Literatuur

Dying for Time

Proust, Woolf, Nabokov

Martin Hägglund
Harvard University Press, Cambridge, MA

Door Manet van Montfrans, onderzoeker Moderne Europese Letterkunde (UvA), romanist en redacteur ‘Marcel Proust Aujourd’hui’

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel

De Zweedse filosoof en literatuurwetenschapper Martin Hägglund (1976) verwierf in 2008 bekendheid met de studie Radical Atheism: Derrida and the Time of Life. Uit de titel blijkt al de strekking van het boek: Hägglund ziet Derrida als een denker voor wie er buiten het sterfelijk leven niets is, en neemt daarmee stelling tegen de pogingen van bijvoorbeeld de filosoof John D. Caputo om de ideëen van de in 2004 overleden Frans-Algerijnse filosoof in een religieus kader te plaatsen.

In Dying for Time gaat Hägglund opnieuw in tegen de filosofische traditie die, van Plato tot Freud en Lacan, angst voor de dood en de eindigheid doet voortkomen uit een verlangen naar onsterfelijkheid, naar een staat van zijn die niet aan verandering onderhevig is. Volgens Hägglund verlangen we helemaal niet naar onsterfelijkheid; integendeel, onze angst voor de dood komt voort uit onze gehechtheid aan het eindige leven. Zijn hoofdargument is dat verlangen altijd is gebonden aan tijd. Als er geen tijd zou zijn, zou er geen verlangen mogelijk zijn. Ons verlangen ontstaat en wordt onderhouden door het besef dat de dingen waar we om geven, verloren kunnen gaan. Vervulling van het verlangen is niet onmogelijk, maar wel noodgedwongen tijdgebonden. En op het moment waarop vervulling plaatsvindt, dreigt al het verlies.

Chronophilia, de passie voor het tijdelijke, het vergankelijke, gaat hand in hand met chronophobia,de angst voor de tijd die alles uitwist. Hägglund brengt deze twee begrippen samen in een enigszins barbaars neologisme, chronolibido, waarmee hij verwijst naar de double bind die volgens hem een van de fundamentele condities van het menselijk handelen is. Als we al verlangen naar onsterfelijkheid, dan is dat een rationele manoeuvre om ons uit die double bind, van chronophilia en chronophobia, te redden.

In het licht van deze opvattingen leest Hägglund het werk van Marcel Proust, Virginia Woolf en Vladimir Nabokov, drie schrijvers die elk op hun eigen manier de literaire verbeelding van de tijd probeerden te vernieuwen. Proust deed dat met zijn nadruk op de rol van het onwillekeurig geheugen bij het herbeleven van het verleden, Woolf in haar beschrijving van de zogeheten ‘moments of being’, en Nabokov met zijn evocaties van het schrijfproces. Hun werk is vaak gelezen als uitdrukking van het verlangen om aan vergankelijkheid te ontkomen, of dat nu door een epifanie van het geheugen, een immanent moment van zijn, of ‘onvergankelijke’ kunst zou worden verwezenlijkt. Maar Hägglund betoogt dat deze schrijvers juist de complexiteit van temporele ervaringen en het verlangen naar een leven in de tijd probeerden te ontleden en te verbeelden.

Zo laat hij als rechtgeaarde deconstructivist in zijn close reading van À la recherche du temps perdu zien dat Prousts hoofdpersoon zichzelf vaak tegenspreekt in zijn overdenkingen over de ervaringen met het onwillekeurig geheugen. Wanneer een zintuiglijke gewaarwording onverwacht een herinnering aan het verleden wakker roept en heden en verleden voor even in elkaar overvloeien, hervindt de hoofdpersoon zijn vroegere ik. Hij komt als het ware voor een kort moment los van tijd en ruimte, en staat even met één voet in het heden en met één voet in het verleden. Het is een ervaring die hem meestal een kortstondig gevoel van groot geluk geeft, alsof hij doordringt tot het wezen der dingen, zijn leven overziet en buiten of boven de tijd staat.

Talrijke auteurs, van Samuel Beckett tot Paul Ricoeur, van Georges Poulet tot Gilles Deleuze, hebben deze openbaring van een tijdloze essentie als de voornaamste boodschap van de roman gezien. Proust zou ervan overtuigd zijn geweest dat deze ervaring of de verwoording ervan in een roman hem in staat zou stellen de tijd te overwinnen. Maar, schrijft Hägglund, Proust gelooft helemaal niet in een tijdloos zijn, in een toestand waarin niets meer onderhevig is aan verandering en ook niets verloren kan gaan. Dat blijkt uit tal van andere passages waarin die onwillekeurige herinneringen zijn verteller zich juist doen realiseren welke afstand hem scheidt van dat vroegere ik en hij zich uitsluitend ontvankelijk toont voor het vergankelijke, het vliedende, het vluchtige. En zelfs in de momenten van extase ontkomt hij niet aan de constatering dat hij zelf definitief veranderd is, en dat hij ook de geliefden die hem zijn ontvallen maar voor een kort ogenblik weer tot leven kan wekken. Dan gaat het hervinden van het vroegere ik gepaard met een gewaarwording van verlies, het besef dat dat vroegere ik onverbiddelijk verleden tijd is en dat de doden niet opstaan uit hun graf. De euforie maakt plaats voor pessimisme. Ook de verlossing in en door de kunst is onderhevig aan de erosie van de tijd. Hägglund illustreert dit op overtuigende wijze met tal van bekende en minder bekende voorbeelden uit de Recherche.

In zijn analyse van Woolfs ‘moments of being’ put Hägglund zijn voorbeelden uit To the Lighthouse en Mrs Dalloway. Tijdens een ‘moment of being’ zijn de personages zich intens bewust van wat zij meemaken; ze zijn daarbij niet alleen gericht op hun eigen gewaarwordingen, maar vangen ook een glimp op van hun plaats in een groter patroon dat achter het ondoorzichtige oppervlak van het dagelijks leven schuilgaat. Literatuurwetenschapper Ann Banfield ziet dergelijke momenten als een manier om de tijd te laten stollen in een onbegrensd heden, om het kortstondige te vereeuwigen. Ten onrechte, stelt Hägglund. Woolfs personages, zoals Mrs Ramsay, realiseren zichzelf al tijdens een dergelijke ervaring dat ‘dit [“moment of being”] niet kan duren’. Momenten volgen elkaar op zoals golven de een na de ander stukbreken op het strand en elkaar overspoelen.

Hägglund noemt het besef van dit onverbiddelijk voorbijgaan van het moment of de tijd onder verwijzing naar Derrida een traumatische ervaring. Tijdens een gebeurtenis die achteraf traumatisch blijkt, wordt men ondergedompeld in een situatie die men niet had voorzien, ontbreekt het begrip op het ogenblik zelf geheel en al, en komt het in- en overzicht pas achteraf. In wezen, schrijft Hägglund, is het verschil tussen een traumatische en een normale ervaring slechts gradueel. Uit de bewustzijnsstroom van Woolfs personages blijkt dat zij altijd bezig zijn voorbije ervaringen te doorgronden en dat de ervaring in het heden alleen retrospectief inzichtelijk wordt. Het moment is kostbaar juist omdat het al aan het voorbijgaan is, zonder dat men er volledig greep op heeft gekregen.

In Nabokovs werk wordt het schrijven verbeeld als een instrument om het verstrijken van de tijd en de dreigende vergetelheid het hoofd te bieden. Een aantal van zijn romans hebben de vorm van memoires waarin de protagonisten hun eigen leven vastleggen. Zo ook Ada or Ardor. A Family Chronicle (1969).Twee geliefden die elkaar na een lange tijd hebben hervonden, besluiten in een autobiografie à deux het verhaal van hun liefde te vertellen. Ze blikken terug op gebeurtenissen van meer dan een halve eeuw geleden. Op het moment van schrijven zijn ze beiden al hoogbejaard en voelen ze dat de tijd dringt; ook het verslag dat zij doen vanuit het perspectief van de jonge geliefden die zij ooit waren, is echter al getekend door het besef dat alles wat zij meemaken van voorbijgaande aard is. Het verhaal van hun verleden wordt onderbroken door reflecties over het opschrijven ervan in het aangezicht van de dood. Zowel de belevenissen zelf als het schrijfproces dragen de sporen van het verstrijken van de tijd. Over de toekomst van het boek na hun overlijden maken Ada en Van zich weinig illusies. Het voornaamste symptoom van chronophobie, een term die Nabokov zelf gebruikt in zijn autobiografie Speak Memory, is het besef van het dreigende risico van verlies en een daarmee gepaard gaand verlangen om alles op te schrijven wat men beleeft: chronographie. Maar tegen de tijd is geen kruid gewassen. Dat besef klinkt ook door in Nabokovs werk.

Nadat hij in het vierde hoofdstuk de ideeën van Freud, Lacan en Derrida – over levens- en doodsdrift, over rouw, melancholie en trauma – onder de loep van zijn theorie heeft gelegd, brengt Hägglund literatoren en filosofen bijeen in zijn conclusie. De ontrafeling van hun redeneringen bevestigt zijn overtuiging dat al onze verlangens en angsten voortkomen uit de eindigheid van ons bestaan. Wij willen in en met de tijd leven en zijn zelfs bereid om daarvoor te sterven.

Hägglund is in zijn terminologie duidelijk schatplichtig aan Derrida en andere deconstructivisten. Zijn overvloedig en van elke vorm van relativering gespeend gebruik van termen als trauma, dood, geweld, verlies, rouw, wanhoop, zou de lezer die van precies maar onnadrukkelijk taalgebruik houdt, kunnen afschrikken. Maar het loont de moeite om over dit bezwaar heen te stappen: in Dying for Time werpt Hägglund met zijn aandachtige tekstinterpretatie nieuw licht op canonieke teksten en stelt hij al even canonieke commentaren ter discussie.