Filosofie

De wet als kunstwerk

Een andere filosofie van het recht

Willem Witteveen
Boom, Amsterdam, 2014

Door René Foqué, emeritus hoogleraar rechtsfilosofie en rechtstheorie, Katholieke Universiteit Leuven en Erasmus Universiteit Rotterdam

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

De wet als kunstwerk. Een andere filosofie van het recht is een bijzonder boek, origineel in methode en in benadering. Het is ook bijzonder door de omstandigheden waarin het, postuum, is verschenen. Het is bovendien een belangrijk boek, dat zijn ondertitel, Een andere filosofie van het recht,waarmaakt door een grote gevoeligheid voor maatschappelijke vraagstukken aan de dag te leggen. In De wet als kunstwerk houdt de filosofie de wetgever een spiegel voor, maar ze gaat daarbij tegelijkertijd voortdurend de confrontatie aan met de praktijk van de wetgeving op een heel aantal concrete dossiers. Willem Witteveen denkt en formuleert behoedzaam vanuit de drie perspectieven die hijzelf als hoogleraar, onderzoeker en senator belichaamt: dat van de filosoof, dat van de rechtsgeleerde en dat van de wetgever zelf. Daardoor biedt het boek niet alleen een enorme rijkdom aan ideeën, maar ook criteria waarmee naar concrete wetgeving kan worden gekeken met betrekking tot bijvoorbeeld de kwaliteitsbewaking in het onderwijs, de administratieve lastenverlichting, het boerkaverbod en tal van issues op het terrein van milieuwetgeving.

Witteveen zoekt en vindt inspiratie in wat hij in de klassieke Griekse traditie nomoi noemt, wetgevingsadviezen die uiteenlopende filosofen in onze westerse traditie aan de orde hebben gesteld. Daarin vindt hij spiegels die de actuele wetgever dienen te worden voorgehouden. We zouden ook kunnen spreken van ‘beginselen van behoorlijke wetgeving’. Die vormen een normatief kader – het kader van wat wij in algemene zin aanduiden met de term ‘democratische rechtsstaat’– dat zorg draagt voor betrokkenheid van de burger bij de rechtsontwikkeling en zowel burger als wetgevende overheid ertoe brengt verantwoordelijkheid te nemen voor vrede en gerechtigheid, en voor beschaving en beperking van machtsmonopolies, materieel én ideëel.

Zoals bekend heeft Willem Witteveen de verschijning van wat hij beschouwde als zijn magnumopus niet mogen meemaken. Hij kwam samen met zijn echtgenote en dochter om bij de crash in Oost-Oekraïens oorlogsgebied van vlucht MH17. Net voor hun vertrek had hij zijn manuscript ingeleverd bij de uitgever. Die oorlogsomstandigheden zijn meer dan een tragische, toevallige context. Zij plaatsen ons als lezer op onontkoombare wijze in het centrum van de spanningen toe waarin onze laatmoderne wereld verkeert. Te midden van die spanningen, tussen beschaving en barbarij, tussen vrede en oorlog en tussen vrijheid en macht ontvouwt Witteveen in dit boek zijn denken over de betekenis van wet en recht. Het indrukwekkende ervan is mede gelegen in zijn niet-polemische toonzetting. Het boek getuigt van een standvastige mildheid, en juist daardoor is de boodschap krachtig. Witteveens dood confronteert de lezer op indringende wijze met die ene vraag: wat hebben wet en recht nog te betekenen wanneer oorlog en barbarij oprukken?

Zijn boek raakt met grote reflectieve zeggingskracht aan de grondslagen van onze Europese beschaving en aan de plaats van de democratische rechtsstaat als normatief kader voor recht en politiek. Zo beschouwd past dit boek bijzonder goed bij de doelstellingen van Nexus; het tijdschrift en het instituut verliezen met Willem Witteveen dan ook een belangrijk adviseur en gesprekspartner. Een kritische reflectie op de grondslagen van de Europese traditie is bovendien meer dan ooit noodzakelijk.

Met dit boek wil de auteur zijn lezer tot een onmisbaar deelgenoot maken van zijn reflecties. Hij spreekt van ‘het sociaal contract tussen schrijver en lezer’ en voegt eraan toe dat ‘in een democratische rechtsorde wetgevers en burgers net als auteurs en lezers van elkaar afhankelijk zijn en op elkaar aangewezen’. Met deze positiebepaling geeft Witteveen een eigentijdse invulling aan Montesquieus beginsel van l’implication du lecteur. Een belangrijk boek is een boek waarin de lezer partij is, omdat het hem of haar te denken geeft. Witteveen doet dat door de langzamerhand voor vanzelfsprekend gehouden metafoor van de wet als instrument kritisch te bevragen. Door een andere metafoor in het centrum van zijn beschouwingen te plaatsen opent hij nieuwe denkpaden. ‘Laten we dan de metafoor van de wet als instrument maar eens een tijdje op de achtergrond plaatsen en proberen het idee van de wet als kunstwerk verder uit te werken’,schrijft Witteveen.

Het is belangrijk ons rekenschap te geven van de intellectuele context waarin Witteveens pleidooi zijn plaats kan vinden. In zijn ‘Lettre à la vieille Europe’, uitgesproken kort voor zijn dood, spreekt de Franse filosoof Jacques Derrida Europa en zijn erfgoed aan op hun narratieve identiteit. Die identiteit van la vieille neuve Europe, zoals Derrida het hedendaags Europa typeert,wordt ten diepste gekenmerkt door een dubbel verleden en een dubbele herinnering: een goede en een kwade. De goede herinnering wordt gedragen door de filosofie en door de nooit aflatende zoektocht naar democratie en gemeenschapsvorming. De kwade is de herinnering aan de barbarij van uitbuiting, slavernij, massavernietiging en totalitarisme, maar ook aan opportunisme op de korte termijn en aan het ondergeschikt maken van waarden aan onbereflecteerde nuttigheid, waardoor helaas ook het Europees erfgoed mede bepaald wordt. Zo bezien bevindt de Europese identiteit zich op de scherpe scheidingslijn tussen beide polen.

Derrida sluit hier aan bij de traditie die op indringende wijze werd ingeluid door de fenomenoloog Edmund Husserl. In zijn rede Die Krisis des europäischen Menschentums und die Philosophie, die hij uitsprak in 1935 in Wenen, had Husserl uit de concrete omstandigheden van de jaren dertig een scherpe analyse gedestilleerd over de crisis die Europa – aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog – doormaakte. Europa, zo zei Husserl, zou slechts herboren kunnen worden door zich niet langer te laten domineren door een louter instrumentalistische visie op mens en samenleving, maar door terug te keren naar de geest van de filosofie, die ons kan beschermen tegen wat hij Geistfeindschaft en Barbarei noemde. Het boek van Willem Witteveen neemt de uitdaging aan en gaat op zoek naar de geest van de filosofie, van ‘een andere rechtsfilosofie’, om haar als een spiegel voor te houden aan wetgevers en burgers. Hij volgt daarbij overigens een heel andere pad dan dat wat Husserl in zijn rede als mogelijke weg aangaf, maar hij deelt met de grote fenomenoloog niettemin het inzicht dat de filosofie ons kan behoeden voor de ontsporingen van de moderne instrumentalistische levenshouding. Het Europees filosofisch erfgoed dient dan evenwel niet te worden opgevat als een vaststaande canon van concepten en theorieën die in teksten klaarliggen om te worden toegepast.

De Poolse filosoof Leszek Kołakowski vreest dat een dergelijke gecanoniseerde filosofische zelfgenoegzaamheid tot een nieuwe vorm van geestelijke barbarij zou kunnen leiden. In een beroemd geworden lezing die hij in 1980 hield aan het Parijse Collège de France onder de titel Où sont les barbares? Les illusions de l’universalisme culturel hekelt hij op scherpe wijze elke vorm van politiek en recht die zich beroept op kritiekloos universeel verklaarde grondslagen. De spirituele kracht van Europa moet opnieuw in het vizier van de politiek komen, van het concreet beleid, aldus Kołakowski. Het vermogen zichzelf te bevragen, een van de belangrijkste verworvenheden van het Europees filosofisch erfgoed, ligt aan de basis van de spirituele kracht van Europa, stelt hij. Hoewel Witteveen Derrida, Husserl en Kołakowski niet noemt, trekken hun gedachten de krijtlijnen waarbinnen ook zijn boek van moet worden gesitueerd.

Witteveen was in de eerste plaats een gepassioneerd lezer, die zich snel en tegelijk met veel diepgang heeft ingeleefd in het denken en de verbeelding van heel uiteenlopende auteurs. Zijn boek getuigt van een enorme eruditie, maar niet een eruditie omwille van zichzelf: ze is steeds dienstbaar aan de zoektocht naar uitwegen uit de problemen van onze laatmoderne samenleving. Bij Witteveen staat de grote zorg voorop dat het toenemend juridisch instrumentalisme ook in het proces van wetgeving de bescherming van de burger, diens rechten en vrijheden, dreigt te overwoekeren. Die kritiek heeft in onze gesprekken in woord en geschrift steeds voorop gestaan. Maar Willem ging verder en zocht naar dieperliggende vragen. Daarvan getuigt dit boek en daarin ligt het grote belang ervan.

De ondertitel luidt: Een andere filosofie van het recht. Dat ‘andere’ zit hem in de wijze waarop de filosofie van het recht het zelfkritisch vermogen van ons denken bevordert. Dat is alleen mogelijk wanneer de rechtsfilosofie zich niet langer opsluit in conceptuele abstracties en in een gesloten vorm van tekstexegese. Dat laatste noemt de Duitse filosoof Herbert Schnädelbach overigens terecht een filosofische ziekte, die hij de naam morbus hermeneuticus geeft. Zij leidt tot een Philologisierung der Philosophie. Daarvan houdt Willem Witteveen zich verre. Hij neemt een radicaal andere filosofische positie in: volgens hem kun je auteurs en hun denken niet zomaar beoordelen door de overeenkomsten en discrepanties tussen hun concepten te bepalen. Het filosofisch erfgoed dient niet in eerste instantie te worden gereconstrueerd – door middel van hypotheses en falsificaties – als een strijd om de uiteindelijke waarheid. Het gaat er bij het filosoferen zoals Witteveen dat probeert te beoefenen, eerder om zich te laten inspireren door denkers en de nieuwe gezichtspunten die ze aanreiken: perspectieven waarmee men de praktijk van wetgeving en rechtsvorming tegemoet kan treden. Die gezichtspunten zijn, net als hun auteurs, ingebed in geschiedenissen en ervaringen, en ze geven uitdrukking aan de wil om in hun specifieke context vrede, rechtvaardigheid en fatsoen te realiseren. ‘Ik ben dus vertrokken vanuit de systematiek van de nomoi, en niet vanuit de systematiek van de geschiedenis van de filosofie van het recht’, zegt Witteveen reeds in de leeswijzer aan het begin van zijn boek. Het Griekse woordnomoi, dat hij ontleent aan Plato, betekent hier dan niet alleen ‘wetten’, maar ook ‘wetgevingsadviezen’zoals die bij filosofen in de loop van de geschiedenis steeds opnieuw terug zijn te vinden. Die aanpak maakt inderdaad ‘een andere filosofie van het recht’mogelijk. Hoe kan die andere rechtsfilosofie nu nader worden getypeerd?

In een fascinerend Eindhovens project genaamd ‘Onderwijs = kunst’ wordt een gelijkaardige opvatting van filosoferen gehuldigd. Paul Kuypers maakt er gebruik van de typering die de antropoloog Claude Levi-Strauss geeft in het eerste hoofdstuk van zijn La pensée sauvage. Hij spreekt daar van een praktijk van bricolage, wat zou kunnen worden vertaald als ‘knutselen’. Zo is ook in Witteveens ‘andere filosofie van het recht’ sprake van het op elkaar betrekken van filosofie en wetgeving als knutselen, geïnspireerd door en met gebruikmaking van filosofische gezichtspunten zoals die in het Europees erfgoed tot ontwikkeling zijn gebracht. Dergelijke bricolage beschouwt Levi-Strauss niet als negatief, maar eerder als een ‘eerste wetenschap’ die nog niet is verengd door instrumentalisme, noch door conceptuele systeemvorming. Het is een soort wetenschap die zeer geschikt is om met grote inventiviteit en zin voor pragmatische deugdelijkheid een complexe werkelijkheid binnen te treden, in steeds wisselende en vaak sterk situationeel bepaalde maatschappelijke processen. Dat vraagt om concrete stuurmanskunst, om het zoeken van een weg door trial and error, gebruikmakend van vaak beperkte middelen.

Witteveen is van mening dat die zoektocht gedoemd zal zijn te mislukken wanneer de metafoor van de wet als instrument dominant blijft. Het is frappant dat Levi-Strauss die eerste wetenschap van de bricolage, van het knutselen, duidelijk contrasteert met de activiteiten van de ingénieur. Ook in het recht is die fictieve constructie van de jurist als social engineer tot de vanzelfsprekende metafoor uitgegroeid van een instrumentalistisch discours. Maar de ingenieur, aldus Levi-Strauss, gaat de problemen te lijf met concepten, met leerstellige kwalificaties en met de voor vanzelfsprekend gehouden opvatting dat zijn technische kennis de feitelijke realiteit transparant weet te maken. De knutselaar daarentegen vertrekt niet vanuit zo’n soort instrumentarium, maar maakt gebruik van aandachtspunten die hem kunnen helpen bij het exploreren van deugdelijke oplossingen en het zoeken van verbindingen met waardenoriëntaties in de samenleving. Een dergelijke preoccupatie is niet iets waar de ingenieur gemakkelijk toe komt. Ze ligt eerder besloten in wat de werkwijze van kunstenaar kenmerkt: het tasten en zoeken zonder vanuit het materiaal, vanuit de Stoffbestimmtheit(de uitdrukking is van de Duitse rechtsfilosoof Gustav Radbruch) te abstraheren.

Precies hier begint de relevantie van de metafoor van de wet als kunstwerk aansprekende contouren te krijgen. Hij staat ons toe op zoek te gaan naar wat Witteveen, geïnspireerd door het werk van de Amerikaanse rechtsfilosoof Lon Fuller, ‘de tien geboden van de wetgever’ noemt. Fuller speelt overigens in de benadering van Witteveen een belangrijke rol. Naast Plato, Montesquieu en Bentham reikt hij Witteveen en zijn lezers in deel i van het boek een open kader aan van uiteenlopende perspectieven op wetgeving. Dat kader kan vervolgens een legitieme en tegelijk vruchtbare structuur bieden voor onze kritische reflecties op wet en recht. Fuller analyseerde acht beginselen van wat hij de ‘interne moraal van de wetgeving’ noemde. Die acht beginselen inspireerden Witteveen, in dialoog met Plato, Montesquieu en Bentham, tot wat hij op zijn beurt ‘de tien geboden voor de wetgever’noemt. Die tien geboden poogt de auteur op het spoor te komen via een aantal nomoi.

Onder nomoi verstaat Witteveen zoals gezegd niet alleen wetten, maar tegelijk ook kaders voor wetgeving of wetgevingsadviezen. Precies vanwege deze dubbele betekenis groeit de term in Witteveens benadering uit tot een belangrijke methodologische notie. Het is aan de hand van een aantal nomoi dat de noodzakelijke gezichtspunten worden ontdekt in het werk van een heel aantal denkers – literatoren en filosofen – die de weg wijzen naar een samenhangend geheel van tien geboden voor de wetgever. Die zoektocht vormt de inzet van deel ii van De wet als kunstwerk. Het gaat uiteindelijk om algemeenheid, openbaarheid, vooruitzien, begrijpelijkheid, samenhang, redelijke verwachtingen, duurzaamheid, hanteerbaarheid, autonomie en regelgeleid gedrag. Steeds staan die geboden ten dienste van burger en samenleving en niet ten dienste van politieke belangen of coalities.

‘We kunnen wetten beschouwen als een soort kunstwerken die gebruikmaken van taal om iets te zeggen’, stelt Witteveen. ‘Deze zienswijze past in een oude traditie die op zijn minst tot Plato teruggaat. We zijn in de moderne wereld behoorlijk ver van die traditie af geraakt. Wij zien de wetten niet meer als een kunstwerk, maar als een instrument.’ Instrumentalistische wetgeving gaat voorbij aan de tien geboden en verliest daardoor haar uiteindelijke zin en betekenis. Zij verdampt in snel voorbijgaand opportunisme. Witteveen laat er wat dat betreft geen twijfel over bestaan: ‘Als al het recht wegwerprecht wordt, inwisselbaar, betekenisloos, verliest de samenleving zelf aan betekenis.’ Wat kunnen we doen om dat ontluisterende perspectief te keren?

In deze korte reflectie knoop ik aan bij de gedachte – op verschillende plaatsen in het boek als een soort rode draad aanwezig – dat het idee van de wet als kunstwerk de ogen weet te openen voor een betekenisbereik dat door de opvatting van de wet als instrument haast onzichtbaar was geworden. Wet en recht kunnen dan worden beschouwd en beleefd als ‘symbolische orde’. In het gebod van duurzaamheid voor behoorlijke wetgeving, in het hoofdstuk over de nomoi van de antropoloog Clifford Geertz, wordt die gedachte van wet en recht als symbolische orde het onderwerp van diepgaande reflectie.

Vaak wordt onder de kwalificatie symbolisch, als we het hebben over een concrete maatregel of norm, nogal oppervlakkig verstaan dat die maatregel of norm weinig concrete aanwijzingen geeft hoe te handelen, en bovendien dat hij niet alleen weinig concrete maatschappelijke impact heeft, maar ook niet gedekt wordt door een effectieve afdwingbaarheid. We spreken dan veelzeggend over louter symbolisch. Dat is niet de betekenis die Geertz en met hem Witteveen hier aan de term symbolisch willen geven. Hun betekenis vloeit voort uit de klassiek-Griekse oorsprong van de term. Zo beschouwd verwijst de uitdrukking symbolisch naar een rijke en sterk gelaagde betekenis. In het Grieks betekent to sumbolaion namelijk in eerste instantie het op vast en door iedereen erkende herkenningstekens berustend verkeer tussen mensen. In de oud-Griekse traditie hadden twee mensen ieder een stuk van een gebroken voorwerp, bijvoorbeeld een vaas, als herkennningsteken. Ze konden dan ter identificatie de beide stukken aan elkaar passen. In de term zit dus zowel een perspectief van verdeeldheid als van samenhang. Sumbolon betekent datgene wat mensen aan elkaar bindt, of met elkaar verbindt, en wat hen in staat stelt een gemeenschap met anderen te vormen, ook als zij onderling uiteenlopende belangen of opvattingen hebben. Het heeft ook de connotatie van vertrouwen, zowel in de zin van moreel vertrouwen (zoals in het Engelse trust, een centralenotie in de politieke filosofie van John Locke), als in de zin van functioneel vertrouwen (zoals in het Engelse confidence, een centrale notie bij pragmatische filosofen als John Dewey). Op basis van deze dubbele betekenis van vertrouwen wijst de etymologische achtergrond van de term ook op de activiteit van overleg of deliberatie. En ten slotte refereert hij ook aan het proces van wederzijdse erkenning tussen mensen die vanuit hun uiteenlopende achtergrond vreemden van elkaar zijn of om de een of andere reden van elkaar vervreemd zijn geraakt of met elkaar in conflict zijn gekomen. In deze laatste betekenis, die onder meer voorkomt in de tragedies van Euripides, krijgt het woord sumbolon een pregnante betekenis. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer het strafprocesrecht verweven raakt met het herstelrecht in de pogingen om via bemiddeling dader en slachtoffer weer met elkaar in gesprek te brengen.

Tegen deze achtergrond impliceert de symbolische betekenis van wet en recht een gerichtheid op wat de filosoof Jürgen Habermas ‘solidariteit onder vreemden’ heeft genoemd. In rechtsfilosofisch perspectief is hier inderdaad sprake van een opening naar de ‘andere filosofie van het recht’ die Witteveen bepleit. Een reflectie op de wet als symbolische orde vertrekt immers niet langer vanuit een metafysische waarheid (de klassieke natuurrechtelijke benadering), die als ultieme oorsprong van wet en recht zou kunnen gelden. De wet als kunstwerk, en de wet als symbolische orde, vertrekt vanuit de taal die al eerder is gesproken en geschreven en waarin reeds een proces van betekenisverlening aan het samenleven heeft plaatsgevonden. Reflectie op de wet als symbolische orde heeft dan niet primair te maken met oorsprongsdenken, maar altijd met vergetelheid én met herinnering, met het herstel van een in de taal reeds geformuleerde betekenisvolle wereld waarop verder kan worden gebouwd en vernieuwd. Zo bezien, zo leren ons filosofen als Paul Ricoeur en Cornelius Castoriadis, kan de moderniteit met al haar hoogontwikkelde instrumenten van taalexegese, interpretatie, filologische analyse, ons toch helpen om die taalgemeenschap steeds weer te vernieuwen, weer als het ware leeg te maken en opnieuw op te vullen met de reeds gezaaide kiemen. Nieuwe patronen van gemeenschapsvorming en van wederzijdse erkenning en respect zijn dan mogelijk, de versregel van Hölderlin indachtig: ‘Seit ein Gespräch wir sind’.

Zo begrepen geeft de wet als symbolische orde de burger, de ambtsdrager, maar zeker ook de wetgever zelf te denken. Het werkwoord ‘geeft’is hier van groot belang, stelt Paul Ricoeur. Het is niet de wetgever, burger of ambtsdrager die volstrekt autonoom de betekenis van zijn of haar handelen en van ons samenleven bepaalt, zoals de metaforen ‘de wet als instrument’ en ‘de wil van de wetgever’ suggereren, maar steeds ook, en zelfs in eerste instantie, de symbolische orde, het reeds in het recht gesprokene. Wat de symbolische orde vervolgens geeft, is niet louter een handelingsbevel. Hij geeft te denken. De wet als symbolische orde dwingt als het ware tot reflectie. In haar commentaar op het proces-Eichmann heeft Hannah Arendt hier met krachtige overtuiging op gewezen. Eichmann handelde – aldus zijn verdediging – volstrekt binnen de kaders van de nationaalsocialistische wetgeving. Zijn grootste misdrijf was, aldus Arendt, dat hij zulks volstrekt reflectieloos deed: de banaliteit van het kwaad ligt in de gedachteloosheid. In de reflectie en in het denken ligt de motor van vernieuwing.

De symbolische orde zet ook de verbeelding aan tot actie. De legitimiteit van de wet als symbolische orde is niet te realiseren vanuit technische kennis van de rechtswetenschap alleen, vanuit het conceptueel systeem van een rechtsorde of vanuit het misleidend adagium ‘iedereen wordt geacht de wet te kennen’. Kennis is niet genoeg. Verbeeldingskracht omtrent wat die kennis in het concrete samenleven teweeg zou kunnen brengen is even noodzakelijk. Dat dient de wetgever zich aan te trekken! Kant stelde in de Kritik der reinen Vernunft: kennis zonder verbeelding is lege kennis. We kunnen daaraan toevoegen: wetgeving zonder maatschappelijke en culturele verbeelding is lege wetgeving. Het is in dat perspectief treffend hoe achterin dit boek de tekst wordt aangevuld met een prachtige reeks collages en miniaturen, die de auteur in de periode tussen 2010 en 2012 heeft vervaardigd. Zij confronteren de lezer van dit boek op directe wijze met de verbeeldingskracht van de auteur zelf.

De wet als kunstwerk kan ons gevoeligheid leren, niet alleen voor het waarschijnlijke, maar ook voor het mogelijke, ook als dat op het eerste gezicht onwaarschijnlijk lijkt. Het kunstwerk spreekt de verbeeldingskracht aan. In een instrumentele benadering is dat niet het geval. Daarin gaat het immers om systemische relaties met een hoog vermeend voorspelbaarheidsgehalte. Dat leidt tot verarming en maakt, zoals Witteveen het omschrijft, dat ‘de samenleving zelf […] dan aan betekenis [verliest]’. Immers, wanneer symbolische relaties worden gereduceerd tot systemische relaties heeft dat dramatische gevolgen voor het recht en voor de sociale ethiek. De Leuvense filosoof Herman De Dijn heeft daarop gewezen: systeemrelaties lenen zich goed tot organisatie via de markt, die zelf geregeerd wordt door het systeem bij uitstek, het monetaire, dat het toestaat eender welke preferenties op een systematische, neutrale wijze met elkaar te verbinden en te vergelijken. Zo bezien is De wet als kunstwerk, omdat het boek een andere filosofie van het recht verkiest, een krachtige kritiek op de vermarkting van het publiek domein.

Natuurlijk is er heel wat zogenaamd technische wetgeving nodig, regelgeving op de korte termijn of om tijdelijke problemen het hoofd te bieden. We kunnen dan beter spreken van bestuurlijke maatregelen. Maar de wet als kunstwerk en als symbolische orde leert ons dat er achter de korte termijn in wet en recht ook steeds een lange termijn werkzaam is, die de Franse historicus Fernand Braudel de longue durée heeft genoemd. Dan komt het gemeenschapsstichtend karakter van een rechtsorde in het vizier, zoals die niet alleen in abstracto, maar ook in de tijd, in taal én in duurzame ‘geplogenheden’ (Wittgenstein) van behoorlijke en fatsoenlijke omgangsvormen is uitgekristalliseerd. Montesquieu noemde die longue durée de ‘algemene geest’, die de bedding hoort te vormen van ‘de geest van de wetten’.

Tot slot nog dit. Kort na het neerstorten van de MH17 reed ik in het zuiden van de Bourgogne het stadje La Charité-sur-Loire binnen en las daar op een groot verlaten industrieel complex in grote letters de volgende versregel: ‘Je ne suis pas seul, il y a les mots’ (‘Ik ben niet alleen. Er zijn de woorden’). Er zijn altijd de woorden die ons blijven omringen en die ons beschermen tegen vervreemding, tegen barbarij en tegen ultieme verlatenheid. Die gedachte laat mij niet meer los. Er zijn altijd de woorden van de wet, als kunstwerk en als symbolische orde waarin wij met anderen kunnen gedijen en waarin wij onze eigen plaats kunnen vinden. Maar sinds die dag vooral ook: de woorden van Willem Witteveen die hij ons in dit prachtige boek schenkt en die ons te denken zullen blijven geven. Dit boek is daarom ook een boek dat de kracht kan geven verder te gaan.