeuw in de toenemende behoefte aan herinnering. Deze behoefte transformeert onze cultuur.

De rol van religie in de herinneringscultuur, herinneringsplaatsen als vorm van erfgoed en de relatie tussen herinneren en vergeten: deze drie thema’s belicht Frijhoff in De mist van de geschiedenis, waarin hij drie recentelijk uitgesproken openbare redevoeringen bundelt. Een must-read. Frijhoff synthetiseert in een kleine honderd pagina’s de (klassieke) auteurs, concepten en discussies die handelen over de geschiedenis en de actuele relevantie van de memory studies. Zijn literatuurlijst biedt tal van aanknopingspunten voor verder onderzoek.

Ik nam dit handzame boekje mee naar Berlijn. In het Jüdisches Museum, een geheugenplaats die alleen al vanwege de architectonische vormgeving van het gebouw opzien baart, toetste ik de thesen van Frijhoff. Het sleutelbegrip in zijn boek – toe-eigening van het verleden – wordt in het Joods Museum nadrukkelijk ingezet als herinneringspotentieel. Het museum loodst met zijn expositie over de periode van vooruitgang in de joodse cultuur en geschiedenis (kennisbronnen) zijn bezoeker naar de tragische climax van vervolging, uitsluiting en vernietiging (ervaringsruimten). Historische kennis en historische ervaring sluiten elkaar op deze geheugenplaats allerminst uit. Maar wekt de symbolische inrichting van een gebouw als dit de verbeelding bij de bezoekers, wat de architect beoogt en Frijhoff in zekere zin bepleit?

Ik kom uit bij de lege ruimten – voids – in het museumontwerp als expliciete herinnering aan de afwezigheid van de joden in de Duitse samenleving. Met het verstrijken van de tijd zal de stilte die zij nalaten niet langer een teken van vergetelheid zijn, maar tot een nieuwe ruimte van herinnering worden. Het integreren in onze gedachtenis van wat fundamenteel aan herinnering ontbreekt, is mijns inziens de culturele opgave waar wij voor staan. Hoe kan dat wat principieel afwezig is en gemist wordt, hoe kan het onvervulde en verborgene in de geschiedenis een intrinsiek onderdeel worden van de herinnering zelf? Is het geoorloofd ons de stilte van de ander toe te eigenen? Is toe-eigening in dit verband het juiste woord? Gedachtenis is niet iets wat wij hebben: zij heeft ons. Reden genoeg om de zijnswijze van religie en de herinnering in onze cultuur niet af te doen als passé, wil er werkelijk een transformatie geschieden.