Literatuur

Die Reise

Ida Fink
Jüdischer Verlag im Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 2011
Nachwort von Monika Maron

Door Arvi Sepp, docent-onderzoeker Duitse literatuur, Universiteit Antwerpen/Erasmushogeschool Brussel

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

De Pools-Israëlische schrijfster Ida Fink, geboren in 1921, is een overlevende van de Holocaust. Ze emigreerde in 1957 naar Israël, waar ze in het Pools autobiografisch geïnspireerde romans en verhalen over haar traumatische Shoah-ervaringen schreef. Veel van deze werken gaan op een ingetogen en vertederende manier over intieme relaties tussen ouders en kinderen, tussen zussen en broers, tussen man en vrouw in tijden van onmenselijk leed. Toen ze op 27 september 2011 stierf, liet ze een grote leegte achter in het Poolse en Israëlische literaire landschap. Ze werd in de loop van haar literaire carrière onderscheiden met verschillende prestigieuze prijzen, zoals de Israëlprijs in 2008 en de Yad Vashemprijs in 1995. Haar werken, die van hoge esthetische kwaliteit zijn en een unieke weergave vormen van de Shoah en de trauma’s van de overlevenden, werden in verschillende talen vertaald, waaronder het Engels, Nederlands, Frans, Spaans, Hebreeuws en Duits.

Ida Finks roman Podróż, die in 1990 voor het eerst verscheen en in 2011 door Klaus Staemmler onder de titel Die Reise bijzonder verdienstelijk in het Duits vertaald werd, gaat over de manier waarop tijdens de Holocaust de doodsangst binnendringt in de psyche van gewone mensen en hen in het diepst van hun wezen raakt.

Die Reise vertelt het bewogen verhaal van twee joodse tienermeisjes die in 1942 het getto van hun Poolse geboortedorp ontvluchten met valse identiteitspapieren. Ze doen zich voor als eenvoudige katholieke plattelandsmeisjes die zich net als vele andere jonge Poolse vrouwen bij de Duitse autoriteiten aanbieden vrijwillig in Nazi-Duitsland te gaan werken. Ondanks het dreigende gevaar van deportatie en dood blijven de protagonisten bijna altijd hoopvol en getuigen ze van een onstuitbare drang te overleven. Het verhaal van hun odyssee per trein door Nazi-Duitsland, het land van de vijand, bestaat uit negen hoofdstukken en een epiloog. De meeste hoofdstukken beginnen bij een station en eindigen bij een ander. Ze vormen een gesloten portret van de plaatsen waar ze zich tijdens de verschillende deeltrajecten bevinden en van de mensen die ze daar ontmoeten.

In Holocaustromans en -films is de trein steevast een terugkerend topos, dat staat voor deportatie en uiteindelijk dood. Ook Ida Finks roman Die Reise wordt gestructureerd door de treinreizen van de beide meisjes, maar het transport is in hun geval geen voorfase van de vernietiging, maar een middel dat het toelaat om continu van schuilplaats en identiteit te veranderen. De meisjes moeten hun vlucht opdelen in korte etappes, omdat ze voor langere reizen hun identificatiedocumenten getoond zouden moeten hebben. Om die reden is de roman een opeenvolging van geografische locaties, die in caleidoscopisch detail beschreven worden. Reizen betekent overleven. En deze reis overleven de twee zusjes dankzij hun scherpzinnigheid, moed en een grote portie geluk. Doordat de narratieve structuur van het werk de klemtoon legt op de dynamiek van hun vlucht van plaats naar plaats, die uiteindelijk resulteert in een happy end, heeft deze Holocaustroman op paradoxale wijze kenmerken van een spannende avonturenroman of een literaire roadmovie. Het verloop van elk deeltraject van de reis wordt minutieus beschreven en elke plaats die ze aandoen quasifotografisch opgetekend. Vanuit het getto in Polen vertrekt hun tocht naar Dortmund in het Ruhrgebied en gaat zo verder naar onder meer Bonn, Frankfurt en Heidelberg.

Van de stad Heidelberg zijn de twee voortvluchtige zusjes zeer onder de indruk. De sfeervolle schildering van de architecturale pracht en culturele rijkdom in de Duitse universiteitsstad staat in schril contrast met de inhumane waanzin van de genocide die op datzelfde ogenblik elders plaatsvindt. In een tijd waarin de dood alom tegenwoordig is, schrijft Fink over het leven. De schrijfster creëert de schijn van een toeristisch bezoek, van een plezierreis met een wandeling in de Altstadt, kuierend langs de Neckar: ‘Wir gingen einen ganzen Tag lang durch diese schöne Stadt und am Ufer entlang, von früh bis spät, mit einer Pause für die Mittagsruhe, und kehrten abends zurück auf den Schloßberg, um zu schlafen. Wir gingen erst im Sonnenschein und dann im Regen, und zeitweilig, wenn die Sonne schien, war es wirklich so, als wären wir nur hergekommen, um diese schöne Stadt zu besichtigen.’ (p. 184) De zelfbegoocheling van een reis die er geen is, blijkt een psychologische reddingsboei waaraan de beide joodse meisjes zich vasthouden om niet ten onder te gaan. Omdat steeds weer het alledaagse en het detail de overhand hebben ten opzichte van de onbeschrijfbare waanzin van de genocide, noemt Fink de onwaarschijnlijke odyssee van de twee zusjes in Die Reise een ‘reis’ en niet een ‘vlucht’.

Dit perspectief onderscheidt Finks schrijven op een radicale manier van Holocaustromans van bijvoorbeeld Primo Levi of Elie Wiesel. Ida Finks beklijvende, maar onsentimentele vertelstijl heeft in geen geval een theologische ondertoon die apocalyptische wereld- en mensbeelden tot uitdrukking brengt. Het is een ingehouden, gesmoord verdriet dat fluisterend vertelt hoe de grootste massamoord van de mensheid niet op een andere planeet plaatsvond, en dat er steeds weer aan herinnert dat deze genocide werd uitgevoerd door mensen, door personen. De misdadigers en omstanders waren vaak ogenschijnlijk gewone mensen, die toch in staat bleken te moorden of passief toe te kijken, ook op mooie zomerdagen, in idyllische landschappen. Het verdwijnen van de grens tussen normaliteit en monstrositeit geeft Ida Fink op een magistraal gevoelige wijze weer. Dit perspectief van de alledaagse banaliteit van het oorlogsgebeuren is wars van spectaculaire schilderingen. Voor de oudste zus – tevens de vertelster van het verhaal – is het einde van de oorlog dan ook geen dramatische of heroïsche ontknoping, maar wordt het nuchter geassocieerd met twee Amerikaanse pantserwagens op een verlaten dorpsstraat: ‘Es ist der erste Aprilsonntag 1945, ein schöner Tag, eine schon stechende Sonne. Die Panzerwagen fahren langsam vom Ober- ins Unterdorf […]. Ich stehe und warte. So sieht also dieser Augenblick aus: Zwei Autos auf der leeren Dorfstraße.’ (p. 217)

Zo’n onsentimentele weergave van diepe emoties of historische cesuren is een manier om afstand te creëren. Een andere manier is een metareflexieve problematisering van het herinneringsvermogen; Fink reflecteert in haar werk steeds op de poiesis van de autobiografische herinnering, waardoor ze bewust beklemtoont dat de authenticiteit van de getuigenis van Zeitzeugen niet zozeer te vinden is in de objectieve weergave van feiten, beelden en gebeurtenissen, maar veeleer in het proces van het vertellen zelf. De waarachtigheid als ethisch principe van de literaire getuigenis bevindt zich in de onzekerheid van de herinnering, die door trauma en angst bemoeilijkt of verdrongen wordt. Hoewel Finks relaas chronologisch opgebouwd is, wordt het vaak onderbroken vanwege die onzekerheid van de vertelster of ze zich alles wel getrouw kan herinneren. Ze merkt herhaaldelijk op hoe haar geheugen blinde vlekken heeft en haar herinneringsvermogen ‘in Fetzen zerrissen ist’. (p. 64) Bij het vertellen van haar verhaal stelt ze steeds weer vast dat de details haar ‘Gedächtnis entfallen’ zijn (p. 23).

In de laatste pagina’s van de roman – als ze na lange jaren van afwezigheid Duitsland opnieuw bezoekt – merkt de protagoniste op dat de plaatsen die ze op haar vlucht tijdens de Holocaust zag, niet overeenkomen met haar herinneringen eraan, zoals in de volgende passage: ‘In meiner Erinnerung war der Platz rund, jetzt erwies er sich als rechteckig. Nicht zu glauben, wie sich dieser Platz verändert hat, das heißt, wie ihn meine Erinnerung verändert hatte, sie verlieh ihm eine andere Form und fügte zahllose Bäume hinzu, in der Erinnerung wuchsen sie dicht an dicht, in Wirklichkeit aber spärlich.’ (p. 223)

De narratieve fragmentatie door de vele herinneringsleemtes wordt bovendien nog versterkt door het feit dat de vertelinstantie constant wisselt tussen de eerste en de derde persoon enkelvoud, tussen tegenwoordige tijd en voltooid verleden tijd. De versnippering van de subjectieve tijdsbeleving toont de vervreemding en de desoriëntatie van de voortvluchtige zusjes. Bovendien leiden hun frequente naamsveranderingen tot een gebroken zelfbewustzijn, waardoor ze zichzelf tijdens de reis innerlijk dreigen te verliezen. De reis lijkt weliswaar de enige manier te zijn om fysiek te kunnen overleven, maar de psychologische prijs hiervoor is erg hoog. Om de autoriteiten te misleiden, veranderen de meisjes gedurende hun vlucht in totaal drie keer van naam: eerst noemen ze zichzelf Katarzyna Majewska en Elżbieta Stefánska, daarna Joanna Pilecka en Jadwiga Kotula, en ten slotte Barbara Faleńska en Maria Walkowska. Bij elke naamsverandering moeten ze zich steeds opnieuw indekken door een ander autobiografisch verhaal te verzinnen. Door de vermoeidheid, de angst en de snelheid waarmee ze dikwijls moeten handelen, wordt dit hoe langer hoe moeilijker, zoals in het laatste deel van de roman: ‘Ehe wir in den Zug stiegen, legten wir unsere neuen Namen fest: Jadwiga wurde nun Barbara Faleńska heißen, ich Maria Walkowska. Um uns noch Lebensläufe auszudenken, reichte die Zeit nicht.’ (p. 177) De echte namen van de twee jonge protagonisten komt de lezer op geen enkel ogenblik te weten.

De existentiële onzekerheid door doodsangst en het verdwijnen van de eigen identiteit worden nog versterkt in een tijd van genocide, een tijd waarin de vertrouwde ethische waarden niet meer van toepassing lijken te zijn. Tijdens de Holocaust ontstaat in een schijnbaar moderne en ‘geciviliseerde’ samenleving een Freiraum waarbinnen moord, discriminatie, verraad en vernedering normaal en psychologisch aanvaardbaar worden. In een van de veelzeggende en beangstigende passages in de roman dagen de jonge Poolse arbeidsters in de fabriek in het Ruhrgebied Katarzyna en Elżbieta bijvoorbeeld uit om rond kerst kerstliederen te zingen (p. 97). De metamorfose van deze heel gewone Poolse meisjes tot diabolische furiën toont hoe individuele doorsneemensen tot een massa van koude mededaders kunnen worden. Zo zingen ze op een ander ogenblik met duivels leedvermaak voor de clandestiene joodse arbeidsters – die elk ogenblik gedeporteerd zouden kunnen worden – de populaire Poolse tango ‘Der letzte Sonntag’: ‘Der Saal wiegte sich, die schweißnassen Mädchengesichter verschwammen zu einem Fleck, zu einem offenen Mund: Der letzte Sonntag! Der Gesang ging in Geschrei über, sie würgten an den Worten, sie verschluckten sich am Lachen, sie stampften mit den Füßen. Das waren nicht die Mädchen, die hier zusammen mit uns eingetroffen waren, das waren Furien.’ (p. 111) Gangbare sociale conventies als solidariteit en empathie lijken opgeheven te zijn en het antisemitisme wordt bijna feestelijk met gelach en gezang gevierd en beleden.

Dit samengaan van banaliteit en inferno ziet de lezer ook heel duidelijk in de uitvoerige manier waarop Ida Fink het landschap beschrijft. Het landschap – de natuur, de industrie, de stad, het dorp – is veel meer dan slechts een decor. Het speelt in de roman een bijna even belangrijke rol als de figuren zelf en gaat op verschillende manieren de dialoog met hen aan, maar blijft steeds onverschillig tegenover het leed van de vervolgden. Het platteland kan zowel een locus horribilis als een locus amoenus zijn; het kan het thuis zijn van een wrede en hardvochtige boerenbevolking, maar ook een idyllisch vluchtoord voor Katarzyna en Elżbieta betekenen. Dit delicate clair-obscur van idylle en terreur ligt ten grondslag aan de poëtica van de roman. Het is het onwezenlijke verhaal van een leven op de vlucht met een constante blik op de dood.

Ida Finks proza is uitgesproken poëtisch en eenvoudig. Het verhaal aan de rand van de Holocaust laat een taal toe die de angst en de vervreemding van de protagonisten in zekere mate onder woorden kan brengen. De lezer vindt een narratief waarmee hij zich kan identificeren. Het accent op hoop en levenswil in tijden van inhumane misdaden en onbeschrijflijk leed zorgt voor de dramatische energie van Finks ontroerend nuchtere schrijven. Die Reise toont in deze mooie Duitse vertaling de reële esthetische waarde van Ida Finks proza en is een passend eerbetoon aan de buitengewoon expressieve kracht die uitgaat van haar leven en literaire oeuvre.

Van dezelfde recensent: Steven Zipperstein, Rosenfeld’s Lives