Samenleving

De wereld onder de duim

Lofzang op de internetgeneratie

Michel Serres
Boom, Amsterdam, 2014

Door Sandra Wagemakers, promovendus regionale identiteit, Tilburg University

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Terwijl ik De wereld onder de duim lees, realiseer ik me dat dit een lofzang is op een generatie waar ik ook onder geschaard zou kunnen worden. Wellicht ervaar ik de redenatie in dit boek op een andere manier, omdat ik geen ander referentiekader heb dan de tijd waarin ik leef. Met zijn 84 jaar heeft Serres natuurlijk veel meer levenservaring en weet hij meer van de wereld van voor de nieuwe technologieën van de afgelopen jaren. Ik ben weliswaar geboren in een tijd waarin internet nog niet wereldwijd toegankelijk was, maar ik ben wel opgegroeid in de tijd waarin deze technologie bepalend werd in ons leven.

Serres spreekt in zijn boek over Klein Duimpinnetje, de zogenaamde ‘nieuwe mens’ die met haar smartphone in haar zak de hele wereld onder de duim heeft. Ze wil iets weten? Met slechts een paar duimbewegingen heeft ze de kennis in huis. Dit vormt een scherp contrast met de levenswijze van voorgaande generaties, zoals Serres duidelijk laat zien. Hij stelt veel vragen en haalt allerlei concepten aan, maar heeft nauwelijks tijd om dieper op een van deze elementen in te gaan. Dat is echter ook niet het doel van zijn boek; hij laat vooral zien op welke manier de jongere generatie verschilt van die ervoor.

Serres behandelt niet zozeer de nieuwe technologie zelf – hij schrijft niet over toekomstige toepassingen, zoals apparaten die niet meer zo ver buiten bereik zijn – maar vooral de consequenties van bepaalde technologieën, en dan specifiek voor (de toegang tot) kennis. Kennis is dankzij de nieuwe technologieën nu overal toegankelijk, slechts een duimbeweging weg. Hij beschouwt dit als een fundamentele verandering met een enorme invloed op ons leven; de nieuwe technologieën veranderen ons leven net zozeer als de uitvinding van het schrift en de boekdrukkunst dat hebben gedaan. Ook deze oude media hebben ervoor gezorgd dat we kennis kunnen opschrijven, delen en overdragen aan volgende generaties, of, in de woorden van Serres: ‘Zonder dat we het voortdurend beseffen, leven we tegenwoordig in groepen als kinderen van het boek en kleinkinderen van het schrift’ (p. 40).

Dit is een interessant inzicht. Ik twijfel echter aan de juistheid van sommige van de voorbeelden die Serres aanhaalt om zijn stelling te onderbouwen. Zo vraagt Serres zich af of het niet juist een teken van voorzichtigheid is dat mensen anderen aanvankelijk virtueel benaderen, zodat er een kleinere kans is dat ze gekwetst worden (p. 81). Ik betwijfel of de kans gekwetst te worden bij virtueel contact inderdaad kleiner is dan in het echte leven. Naar mijn mening overdrijft Serres de contrasten tussen het heden en het verleden. Het is bijvoorbeeld ook niet zo dat we vroeger geen actieve rol hadden, dat we geen invloed hadden op de media waarmee we met anderen communiceerden en kennis deelden. Net als nu deelden mensen informatie, maakten zij zich kennis eigen en parodieerden zij de media en media-uitingen; alleen de manier waarop was anders. Misschien is het waar dat media-uitingen, parodieën, ideeën en commentatoren nu vaker een groter publiek bereiken. Maar maakt dit ze essentieel anders?

Is het wel zo dat studenten tegenwoordig minder luisteren naar wat er ‘uit de spreekbuis van de universiteit komt’, zoals Serres betoogt? Inderdaad, vroeger kwamen mensen van heinde en verre om naar colleges en voordrachten te luisteren en op die manier kennis te vergaren, maar ook toen lang niet iedereen. Ook toen vergaarden sommigen liever kennis uit boeken, of door musea te bezoeken of met anderen te spreken. Nog steeds zitten er genoeg geïnteresseerde studenten in de zaal, die luisteren naar wat ‘de spreekbuis’ te melden heeft. Misschien is ook mijn eigen oordeel gekleurd: ik heb nooit in grote collegezalen gezeten met een paar honderd studenten om mij heen. Ik ben onderwezen vanuit het idee dat het goed is mijn eigen mening te vormen en dat ik het vooral niet eens moest zijn met mijn docent. Behoor ik misschien tot de voorhoede van het ‘nieuwe’ onderwijs?

Al twijfel ik aan sommige van Serres’ voorbeelden en meen ik dat de door hem geschetste contrasten overtrokken zijn, ik ben het wel met veel van zijn stellingen eens. De wereld is, zoals altijd, aan verandering onderhevig. Ook het feit dat kennis in de breedste zin nu overal – en veelal vrijelijk – toegankelijk is, zal aan deze veranderingen bijdragen. Dé onderliggende, terugkerende gedachte in De wereld onder de duim is dan ook dat kennis onder handbereik – of eigenlijk duimbereik – ligt. Dit zal volgens Serres ook een democratiserend effect hebben. Dat kennis beschikbaar is, wil echter nog niet zeggen dat jongeren deze kennis ook tot zich hebben genomen. Bovendien: dat kennis beschikbaar is, wil ook nog niet zeggen dat we deze informatie begrijpen. Wat al gold voor de tijd waarin het boek zijn opwachting maakte, geldt in nog sterkere mate wanneer kennis overal toegankelijk is: een goede kop – een verstand dat gericht is op verklaren en begrijpen – is belangrijker dan de kennis die erin opgeslagen ligt.

Serres laat ook zien hoe lastig het soms voor ‘de nieuwe mens’ is om oude manieren, vormen en benaderingswijzen achter zich te laten. Zo lijken ons beeldscherm en onze tekstprogramma’s stiekem nog verdacht veel op de pagina’s in boeken! Dit is niet alleen het gevolg van een zeker conservatisme. Deze gelijkenissen zorgen ervoor dat we kunnen wennen aan nieuwe technologieën. De overgang is meestal niet radicaal; anders zouden we terugschrikken voor het gebruik van een nieuwe technologie. Geleidelijke gewenning aan een nieuwe technologie en een nieuw uiterlijk draagt bij aan acceptatie. Maar zolang we blijven leunen op oude ideeën, die hoogstwaarschijnlijk deels in stand gehouden worden door partijen die weinig heil zien in het opgeven van hun macht, zal het niet tot een revolutionaire verandering komen.

Het is een verademing te lezen dat Serres op zijn leeftijd niet in paniek raakt van de nieuwste technologische ontwikkelingen. In plaats van deze veranderingen in paniek af te wijzen – zoals voorheen met ontsteltenis gereageerd werd op de opkomst van de boekdrukkunst, het telegram, de fax, de telefoon en het internet – is bij Serres plaats voor reflectie op de betekenis van deze veranderingen. Hij wijst op het belang innovatie, en ik kan dat alleen maar beamen. De boekenwereld, de muziekindustrie en het onderwijs zullen moeten innoveren nu kennis overal toegankelijk is: de wereld ligt binnen handbereik en kennis ligt onder de duim. Deze innovatie is geheel aan ons. Technologie is immers nooit neutraal; juist de combinatie van het sociale en het technologische aspect maakt dat technologie invloed heeft op ons leven. Wij vormen technologie en maken die tot wat zij is. Wellicht kan dit boek daarbij van dienst zijn, omdat het inzichtelijk maakt welke uitdagingen op ons pad liggen en welke aspecten van de veranderende technologie en media ons tot een nieuwe generatie maken. Serres laat ons zien op welke veranderingen we moeten inspelen om ook de toekomst onder de duim te houden. Maar hoe dit precies moet en waar we naartoe gaan?

Daar heeft ook Serres geen antwoord op: ‘Hoe komt het dat die nieuwe vindingen er nog niet zijn? Ik vrees dat ik daarvoor de schuld moet leggen bij de filosofen, van wie ik er zelf ook een ben: lieden wier roeping het is om te anticiperen op toekomstige kennisvormen en praktijken, en die zoals ik het zie in die taak tekortgeschoten zijn’ (p. 31). Maar waar Serres meent te moeten anticiperen op een veranderende toekomst, voel ik die behoefte niet. Als onderzoeker bestudeer ik de wereld zoals zij is; ik voorspel niet waar het in de toekomst heen gaat en ik stuur haar net zo veel of weinig als ieder ander.