Filosofie

Licht

De Nederlandse Republiek als bakermat van de Verlichting

André Klukhuhn
De Bezige Bij, Amsterdam, 2016

Door Thomas Heij, filosoof en Nexus-redacteur

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

In 1687 formuleerde Isaac Newton zijn wet van de zwaartekracht en nog drie wetten die het fundament werden van de klassieke mechanica. Hij geldt daardoor als het schoolvoorbeeld van de rationele wetenschapper. Maar niets is minder waar: Newton was een overtuigd alchemist die zich bezig hield met kabbala, zwarte magie en religieuze mystiek. Hij leerde Hebreeuws om uit te kunnen rekenen wanneer het einde van de wereld en de wederkomst van Christus zouden plaatsvinden – rond 1948.

Dit verrassende profiel van Newton is typerend voor de aanpak van André Klukhuhn in zijn boek Licht. De Nederlandse Republiek als bakermat van de Verlichting. Op een vermakelijke manier beschrijft hij de bijzondere ontwikkelingen in de filosofie, wetenschap en kunst tijdens de Verlichting. ‘Licht’ heeft daarbij een dubbele betekenis: als metafoor voor het Verlichtingsdenken dat zich losmaakte van het aristotelisch-christelijke wereldbeeld, maar ook letterlijk als fenomeen dat geleerden poogden te verklaren.

Rijnsburg, Voorburg, Middelburg
Weinig Nederlandse historici en filosofen durven er hoog over op te geven, maar de Verlichting begon in meerdere opzichten in de Nederlandse Republiek. De Nederlanden waren destijds een relatief tolerant toevluchtsoord voor enkele van de grootste denkers die de wereld heeft gekend. René Descartes en Baruch de Spinoza ontwikkelden beide hun grote filosofische ideeën in de Nederlandse Republiek.

Descartes was degene die het wereldbeeld gebaseerd op kerkelijke autoriteit verwierp en verving door zijn eigen filosofische systeem. Hij stond erom bekend dat hij nooit voor elf uur ’s ochtends opstond, omdat hij juist in bed zijn belangrijkste wijsgerige en wiskundige ontdekkingen zou hebben gedaan. Zijn beroemde Verhandeling, Meditaties en Beginselen schreef hij, vanwege het gunstige denkklimaat, in de Republiek der Nederlanden, waar hij woonde in onder meer Breda, Franeker, Leiden, Deventer, Amsterdam en Egmond.

Descartes’ wereldbeeld en methode, gefundeerd op wiskundige logica in plaats van de Bijbel, inspireerde de tweede wegbereider van de Verlichting die in de Republiek woonde: Baruch de Spinoza. Hij groeide op in Amsterdam en onderhield zichzelf, net als Descartes, door lenzen te slijpen. Later ontvluchtte Spinoza het stadsrumoer naar Rijnsburg en vervolgens naar Voorburg, waar hij schreef aan zijn Ethica en de vlijmscherpe Bijbelkritiek Tractatus theologico-politicus.

In Voorburg werd hij een bekende van de aristocratische familie Huygens, die iets verderop aan het eind van de Herenstraat woonde. Constantijn Huygens was dichter en diplomaat, zijn zoon Christiaan de eerste theoretische natuurkundige, ontdekker van de ringen van Saturnus en uitvinder van het slingeruurwerk. Diens broer, Constantijn jr., wordt door Klukhuhn echter getypeerd als een losbol die brieven schreef over zijn avonturen in de bordelen van Parijs.

De Hollandse kijker
De Nederlanden waren niet alleen de voedingsbodem voor de Verlichtingsfilosofie, maar ook de plek waar twee grote, aan licht gerelateerde wetenschappelijke uitvindingen werden gedaan. Maar liefst vier mannen eisten de eerste uitvinding voor zich op, maar volgens Klukhuhn was het Hans Lippershey die rond 1600 in Middelburg de Hollandse kijker uitvond. De telescoop, zoals hij later werd genoemd, was niet alleen van groot militair belang, maar zette de gehele wetenschap op zijn kop.

Door de uitvinding van de Hollandse kijker werden talloze astronomische ontdekkingen gedaan en werd de macrokosmos onttoverd. Galilei ontdekte bijvoorbeeld dat de maan geen glad oppervlak had, maar kraters en bergen, door de veranderende vormen van de donkere vlekken juist te interpreteren. Dat leidde tot veel bewondering, bijvoorbeeld bij de Engelse astronoom William Lower, aangezien deze zelf niet verder was gekomen dan een associatie met de strooptaarten die zijn kok voor hem bakte.

De tweede grote ontdekking in de Nederlanden werd ook gedaan in Middelburg, door de buurman van Lippershey, de valsmunter Zacharias Jansen. Hij vond de microscoop uit, maar zijn exemplaren zijn verloren gegaan en hij moest Middelburg ontvluchten vanwege zijn criminele activiteiten. Een andere Nederlander, Antoni van Leeuwenhoek, ontdekte later met de microscoop de microkosmos. Door alles wat hij voor handen had onder zijn microscoop te leggen, ontdekte hij een ontelbare hoeveelheid micro-organismen – waarbij hij vermeldde dat het sperma dat hij onderzocht ‘door ordentelijk geslachtsverkeer met zijn eigen vrouw vrijwel onmiddellijk na de daad was verzameld, zodat hij zich niet zondig had hoeven ontheiligen.’

[Uitsnede van Jan Breughels Landschap met uitzicht op het kasteel van Mariemont, de eerste afbeelding van de Hollandse kijker]

Hollands licht
In de beeldende kunsten is licht uiteraard onmisbaar, maar hoewel het Hollandse licht later beroemd zou worden, liepen de Nederlanders in de kunsten niet voorop. Die eer viel ten deel aan grote Italianen als Brunelleschi – de herontdekker van het perspectief en de ontwerper van de koepel van de dom van Florence – en Caravaggio, die het chiaroscuro groot maakte en de enige schilder is naar wie een vernieuwende kunststroming werd vernoemd: het caravaggisme.

Ook over Brunelleschi en Caravaggio vertelt Klukhuhn graag anekdotes. Zo zou een collega van Brunelleschi ooit jaloers hebben gezegd dat wie het trucje eenmaal kent heel makkelijk de koepel van de dom kon maken. Brunelleschi daagde hem vervolgens uit om een hardgekookt ei op zijn punt te zetten zonder dat het om zou vallen. Toen dat hem niet lukte, tikte Brunelleschi het ei zachtjes in, waarop het natuurlijk makkelijk bleef staan en hij triomfantelijk zei dat het niet ging om wie het allemaal had kunnen bedenken, maar om wie het als eerste daadwerkelijk bedacht. Deze anekdote werd overigens beroemd met de uitdrukking ‘het ei van Columbus’, maar is onterecht toegeschreven aan de ontdekkingsreiziger.

Over Caravaggio vermeldt Klukhuhn voornamelijk dat het een ‘schavuit en driftkop’ was, die te pas en te onpas het duel aanging. Na een vlucht uit Rome trad hij toe tot de beroemde Maltezer orde, belandde in de gevangenis, ontsnapte en bezweek uiteindelijk aan de koorts. Zijn chiaroscuro inspireerde Rembrandt, die de bijnaam ‘meester van licht en donker’ kreeg.

Met Johannes Vermeer hadden de Nederlanden ook de ‘meester van het licht’ in huis. Vermeer zou gebruik hebben gemaakt van de nieuwste uitvindingen uit zijn tijd, zoals de camera obscura. Helemaal zeker zijn de experts daarvan niet, maar het ‘out of focus’ broodmandje op zijnMelkmeisje zou erop duiden dat Vermeer het tafereel door een lens heeft gezien, want het menselijk oog kent dat effect niet. Zo bezien zijn Vermeers schilderijen evenzeer optische experimenten als de waarnemingen die Van Leeuwenhoek deed met zijn microscoop.

[Uitsnede van Johannes Vermeers Melkmeisje, met ‘out of focus’ broodmandje.]

Een tweede Gouden Eeuw
Waar het licht in de filosofie, wetenschap en schilderkunst een duidelijke rode draad vormt, is het in de Nederlandse Verlichtingsliteratuur wel heel hard zoeken naar licht. Veel verder dan een korte hiërarchie van licht in Vondels Lucifer en de koosnaampjes die Huygens sr. aan zijn vrouw en dochter gaf – ‘mijn Sterre’ en ‘mijn Sterretje’ – komt Klukhuhn niet. Er volgen nog een aantal paragrafen over Pieter Corneliszoon Hooft en componist Jan Pieterszoon Sweelinck die het tijdsbeeld compleet maken, maar die weinig te maken hebben met Hollands licht.

Licht eindigt met een korte beschrijving van de ‘Tweede Gouden Eeuw’ van de Nederlandse wetenschappen: het fin de siècle waarin maar liefst vijf Nederlanders de Nobelprijs wonnen. De verklaring voor die tweede bloei zat hem in het onderwijssysteem van Thorbecke – geïnspireerd op Humboldt – waarin onderwijs en onderzoek niet direct op praktische toepasbaarheid en economisch nut zijn gericht. Een ‘Derde Gouden Eeuw’ ziet Klukhuhn voorlopig niet meer komen, aangezien het nutsdenken inmiddels diep in de vezels van het hoger onderwijs is genesteld.

Vrolijke Verlichtingsgeschiedenis
Zo eindigt wat het best bestempeld kan worden als een vrolijke geschiedenis van de Nederlandse Verlichting toch in mineur. Met biografische eigenaardigheden en geestige anekdotes weet Klukhuhn de lezer te boeien voor de ingewikkelde wetenschappelijke fenomenen waar zijn helden zich mee bezighielden. Klukhuhn toont zich niet alleen een goede verhalenverteller, maar weet ook zinnen als deze goed uit te leggen: ‘Interferentie geeft ook de verklaring van de rechtlijnige voortplanting van het licht als golfverschijnsel, omdat alleen lichtstralen in de voortplantingsrichting elkaar versterken, en alle andere elkaar uitdoven.’

Of Spinoza en Rembrandt elkaar gegroet zouden hebben op het Vlooienburg, en of Maurits van Oranje dankzij de Hollandse kijker de Spanjaarden overwon blijft gissen. Maar het zijn sympathieke speculaties die Klukhuhn noteert, omdat hij niet vergeet zijn suggesties steeds te relativeren. Als scheikundige en filosoof weet hij in ieder geval de grote wetenschappelijke ontdekkingen te plaatsen in hun historisch-filosofische context, zonder een moment te vervelen.