Religie

Democratie als cultus

Dubbelbespreking

Marin Terpstra
Boom, Amsterdam, 2010

Door Hans Vollaard, Universitair docent Nederlandse en Europese politiek (UL)

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
De democratische rechtsstaat heeft religie nodig, zo stellen twee nieuwe filosofische boeken over religie en politiek: Democratie als cultus: over politiek en religie van Marin Terpstra en de bundel Religie, politiek & civil society. Verzoening of verzet? Die stelling slaat niet alleen op de erkenning van de specifieke theologie of godsdienst waaraan de democratische rechtsstaat zou zijn ontsproten, maar ook op de roep binnen de democratische rechtsstaat om een kritische Kerk en een heilige cultus. Het is een uitdagende stelling, die de vraag oproept wat de religieuze wortels van een seculiere maatschappij zijn, wat het nut is van religie en hoe religie moet worden ingezet.

De twee boeken geven antwoorden op die vragen, al vergt het soms weerbarstige taalgebruik het nodige doorzettingsvermogen van de lezer. Beide gaan uit van de gedachte dat religie in de politiek relevanter is dan het slinkend aantal gelovigen doet vermoeden. De Nijmeegse filosoof Marin Terpstra stelt in zijn verzameling vertaalde opstellen Democratie als cultus dat religieuze ideeën en woorden de politieke ordening in heden en verleden helpen te begrijpen. In de hoofdbijdrage aan de bundel Religie, politiek & civil society beweert filosoof Donald Loose zelfs dat ‘[h]et christendom […] in de westerse cultuur veelal ook het meest daar aanwezig [is] waar het niet meer wordt herkend of opgemerkt’. Het christendom vormt bijvoorbeeld de basis waarop de scheiding tussen kerk en staat is geënt. De neutrale staat heeft dus geen neutrale wortels. Volgens Loose past het christendom, doordat het in dialoog met de filosofie een noodzakelijk ‘zelfkritische reflexiviteit’ heeft ontwikkeld, bij uitstek binnen een democratische rechtsstaat.

Verderop in de bundel klinkt kritiek op deze gedachte. Socioloog Willem Schinkel doet het af als wishful thinking. Net als godsdienstfilosoof Anton van Harskamp betwijfelt hij de historische houdbaarheid ervan. De vorming van de democratische rechtsstaat ondervond ook weerstand van het christendom, aldus de liberale historicus Patrick van Schie. Daarnaast acht Van Harskamp eenzelfde ‘reflexiviteit’ ook mogelijk in een religie als de islam, aangezien gelovigen altijd met elkaar discussiëren over de manier waarop ze hun God moeten volgen. Het aardige van de bundel is dat er verschillende stemmen aan bod komen. Van een grondige (feitelijke) toetsing van Looses stellingname komt het echter niet. Wat dat betreft is de eerder door Loose geredigeerde bundel Religie in het Publieke Domein (Damon, 2006) van meer waarde.

Discussies over de politieke rol van religie hebben de handicap dat religie een veelzijdig fenomeen is. Alleen al het christendom is te zeer aan plaats, cultuur en tijd gebonden om er in algemene termen over te kunnen spreken, stelt filosoof Ad Verbrugge. Of (christelijke) religie oorzaak of tegenkracht van de democratische rechtsstaat, de Verlichting, geweld of vredelievendheid is, kan daarom niet zonder enige verdere kwalificatie worden gezegd. Stellingnames over de verhouding tussen politiek en religie uit het verleden kunnen dus niet zomaar nu worden toegepast. Van Harskamp stelt dat met de focus op individuele inspiratie religie in het Westen nu ‘lief’ is geworden. Loose meent daarnaast dat christendom en Verlichting een gemeenschappelijk uitgangspunt hebben kunnen vinden in de waardigheid van de mens. Dat zou een emancipatiestrijd tegen het georganiseerde christendom nu overbodig maken. Loose en Van Harskamp beschouwen georganiseerde religie – de Kerk als instituut, een religieus verenigingsleven – als een nuttig middel om in een open debat de overheid, fundamentalisten, maar ook zichzelf te corrigeren.

Religie wordt in Religie, politiek & civil society vooral begrepen als geloof in iets bovennatuurlijks, dat al dan niet in georganiseerd verband wordt beleefd. De negentiende-eeuwse Franse godsdienstsocioloog Emile Durkheim heeft echter een andere opvatting van religie. Religie betreft in zijn ogen de idealen, symbolische gebruiken en verbodsbepalingen (zoals taboes) waarmee de waarden en normen van een gemeenschap heilig, apart worden gehouden. Terpstra vat religie op die durkheimiaanse manier op. Daarmee is zijn zoektocht naar het verband tussen politiek en religie vooral een zoektocht naar de verhouding tussen de ‘aardse werkelijkheid’ en ‘verheven idealen’, waarbij hij zich afvraagt hoe een democratie na het afscheid van God en de soevereine vorst nog een gemeenschappelijke symbolische ondergrond kan hebben. In een democratie is niets meer heilig, want alles staat ter discussie; elk individu kan immers zijn eigen interpretatie geven van de politieke wereld om zich heen. Hoe kan dan nog de eenheid van het democratische volk vorm krijgen?

Reflecterend op het werk van de Franse politiek filosoof Claude Lefort presenteert Terpstra de cultus van de lege plaats. Waar in een theocratie en monarchie de machtsplaats vervuld is door God dan wel vorst, geldt er in een democratie een verbod op het vullen van de machtsplaats. Zodra dat wel zou gebeuren, zou immers de kenmerkende onbepaaldheid van democratie worden geschonden. Verkiezingen vormen bij uitstek de cultus van de lege plaats: ze vormen de aardse werkelijkheid van individuen met ieder hun eigen zegje elke keer weer om tot het verheven ideaal van de democratische gemeenschap. Op basis van het gedachtegoed van de Romeinse filosoof Varro (116-27 voor Christus) wenst Terpstra vervolgens dat de democratische gemeenschap zich weer toelegt op orthopraxie: het naleven van de juiste handelswijze. De politieke gemeenschap en religie moeten zo weer samenvallen. Dat betekent een afscheid van de christelijke nadruk op de juiste leer (orthodoxie), waarin een scheiding is aangebracht tussen het geestelijke en het wereldlijke domein. Dat maakte namelijk niet alleen een niet-religieus vertoog over politiek mogelijk, maar ook weerstand tegen en afkeer van politiek. In een reflectie op het werk van filosofen als Thomas Hobbes en Baruch Spinoza laat Terpstra zien dat dat juist tot verdeeldheid van de gemeenschap kan leiden. De religieus-politieke cultus van de lege plaats verschaft eenheid, maar wijst er ook op dat niemand permanent macht kan claimen in een vrije, democratische rechtsstaat.

Loose en Terpstra bepleiten dus verschillende politieke rollen voor religie, juist ook door hun verschillende opvatting van religie. De vraag is waarom religie die rollen zou moeten vervullen. Loose beschouwt religie als een noodzakelijk tegenwicht voor onder meer narcistisch individualisme, zonder te bewijzen dat dat een ernstig probleem is. Of dat inderdaad zo werkt, hangt echter af van de vorm en inhoud die religie aanneemt. Een terugkerend element in beide boeken is de zorg over ontzieling van de democratische rechtsstaat. Verbrugge spreekt bezorgd van de burger die vervreemdt van zijn (religieuze) gemeenschap, waardoor die zich slechts laat leiden door bestuursmechanismes. Terpstra keert zich tegen de pragmatische politiek, waar ‘zielloos gesteggel over de begroting’ en het ‘meedogenloos behartigen van de eigen belangen’ de boventoon voeren. Religie zou de noodzakelijke bezieling verschaffen.

De vraag is echter wat er mis is met de ontzieling, de onttovering van de politiek; wat is er verkeerd aan een politieke gemeenschap die slechts bestaat uit het rationeel dan wel mechanisch uitwisselen van woorden en goederen? Terpstra vindt dat er zeker in een democratie ‘synthetische elementen’ nodig zijn om willekeurige individuele kiezersgrillen tegen te gaan. Een gemeenschappelijke machtscultus is daarom nodig, ook al zou dat niet stroken met een op de rede gebaseerde analyse van de politiek, zo stelt Terpstra in zijn bespreking van Spinoza’s ideeën. De kritiek van de rede heeft de transcendente religie al kapotgemaakt en nu is zijn vrees dat hetzelfde zal gebeuren met de democratische rechtsgemeenschap. In een weinig uitgewerkte gedachte spreekt hij zelfs van ontrouw en verraad aan niet-rationele verbeeldingstradities die nodig waren voor het algemeen belang en een ongedeelde gemeenschap. Maar hoe is dat te realiseren?

Met een beroep op de Duitse rechtsfilosoof Carl Schmitt stelt Terpstra dat filosofen niet alleen moeten nadenken over de ordening binnen de democratische rechtsstaat, maar ook over de verdediging ervan. De vraag daarbij is of de democratische rechtsstaat kan worden ingesteld en gehandhaafd op grond van dezelfde normen en waarden die daarbinnen gelden. Terwijl binnen een democratie het laatste, ultieme oordeel onbepaald blijft, geldt voor de verdediging ervan dat er wel een beslissend oordeel tussen vriend en vijand wordt geveld. Op het moment echter dat democratie, rechtsstaat, rede en kritische zelfreflexiviteit als heilige beginselen worden uitgedragen, kan dat effecten hebben die die beginselen ondermijnen. Van de Donk en Schinkel waarschuwen bijvoorbeeld voor seculiere intolerantie ten opzichte van een publieke rol van religie. De cultus van de lege plaats zou een democratie kunnen behoeden voor een dergelijk interpretatiemonopolie. Vrijheid van meningsuiting zou de noodzakelijke voorwaarde zijn voor vooral filosofen om zo’n schending bloot te leggen.

Spijtig genoeg gaat de opmerking van Varro dat filosofen door het grote publiek moeilijk worden begrepen, nog steeds op. Terpstra en ook Loose schrijven niet echt toegankelijk. Dat wekt verbazing, omdat Looses bijdrage een voordracht was op een dag bedoeld voor het verspreiden van het filosofisch denken onder een groter publiek. Terpstra meldt verontschuldigend dat ‘de tijd […] helaas nog niet rijp [is] voor een stelselmatig en strak opgebouwd betoog over het politiek-theologisch vraagstuk’. Dat is te merken. Terpstra en zijn uitgever hadden beter de tijd kunnen nemen voor zijn verzameling van vertaalde opstellen. Dan had het boek ook beter aan zijn belofte kunnen voldoen de theologische fundamenten bloot te leggen van de ‘manieren waarop we vandaag over politiek denken en spreken’. Dat ‘we’ zal immers slaan op het Nederlands taalgebied. Zijn werk maakt nieuwsgierig of hij de toenemende verwijzingen naar een joods-christelijke traditie beschouwt als een zinvolle geschiedenisfictie in de democratiecultus en of hij een verbod op het afschaffen van democratie een juiste invulling vindt van de cultus van de lege plaats. Maar goed, misschien verschaffen de onbegrijpelijke woorden en moeizame zinswendingen van deze filosofen nu net het laatste beetje bezieling en betovering waaraan deze wereld zo’n gebrek zou hebben.