Biografie

Edmund Burke

Philosopher, Politician, Prophet

Jesse Norman
Harper Collins, Londen, 2013

Door Daniel Boomsma, publicist

Over de Ierse staatsman Edmund Burke werd eens opgemerkt dat zijn ontelbare talenten deden denken aan de Hekatoncheiren, de honderdarmige en vijftigkoppige zoons van Ouranos en Gaia, die in de Griekse mythologie respectievelijk hemel en aarde belichamen. Oreren, converseren, filosoferen, schrijven: niets leek Burke te machtig. Het geven van indringende speeches ging hem net zo moeiteloos af, zo leek het, als het schrijven van een doorwrocht werk over het schone en sublieme. Ook in conversatie met vrienden, onder wie historicus Edward Gibbon en econoom Adam Smith, bewees Burke een onuitputtelijke bron van ideeën te zijn, een ‘volcano speaking and snorting out fire at intervals’. Burke was, in de woorden van Dr. Samuel Johnson, ‘great by nature’ en ‘the first man everywhere’. De bewondering die Burke in de achttiende eeuw wekte, is vandaag nauwelijks minder geworden, zo blijkt uit Edmund Burke. Philosopher, Politician, Prophet van Jesse Norman, lid van het Britse Lagerhuis namens de Britse Conservatieve Partij. Het werk is één grote lofzang. Het neigt zelfs naar een loyaliteitsverklaring, al is dat niet opvallend te noemen gezien Normans politieke achtergrond.

Terecht merkt Norman in de inleiding van zijn werk op dat Burke ondergewaardeerd is en vaak wordt gereduceerd tot clichés of soundbytes. In de academische wereld is hij niet altijd serieus genomen, daar hij nooit een omvangrijke filosofische of politieke theorie heeft ontwikkeld. Buiten de muren van de universiteit heeft Burke sinds zijn dood (op slechts 68-jarige leeftijd) echter een ongekende populariteit gekend. En ook in de politieke theorie neemt Burke een unieke positie in. Weinig denkers zijn zo expliciet en ondubbelzinnig de grondlegger van een politieke stroming genoemd – het conservatisme in dit geval – als Burke.

Norman heeft er enigszins gemakzuchtig voor gekozen het leven en denken van Burke apart van elkaar te behandelen. Het eerste deel doet dan ook wat schools aan. Norman verhaalt hoe Burke via een kostschool in het dorpje Ballitore op Trinity College in Dublin terechtkwam, waarna hij in 1750 afreisde naar Londen om in Middle Temple te bouwen aan een carrière als jurist. De wens dichter te worden – op jonge leeftijd was hij gegrepen door de furor poeticus – had hij in Dublin al laten varen. Het vele lezen dat het onder de knie krijgen van het recht vergde, enthousiasmeerde hem echter ook niet. Burke stelde: ‘Hij die leeft in een schoolgebouw, nadat zijn geest voldoende bevoorraad is met kennis, is als iemand die, nadat hij een schip gebouwd, opgetuigd en bevoorraad heeft, het in een muffe haven verbergt.’

Naast zijn studies nam Burke echter ook de pen ter hand – en met buitengewoon resultaat. De publicatie van zijn ironische, maar zeer onderhoudende Vindication of Natural Society en de door Immanuel Kant geprezen Philosophical Enquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and Beautiful markeerden een omslag. Het schrijverschap lonkte voor Burke.

Toch liep het anders. In 1765 werd Burke benoemd tot privésecretaris van de staatsman Lord Rockingham. In plaats van literatuur of filosofie werd de politiek Burke’s lotsbestemming. Een glansrijke carrière volgde met als hoogtepunten zijn verdediging van de Amerikaanse Revolutie en zijn aanval (voornamelijk via het beroemde pamflet Reflections on the Revolution in France) op het gedachtegoed van de philosophes dat de Fransen in 1789 de Bastille in Parijs deed bestormen. Later betreurde Dr. Johnsons biograaf James Boswell het ten zeerste dat Burke niet had gekozen voor de filosofie. De Romeinse staatsman en schrijver Flavius Cassiodorus aanhalend, stelde Boswell dat hij wenste dat Burke ‘had walked in a perfect way’. Boswell had uitgekeken naar de publicatie van een doortimmerd traktaat over het idealisme van George Berkeley, of een wijsgerige botsing met Jean-Jacques Rousseau, of een diepzinnige briefwisseling met Joseph de Maistre.

Maar ondanks het feit dat Burke zijn filosofie nooit écht heeft uitgeschreven, weet Norman overtuigend tot de kern ervan te doordringen. Je zou kunnen zeggen dat dat na biografieën van Robert Bisset, James Prior, John Morley, Carl Cone, Conor Cruise O’Brien, Russell Kirk en recenter de monumentale tweedelige studie van F.P. Lock geen moeilijke opgave kan zijn. Normans vlotte pen, helderheid van taal en zijn geslaagde poging om Burke te vertalen naar de eenentwintigste eeuw maken het tweede deel van het boek meer dan de moeite waard.

Norman gebruikt Burke’s filosofie om het op de gemeenschap gerichte Big Society-ideaal van de huidige regering-Cameron te verdedigen, maar vooral om van leer te trekken tegen wat hij (extreem) liberaal individualisme noemt. De Franse Revolutie betekende het begin van een politiek die nu het toppunt van haar dominantie heeft bereikt en die Burke in de Reflections al voorspelde met de beroemde zin: ‘The age of chivalry is gone. That of sophisters, economists and calculators has succeeded.’

Wat is liberaal individualisme? Norman onderscheidt drie aspecten, die hij terugvoert op Rousseau, Burke’s grootste tegenhanger. Allereerst gaat het uit van de gedachte dat het individu in moreel en politiek opzicht boven de samenleving staat. De mens dient te worden voorgesteld als autonoom en onafhankelijk. Het tweede aspect vloeit logisch voort uit deze notie van het individu als een losgekoppelde atoom: liberaal individualisme koerst op een waardevrije of ‘neutrale’ (er is hier in wezen geen verschil tussen de twee woorden) samenleving. Staat en samenleving dienen niet voort te bouwen op een bepaald historisch geworteld waardestelsel. Zo wordt het individu, dat immers zijn eigen voorkeuren en overtuigingen heeft, zo min mogelijk in de weg gestaan. Dit leidt tot een verkettering van het idee van een samenleving, betoogt Norman terecht. Tot slot is wetenschap de panacee voor het liberaal individualisme. Politiek moet zich bedienen van een veronderstelde neutrale rationaliteit die door de wetenschap wordt belichaamd. Niet waarden zijn het object van de staatsman, maar feiten en formules.

In een helder betoog zet Norman de nobele filosofie van Burke tegenover het abstracte getheoretiseer van Rousseau en andere philosophes. Burke begint met dat wat is en niet direct met dat wat zou moeten zijn. Zijn vertrekpunt is de mens als gemeenschapswezen. Met Montesquieu zou hij stellen dat ‘man is born in society and there he remains’ – het volstrekt tegenovergestelde van Rousseaus credo dat de mens vrij wordt geboren maar overal geketend is. Burke moet niets hebben van abstracte beginselen (‘het’ individu, ‘de’ gemeenschap, neutraliteit) die zijn losgerukt van hun specifieke sociale context. ‘What is the use of discussing a man’s abstract right to food or medicine?’, riep hij eens uit. Het gaat om het wie, waar, wanneer en waarom. Alleen wiskunde en logica kunnen zonder context.

In de volgende passage uit Burke’s An Appeal from the New to the Old Whigs, die Norman aanhaalt, poogt Burke de absurditeit van een abstracte politiek aan te tonen:

An ignorant man, who is not fool enough to meddle with his clock, is, however, sufficiently confident to think he can safely take to pieces, and put together, at his pleasure a moral machine of another guise, importance and complexity, composed of far other wheels and springs and balances and counter-acting and co-operating powers.

In zijn slotbetoog, The Recovery of Value, accentueert Norman dat wat de essayist Leslie Stephen de ‘nobility of [Burke’s] moral nature’ noemde. Je zou deze nobiliteit kunnen omschrijven als een liefdevolle houding ten opzichte van de organische en kwetsbare verworvenheid die samenleving heet. Voor Norman is Burke niet de filosoof van een nooit realiseerbare utopische toekomst, maar van het hier en nu, zonder daarbij de diep historische aard van de mens te miskennen.

Los van de geslaagde uiteenzetting en toepassing van Burke’s denken, is het vooral de oprechte manier waarmee Norman zich met Burke identificeert die bij mij een gevoel van sympathie opwekt. Norman heeft zeker niet de meest diepgravende biografie geschreven. Maar in wezen doet dat er niet toe. Voor Norman is Burke niet alleen een historisch figuur, een innemend karakter of een scherpzinnig politicus, maar bovenal een betrouwbaar gesprekspartner, een persoonlijke compagnon en een filosofisch leidsman.