Filosofie

De moed tot waarheid

Michel Foucault
Boom, Amsterdam, 2011

Door Machiel Karskens, emeritus hoogleraar sociale en politieke wijsbegeerte (RUN)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

De laatste colleges die Michel Foucault vlak voor zijn dood in juni 1984 gaf, zijn in 2009 gebundeld in een boek met de titel Le courage de la vérité. Deze uitgave is nu (met uitzondering van het zakenregister) in prachtig Nederlands vertaald onder de titel De moed tot waarheid. De colleges zijn zeer verzorgd geredigeerd. Naast de transcriptie van de gesproken tekst worden er regelmatig delen van Foucaults eigen aantekeningen opgenomen, die de gesproken tekst aanvullen en goed helpen om de grote lijnen vast te houden. De citaten en tekstverwijzingen worden in noten uitgewerkt, aangevuld en waar nodig vertaald, en er is een namen- en uitvoerig zakenregister toegevoegd. Een kort voorwoord schetst de situatie waarin Foucault zijn veel te massale hoorcolleges moest geven. Als nawoord toont een ‘Situering’ de ontwikkeling van Foucaults werk en geeft een mooie analytische samenvatting van de besproken stof, die heel goed als inleiding gelezen kan worden.

De moed tot waarheid is de eerste volledige collegereeks van Foucault die in het Nederlands is vertaald. In tegenstelling tot zijn boeken, die bijna allemaal de vorm van doorgecomponeerde en stellige geschiedenisverhalen hebben, bestaan Foucaults colleges uit uitwaaierende tekstlezingen waarin hij bepaalde sleuteltermen of begrippen, zoals in dit geval parrèsia (vrijmoedig de waarheid spreken) of epimeleia (zorg), uitvoerig presenteert, analyseert, en in hun theoretische en maarschappelijke context plaatst. Vaak leidt dit tot verrassende nieuwe interpretaties en doorkijkjes, bijvoorbeeld over de laatste woorden van Socrates, ‘we zijn Asklepios nog een haan schuldig’; met Dumézil als leidsman wordt hier de hele Phaedo van Plato in een nieuw licht geplaatst (p.121 e.v.). Maar deze pareltjes worden zelden aan elkaar geregen; in elk volgend college begint er weer een nieuwe reeks opmerkingen, analyses en interpretaties. Hoewel dit een wel wat langdradige tekst oplevert met veel herhalingen, geeft deze aanpak veel beter dan zijn boeken, die vooral argumentatief, polemisch kritisch en retorisch zijn opgezet, een prachtig inzicht in wat Foucault bezielt en in zijn zoekende en problematiserende manier van denken. Dat geeft de lezer de gelegenheid om keer op keer die pareltjes zelf te ontdekken zonder dat zij of hij gedwongen wordt ze in een al vast omlijnde theorie te persen. Zo maakt deze schuifelende manier van filosoferen het lezen van de collegeteksten tot een ontdekkingstocht, in dit geval een ontdekkingstocht naar de graal van de filosofie: de waarheid.

Aansluitend bij de collegereeks van een jaar eerder (in 2008 uitgegeven onder de titel Le gouvernement de soi et des autres) zijn alle colleges volledig gewijd aan het ‘waarheidspreken’ (dire vrai en vérédiction in het Frans) en in het bijzonder het vrijmoedig spreken van de waarheid, parrèsia, in de Griekse en Romeinse Oudheid, met veel doorkijkjes naar moderne waarheidsopvattingen en waarheidspraktijken en – in het allerlaatste uur – een blik op (vroeg)christelijke praktijken van waarheidspreken (geloofsbelijdenis, biecht, gewetensonderzoek).

De eerste colleges pakken direct de draad op van het voorafgaande jaar, waarin het ging om het politieke waarheidspreken in de tijd van de Griekse tragedies, tevens de tijd van de worsteling om de vrije polis. De waarheidspreker of parrèsiast is daar degene die zich openlijk verzet tegen de politieke, morele en waarheidsprekende autoriteit van de heersers in naam van de echte waarheid; daarmee zet hij zichzelf en soms zijn leven op het spel. Foucault brengt dit politieke waarheidspreken nu in verband met drie andere figuren van waarheidsprekers: de profeet, de wijze en de leraar – en steeds duikt Socrates op als degene die al deze figuren lijkt te belichamen.

Vervolgens verschuift, na de laatste woorden van Socrates, de analyse van een kritisch politiek waarheidspreken naar het platoons-socratische waarheidspreken, het toetsende en ondervragende zelfonderzoek waarin de spreker zichzelf sociaal én persoonlijk op het spel moet zetten in een moreel logische toetsing van het eigen denken en handelen.

En dan komt in het laatste deel van de colleges de verrassing. Je zou verwachten dat na de platoons-socratische omgang met de waarheid de meest bekend geworden antieke waarheidspraktijken aan de beurt komen, namelijk de stoïcijnse waarheidsoefeningen van zelftoetsing, zelfzorg en zuivering (askèsis), maar dat is niet het geval; zij zijn in de colleges van 1982 (uitgegeven in 2001 onder de titel L’Herméneutique du sujet) en in het derde deel van Foucaults Geschiedenis van de seksualiteit. De zorg voor zichzelf (1984) al uitvoerig besproken. Nu schakelt Foucault van Plato en Socrates voor het eerst (en het laatst) direct over naar wat een compleet tegengestelde praktijk van waarheidspreken lijkt te zijn: de ontregelende levensstijl van de cynici en epicuristen, die in hun scandaleuze, anti-filosofische waarheidspraktijk laten zien dat het ware leven zelf het waarheidstheater is dat het leven en denken moet veranderen. Foucaults hart lijkt hier te liggen; de laatste, afsluitende zinnen van zijn aantekeningen – en dat zijn zo ongeveer de laatste woorden die hij geschreven heeft – luiden: ‘Er bestaat geen vaststelling van de waarheid zonder een wezenlijke (op)stelling ten opzichte van de andersheid. De waarheid is nooit het zelfde. Waarheid kan alleen in de vorm van de andere wereld en het andere leven bestaan.’ (p. 386, vertaling is door recensent aangepast).

Waarom is dit nu een boek dat u niet mag missen? Omdat dit het eerste en laatste boek van Foucault is dat volledig gewijd is aan waarheid. In al zijn andere boeken, die gecomponeerd ziijn als geschiedenissen van het weten, van de wetenschappen en van machtspraktijken, komt het thema van de waarheid van het weten, denken en handelen er meestal bekaaid vanaf; waarheid lijkt er gereduceerd te worden tot een effect of product van denk- en machtsystemen of -vertogen. Nu wordt duidelijk dat er iets heel anders aan de hand is wanneer het om waarheid gaat, namelijk een voortdurende worsteling of strijd om het veranderen van dat weten en die machten in naam van de waarheid. Maar misschien is dit alleen maar interessant voor liefhebbers van Foucaults werk.

Het fascinerende van dit boek is dat het gewoon van het eerste tot het laatste woord over waarheid spreekt, zonder een moment – misschien met uitzondering van de hierboven geciteerde laatste regels – te zeggen wat waar is, maar wel door steeds weer te laten zien wat het spreken van de waarheid met je doet. Het boek demonstreert aan de hand van een aantal westerse aartsvaders van het filosofisch leven dat waarheidspreken de passie is en moet zijn van het leven. Het wezen van de waarheid of de door filosofen zo genoemde absolute zaak-, ken- of denkwaarheid zult u hier dus niet vinden. Foucault heeft in al zijn werken afstand proberen te houden tot die filosofische waarheidsopvatting; aansluitend bij Nietzsche zag hij deze als macht: de wil tot waarheid of wil tot weten die zijn verstarrende denk-en machtskaders oplegt aan het zich altijd veranderende weten, denken, handelen en leven. Waarheid, zo maakt Foucault hier duidelijk, is geen wat, maar een hoe; het is de noodzakelijke vorm van toetsen, onderzoeken en ondervragen die het spreken over ons kennen, handelen en leven moet aannemen wanneer het erop aankomt. Waarheid is in dat geval niet iets wat er altijd al was en nu eindelijk ontdekt wordt, maar leidt naar iets nieuws of bewerkstelligt een verandering. ‘In waarheid leven’ is zodoende gelijk aan ‘je moet je leven veranderen’, zoals Peter Sloterdijk uitstekend uiteenzet.

Ten slotte is dit een belangrijk boek omdat het op elke bladzijde de relativistische of nihilistische kritiek op het postmoderne denken en op Foucault in het bijzonder weerlegt. Het is niet zo dat het postmoderne denken waarheid ontkent of relativeert tot ‘ook maar een standpunt’ of ‘een even valide mening als alle andere’. Waarheid staat juist op het spel wanneer je kritisch ondervraagt, iets tegenspreekt en jezelf toetst. Door consequent over waarheid als een zichzelf verplichtende spreekpraktijk te spreken, laat Foucault in deze colleges zien dat waarheid er juist toe doet en moet doen. Daarom, beste lezer, moet u dit boek lezen. Om de waarheid!