Biografie

Derrida

A Biography

Benoît Peeters
Polity Press, Cambridge UK, 2013

Door Nico van der Sijde, filosoof, in 1997 cum laude gepromoveerd op Jacques Derrida

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

Jacques Derrida (1930-2004) was een van de meest tegendraadse en complexe filosofen ooit. Wij leven en sterven volgens hem zonder te weten waarom, want er is geen waarom. Ons denken staat bol van aporieën: elke these is met zichzelf in gevecht, elk filosofisch systeem ondermijnt zichzelf, elke gedachte gaat samen met worstelingen en contradicties, ons bestaan is doordesemd van ambiguïteit. Traditionele begrippen als waarheid, liefde, vriendschap, verantwoordelijkheid, democratie en solidariteit bleven ook voor Derrida essentieel. Maar minstens zo essentieel vond hij hun complexiteit: hun betekenis is volgens hem altijd onbeslisbaar en permanent in wording. En dat geldt volgens hem voor elk begrip en elke gedachte.

Dat verklaart ook de complexiteit van Derrida’s eigen teksten. Al zijn zinnen zijn zwanger van tegenstrijdige betekenissen, elk sleutelwoord bezwijkt onder zijn dubbelzinnigheid, iedere ingenomen positie wordt ondergraven. Dat is geen Spielerei, zoals veel Derrida-critici dachten, maar een poging om door middel van een complexe stijl recht te doen aan de complexiteit van ons bestaan. Echter wel een poging waar veel lezers hoofdpijn van kregen: weinig auteurs zijn zo ongrijpbaar als Derrida.

Toch is Benoît Peeters erin geslaagd om een heldere Derrida-biografie te schrijven. Glansrijk, zelfs. Hij heeft allerlei nieuwe gegevens opgediept door honderden interviews af te nemen en karrenvrachten gearchiveerde brieven en dagboeknotities te bestuderen. Dat is al een tour de force. Nog knapper is hoe Peeters al die gegevens aaneenrijgt tot een fascinerend verhaal over Derrida’s turbulente leven en carrière. Een spannend verhaal bovendien, goed geschreven en vol verbazende momenten. Maar het allermooiste is hoe hij dat verhaal steeds met het werk van Derrida verbindt, zonder ook maar iets af te doen aan de ambiguïteit daarvan. Peeters neemt de raadselachtigheid van Derrida’s oeuvre dus niet weg door het tot ‘de man achter het werk’ te reduceren. Integendeel: Peeters verrijkt en verdiept die raadselachtigheid door zijn uiterst genuanceerde beschrijving van de verbindingen tussen Derrida’s ervaringen en teksten.

Intrigerend bijvoorbeeld is om te lezen hoezeer Derrida al in zijn jeugd een buitenstaander was. Hij was een vreemdeling in zijn geboorteland Algerije door zijn joodse afkomst, en als joodse Algerijn in Frankrijk was hij nog meer ontworteld. Toen Algerije zich van Frankrijk lossneed, liet dat in Derrida een pijnlijke wond achter en een schrijnend gemis. Peeters laat mooi zien hoe dat alles doorklinkt in Derrida’s teksten over de jood, de vreemdeling en onze thuisloosheid. Teksten die waren geïnspireerd door Levinas, maar die ook (en dat wist ik niet) verwerkingen waren van persoonlijke ervaringen. Vermakelijk vond ik dat Derrida al vroeg van al zijn leraren hoorde dat hij de traditionele regels moest volgen en niet steeds zijn eigen regels moest uitvinden. Even onderhoudend als ongelofelijk zijn de beschrijvingen van botsingen met de pers en met de academische cultuur in Frankrijk. Intrigerend vond ik Derrida’s trouw aan zieke, stervende en gestorven vrienden (zoals Althusser, De Man, Nancy) en hoe die dan weer doorklinkt in zijn teksten over vriendschap. Meeslepend is de beschrijving van zijn stijgende populariteit in Amerika en van alle conflicten die dat weer opriep. En ronduit verbazend is hoe depressief en gekweld Derrida zijn leven lang blijkt te zijn geweest. Dat had ik nooit gedacht. Maar dat komt doordat ik zelf Derrida pas in de jaren negentig meemaakte: toen was hij, ondanks alle kwellingen die hij onderging, een ‘performer’ die hele dagen zonder pauze sprak, met ongelofelijke energie en inspiratie, intens genietend van het contact met zijn publiek. Peeters laat mooi zien hoe die ontwikkeling tot performer verliep, en hoe Derrida’s teksten zich geleidelijk tot ‘theaterteksten’ ontwikkelden, die je niet moest lezen, maar horen.

Ook interessant is het te lezen hoe Derrida’s teksten zich in ‘autobiografische’ richting ontwikkelden. Filosofie was volgens Derrida geen abstract fenomeen, maar onlosmakelijk met de persoonlijke ervaring verbonden. Die persoonlijke ervaring zag hij als een raadsel dat niet moet worden versimpeld, maar door literaire stijlfiguren moet worden vergroot. Derrida hield daarom al in zijn jeugd van auteurs als Nietzsche, Gide, Kierkegaard en Genet, die de onuitspreekbare kanten van hun eigen psyche wilden uitdrukken in al hun geheimzinnige rijkdom. Precies dat deed Derrida zelf ook, vooral in latere teksten. Daarin cirkelt hij rond diverse persoonlijke ervaringen, met een stoet van meerduidige metaforen, cryptische fragmenten en ambigue allusies. Peeters laat zien dat Derrida daarbij veel eigen dagboeknotities en brieven hergebruikte, waarin hij om dezelfde ervaringen heen draaide in andere bewoordingen, maar op dezelfde duistere manier. Kennelijk gaf Derrida in zijn publieke en niet-publieke teksten steeds opnieuw vorm aan zijn eigen raadselachtig verhaal, alsof dit een experimenteel gedicht was dat steeds herschreven moest worden.

Dat ging ver, soms. Een van de laatste teksten van Derrida ging over de bevende hand: die associeert hij met een ervaring van niet-weten, passiviteit, verlies van controle, kwetsbaarheid. Dat is ook de ervaring van de kunstenaar, aldus Derrida: iemand is pas echt schilder als zijn handen beven, zodat hij de controle over zijn handen verliest en niet weet wat er met zijn kunstwerk gaat gebeuren. Dan wordt hij gegrepen door ‘het andere’, en dat is de motor van de kunst. Een intrigerende gedachte, treffend voor de werkwijze van sommige experimentele schilders. Tegelijkertijd echter was het ook de omcirkeling van een pijnlijke ervaring: Derrida was dodelijk ziek en had daardoor zelf bevende handen. Hij was ook zelf gegrepen door ‘het andere’ en had ook zelf geen controle meer. Zelfs zijn verval en nakende dood was dus voor Derrida voorwerp van fascinatie en onderzoek.

Deze biografie is verrijkend: zelf heb ik veel Derrida-boeken gelezen, maar die blijken nu betekenislagen te bevatten die ik nooit had vermoed. De lezer moet wel het nodige van Derrida weten om deze biografie goed te kunnen volgen, maar Peeters schrijft helder en allesbehalve Derridiaans. Misschien noemt hij Derrida’s teksten te vaak ‘superb’ of ‘eloquent’, maar dat enthousiasme is tegelijk wel aanstekelijk. Bovendien heeft hij ook oog voor Derrida’s tekortkomingen. Misschien had hij sommige zaken meer kunnen uitdiepen, maar belangrijker (en heel knap) is dat hij zich niet in details verliest en steeds een duidelijke lijn vasthoudt. Kortom, dit is een uitstekende biografie, die veel toevoegt aan wat we meenden te weten over de ondoorgrondelijke Jacques Derrida.