Filosofie

Du musst dein Leben ändern

Über Anthropotechnik

Peter Sloterdijk
Suhrkamp, Frankfurt am Main, 2010
In het Nederlands verschenen als: ‘Je moet je leven veranderen. Over antropotechniek.’ Uitgeverij Boom, Amsterdam

Door Diederik Wienen, theoloog en schrijver

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

De Duitse filosoof Peter Sloterdijk is een productief schrijver. Zijn voorlaatste boek, intussen ook in het Nederlands vertaald, kreeg als titel Du musst dein Leben ändern, een op het eerste gezicht weinig filosofische titel. Het boek kreeg als ondertitel Über Anthropotechnik, wat niet direct poëtische vergezichten oproept. Op de ondertitel kom ik nog terug, maar de titel is bij nader inzien raak gekozen. Sloterdijk ontleent hem aan het gedicht Archaïscher Torso Apollos van de dichter Rainer Maria Rilke.

Rilke schreef zijn gedicht in de tijd dat hij in Parijs bij de beeldhouwer Auguste Rodin verbleef. Het gedicht beschrijft de indruk die een torso uit de Klassieke Oudheid op Rilke maakte. Het beeld, als torso in zekere zin slechts een fragment, zonder hoofd, heeft voor de dichter een kracht die hem in beweging zet, of daartoe in ieder geval aanzet. Het gedicht is doortrokken van de zinnelijke en tegelijk spirituele spanning die het beeld oproept. Als fragment is het beeld toch helemaal af en ziet de dichter – en via hem ons lezers – aan, en heeft voor ons, voor mij, een boodschap:

…: Denn da ist keine Stelle

Die dich nicht sieht. Du musst dein Leben ändern.

De verhouding tussen subject en object draait hier om. Het kunstwerk bezit een autoriteit, die Sloterdijk beschrijft als een ‘verticale spanning’. De beschouwer die deze bezielde spanning ondergaat, beseft dat hij zijn leven niet zonder meer verder kan leven alsof er niets gebeurd is. De ervaring met het beeld drukt in Sloterdijks woorden een absolute imperatief uit. Door zich daar aan over te geven, valt de beschouwer een verlichting ten deel, die zijn leven verruimt en hem boven zichzelf doet uitgroeien.

Dat lijkt een bijna religieuze ervaring, maar dat is voor Sloterdijk geen juiste conclusie, of in ieder geval een niet helemaal juiste. Hij begint zijn boek dan ook met een inleidende beschouwing waarin hij aangeeft niet te geloven in ‘een terugkeer van de religie in de moderne wereld’, eigenlijk vooral omdat de religie in eigenlijke zin voor Sloterdijk geen object heeft, in ieder geval niet het traditioneel transcendente dat we ons daar gewoonlijk bij voorstellen. De terugkeer van de religie noemt hij een sprookje.

Religie is voor Sloterdijk de verdraaide uitdrukking van een dieperliggend antropologisch gegeven, dat hij aanduidt als ‘het inzicht in de immunitaire structuur van het menselijk wezen’ en dat zich uitdrukt in ‘spirituele oefensystemen’. Of hij daarmee afdoende duidelijk maakt waarom religie achterhaald is en of dat ook inderdaad zo is, blijft als vraag staan. Sloterdijk volstaat op dit punt met het herhalen van zijn these en past verder zonder veel mitsen en maren de geschiedenis van de religies in in zijn eigen project. Daartegen zou minstens opgeworpen kunnen worden dat ‘religieuze behoeften behoren tot de antropologische invariabelen. (…) Religie geeft een antwoord op de altijd blijvende behoefte om te leven in een betekenisdragend, zingevend en zin gegeven universum’ op een wijze waarvoor geen alternatief voorhanden lijkt, maar waarvoor Sloterdijk vermoedelijk zijn schouders ophaalt.[1]

Met de genoemde immunitaire structuur van het menselijk wezen bedoelt de auteur dat de mens de aanleg heeft zich bewust, maar vaker nog onbewust, te beschermen in zijn omgeving. Dat doet hij op fysisch-biologisch, sociaal én symbolisch niveau. Op dat laatste niveau maakt hij bijvoorbeeld gebruik van religie en kunst. De manier waarop de mens zich beschermt, is door oefening. ‘De mens is het wezen dat door oefening ontstaat,’ schrijft Sloterdijk aan het begin van zijn boek, en oefening betekent herhaling, eindeloze herhaling. Ascese is een woord dat daar dichtbij ligt en dat het boek in één adem met oefening, training en discipline noemt. Door een dergelijk leven in oefening en ascese kan de mens boven zichzelf uit groeien. De handelingen werken namelijk ook door in degene die handelt, de werken werken door in de werker. Daarin uit zich de verticale spanning waaronder het leven staat.

De vele vormen van dat oefenende leven brengt Sloterdijk samen in de term die de ondertitel van het boek vormt: de antropotechniek. Die term klinkt kil en roept associaties op met de discussie rond Sloterdijks Regels voor het mensenpark uit 1999, waarin zijn gedachten rond de mogelijkheden van de gentechniek hem op scherpe kritiek van onder anderen Jürgen Habermas kwamen te staan. Daarmee vergeleken is Du musst dein Leben ändern eerder gematigd van toon; de auteur spreekt nu, in plaats van een verwijzing naar het mensenpark te maken, liever met Carl Friedrich von Weiszäcker van ‘de tuin van het menselijke’.[2] In de context van de eenentwintigste eeuw wil Sloterdijk met zijn antropotechnische beschouwingen zijn visie geven op de toekomst van de mens, die hij samenvattend presenteert als een algemene immunologie. Expliciet doet hij dat overigens pas helemaal aan het eind van het boek.

Aan het begin van het boek gaat Sloterdijk doelbewust uitvoerig in op het gedicht van Rilke. Via het door Rilke bezongen beeld van Apollo komt Sloterdijk bij de Klassieke Oudheid, die voor hem in navolging van Nietszche een ideaaltypische betekenis lijkt te hebben. De naam van Apollo, die symbool staat voor rationele schoonheid en orde, is in zekere zin secundair: hij staat voor iets, dat ‘zoals de titel van het gedicht al doet vermoeden (…) opwelt uit prehistorische bronnen.’ En daarin belichaamt deze Apollo ook zijn oude tegenspeler, Dionysus, de god van de drang en beweging, wat overigens ook in de zinnelijke spanning van het gedicht tot uiting komt.

Het is een wereld van de onschuld van voor het begin, die de dichter (en met hem Sloterdijk) hier oproept – een wereld waar de mens het aardse leven in al zijn diversiteit en tegenspraak ervaart en tegemoet treedt en waar hij op zijn plaats is. Bij Plato is echter al een cesuur zichtbaar, waarbij geestelijke waarden gemakkelijk tegenover lichamelijke, aardse waarden komen te staan. Wanneer de kerkvaders Plato in de vroegchristelijke periode omarmen, verzwaart dat volgens Sloterdijk diens erfenis nog eens met de zware schuld die het christendom in zijn Paulinische en Augustijnse gestalte door de geschiedenis met zich meezeult en die het aardse bestaan van de mens onder een negatief voorteken plaatst.

Vanuit deze inzet is het niet vreemd dat Sloterdijk zijn beschouwingen voortzet met Friedrich Nietzsche, verreweg de meest aangehaalde auteur in het boek, bij wiens werk hij inhoudelijk nauw aansluit, hoewel hij oog heeft voor diens eenzijdigheden en schaduwkanten. In het spoor van Nietzsche oogsten vooral denkers als Heidegger, Wittgenstein en (de late) Foucault Sloterdijks waardering.

Zoals aangegeven, zijn het voor Sloterdijk de tradities van oefening, ascese en discipline die het leven van de mens in de wereld vorm geven. In de moderniteit is de band met die tradities en de verticale spanning waaronder zij het leven plaatsen, bedreigd; dat de mens door vaak moeizame inspanning geleidelijk grip krijgt op het bestaan en zijn wil vormt en hervormt, en zo ook boven zichzelf uitstijgt, is een wijsheid die mensen zich nog maar sporadisch lijken eigen te maken, verwend en lui gemaakt in een consumptiecultuur. Werk is daarbij veelal arbeid geworden in dienst van productie in plaats van een ambacht dat men zich eigen maakt door oefening en streven naar perfectie. Ook de kunst deelt in deze malaise van de moderniteit. In de moderne tijd zijn het invaliden, acrobaten en (vooral) sporters die nog weten van het oefenende leven. Een herneming van de geschiedenis levert dan heel wat oefenstof.

Zo meandert Sloterdijk in een uitgebreid en bij tijden onnavolgbaar betoog door de geschiedenis aan de hand van begrippen als oefening, ascese, discipline, exercities en rituelen. Vooral oosterse spirituele tradities, maar ook de spirituele rijkdommen van de christelijke traditie, die bijvoorbeeld in de orderegels tot uiting komen, krijgen aandacht en waardering. Sloterdijk hertaalt die geschiedenis wel en zet hem met allerlei eigen woordvondsten naar zijn hand.

Vaak maakt Sloterdijk in zijn essay verrassende zijsprongen en weidt hij met een schijnbare nonchalance en met kennelijk genoegen uit over zeer uiteenlopende fenomenen. In die zin toont hij zich een waar meester van ‘de vrolijke wetenschap’. Zo staat hij stil bij Unthan, de armloze violist, geeft hij verrassende inzichten in Kafka’s hongerkunstenaar en het ontstaan van de moderne Olympische beweging, en krijgt ook de opkomst van de Scientologykerk een plek in zijn essay.

In de slothoofdstukken maakt Sloterdijk de balans op. Een terugblik schetst een wat ambigu beeld: ‘Zeker, de nieuwe tijd heeft een van zijn beloften gehouden: door hem werd voor de wereldverzakende ethici die de millennia tussen Heraclitus en Blaise Pascal, tussen Gautama Boeddha en Totapuri bevolkten, de mogelijkheid geboden op een nieuwe manier wereldkinderen te zijn. Maar door deze belofte te houden, heeft hij de mensen tegelijkertijd afgenomen wat velen tot dan toe voor het beste hielden: de mogelijkheid zich radicaal van de wereld te onderscheiden.’ De weg naar de religie is voor Sloterdijk in die moderne wereld afgesneden; voor hem is zij te zeer verbonden met een van de wereld losgezongen bovenaards ideaal. Alleen een afzien van ingebeeld geluk kan werkelijk geluk brengen. Moderniteit biedt ons ‘het staatsburgerschap van het in-de-wereld-zijn’, ‘een paspoort van de Verenigde Staten van de Gewoonheid’, waar we met Goethe Weltkind in der Mitten zijn.

Sloterdijk wijst er zelf op dat diezelfde moderniteit ook heeft geleid tot een totalitaire uitbuiting van mensen en dat de moderne consumptiecultuur mensen zo zeer verlamt dat ze nauwelijks nog ontvankelijk blijken voor een verticale spanning, laat staan voor een absolute imperatief. Om hieraan te ontkomen, komt Sloterdijk via Heidegger – die het bestaan weer radicaal begint te denken vanuit het in de wereld zijn – uit bij een van zijn helden uit de Klassieke Oudheid, Heraclitus: Vanuit de rivier van het leven dient het denkende Zelf zich toegang te verschaffen tot de oever. Dat betekent onontkoombaar een op de dingen en de mensen aangewezen bestaan in die Sorge (Heidegger). Daarbij kunnen de ‘schatkamers van de oefenkennis’ nog steeds heilzame energieën losmaken om de mensen opnieuw ‘weg te leiden, niet uit de wereld, maar uit de matheid, de mismoedigheid, maar vooral uit de banaliteit’.

Maar waar horen wij vandaag de absolute imperatief nog, hoe krijgt de verticale spanning opnieuw spankracht voor een moderniteit in crisis? In het slothoofdstuk van Du musst dein Leben ändern is het de wereldwijde crisis zelf, die zich in onze tijd uit op ecologisch, sociaal en economisch terrein, die de gevraagde autoriteit bezit. In dit tijdperk van globalisering voert Sloterdijk een pleidooi voor het ontwikkelen van een algemene immunologie of een ‘wereldwijd immuundesign’, dat (als opvolgster van de metafysische theorie van de ‘religies’) de zich ontwikkelende wereldsamenleving bestendig maakt in de crisis en ons in staat stelt de oude tegenstelling van het ‘eigene’ tegenover het ‘vreemde’ te overstijgen in een ‘co-immunisme’. De zo ontstane beschaving heeft haar eigen orderegels en volgens de slotzin zou ‘conform die regels willen leven betekenen: zich door dagelijkse oefeningen de goede gewoonten van gemeenschappelijk overleven eigen maken’. Na de bizarre tocht door de geschiedenis met bij vlagen boeiende en briljante beschouwingen maakt dat slot een abstracte en naïeve indruk.

[1] Aldus de Poolse filosoof Leszek Kolakowski tijdens de Nexus-conferentie 1998, waar Sloterdijk en Kolakowski elkaar troffen. Vgl. ‘Weg met het jaloeziedebat van theologen’ in: Trouw, 19 mei 1998. Vgl. ook Nexus 21, p. 108, 109.

[2] Vgl. Uwe Justus Wenzel, ‘Üben, üben, üben!‘ in: Neue Zürcher Zeitung, 4 april 2009.