Biografie

Felix Salten

Man of Many Faces

Beverley Driver Eddy
Ariadne Press, Riverside, 2010

Door Eveline Nikkels, Musicologe, voorzitter Gustav Mahler Stichting Nederland

Bestel dit boek bij Athenaeum Boekhandel
Beverley Driver Eddy, hoogleraar germanistiek aan het Dickenson College in Carlisle, publiceerde een boeiend boek over Felix Salten bij Ariadne Press in het kader van hun reeks Studies in Austrian Literature, Culture and Thought. Salten, geboren op 6 september 1869 in Pest, was bekend onder vele namen; zijn echte naam was Sigmund Salzmann. Behalve Felix Salten had hij nog een aantal noms de plume, waaronder Sacha voor zijn kritieken en feuilletons. Het bekendst is Felix Salten geworden als de auteur van het verhaal Bambi. Velen zullen denken dat Bambi een verzinsel was van Walt Disney, maar niets is minder waar. Salten is de geestelijk vader van dit en een aantal andere prachtige dierenverhalen,  waaruit zijn grote liefde voor de natuur en zijn inzicht in de relatie tussen mens en dier (het dierlijke in de mens en het menselijk in het dier) spreken.

Maar voordat Salten zijn heil zocht en vond in de natuur, was daar een periode van een heftig bohemienleven in het Wenen van het fin de siècle aan voorafgegaan – een leven dat hij deelde met de andere schrijvers van de literaire kring Jung Wien: Arthur Schnitzler, Hugo von Hofmannsthal en Richard Beer-Hoffmann. In het boek van Driver Eddy staat een schitterende foto uit het jaar 1894 van deze heren, in gezelschap van twee ‘deernen’ (in hun eigen jargon ‘süsse Mädel’) in het Prater, toen er voor de Donaumonarchie nog geen vuiltje aan de lucht leek te zijn. Promiscuïteit en dronkenschap hadden ze hoog in het vaandel. De verhalen ‘Liebelie’ en ‘Reigen’ van Schnitzler zijn een literaire afspiegeling van het leven dat deze jonge schrijvers leidden tijdens het fin de siècle. Naast hun levensstijl deelden zij ook hun joodse herkomst, die, zeker met de komst van burgemeester Karl Lueger, tot steeds meer uitsluiting van het openbare leven zou leiden. Ondanks de aanzienlijke posities die ze  verworven hadden, voelden ze steeds meer de dreiging van een ommekeer in de publieke opinie.

Het merkwaardige is dat de literaire nalatenschap van Salten minstens zo groot is als die van de veel bekendere Schnitzler of Hofmannsthal. De romans en toneelstukken van eerstgenoemde waren echter te zeer tijdgebonden om ook later nog veel weerklank te vinden. De meeste bekendheid verwierf Salten, met name onder zijn pseudoniem Sacha, als kroniekschrijver. Dagelijks verschenen er in de kranten columns van zijn hand, waarin het leven in Wenen en vooral dat van de aristocratie onder de niet altijd zachtzinnige loep werd genomen. Anders dan Schnitzler, Hofmannsthal en Beer-Hoffmann had hij vrijelijk inzage in de ins en outs van de familie Habsburg, dankzij zijn hechte vriendschap met aartshertog Leopold Ferdinand van Toscane. Het meest geporteerd was hij van prinses Louise, die gedwongen werd te trouwen met prins Philip van Saxen-Coburg. Na een liefdeloos huwelijk van twintig jaar werd zij verliefd op een Kroatische edelman en liet dit openlijk blijken. Omdat dit in de hoogste adellijke kringen als zeer ongepast en beschamend werd beschouwd, besloot haar man dat ze krankzinnig moest worden verklaard en moest worden opgesloten. Ook haar minnaar moest het gevang in, maar hij werd na vier jaar vrijgelaten en verklaarde meteen dat Louise zo helder was als glas. Deze ontwikkelingen vonden ook hun weg naar de feuilletons van Salten – en dat niet alleen: hij bedacht ook een ontsnappingsplan en steunde zo met zijn openlijke medeleven de geliefden waar hij kon. Uiteindelijk gaf het hof toe: Louise mocht scheiden en ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. Over dit verhaal, dat alle elementen van een keukenmeidenroman heeft, schreef Salten een prachtig toneelstuk onder de titel Louise von Koburg – overigens nadat de hoofdrolspelers waren overleden. Publiek succes verzekerd!

Dit soort geschiedenissen, waarin persoonlijke ervaringen of ervaringen van anderen de basis vormen, bleven Saltens bron van inspiratie, vooral dus in de bescheiden vorm van columns of feuilletons, maar soms ook in boekvorm. Alleen politieke commentaren waren uit den boze. Salten werd overigens gehaat door een andere schrijver van korte, rake stukken: Karl Kraus. Om diens felle toon  te omzeilen, koos Salten nog weer een ander pseudoniem, nu Martin Finder, een echt ‘Duitse’ naam. Meteen was Kraus overtuigd van de klasse van deze nieuwkomer…

Via een huwelijk met de actrice Otti Metzl belandde Salten steeds meer in de sfeer van de theaterkritiek, hetgeen voor spanningen met zijn collega’s van Jung Wien zorgde, aangezien ook zij vooral op theatergebied hun sporen aan het verdienen waren. Niet alle stukken vonden genade in Saltens ogen en zo bekeken zijn collega’s op hun beurt Saltens nieuwe boeken en stukken met argusogen. Hoge bomen vangen veel wind, ook in het Wenen van het fin de siècle. Enige tijd woonde Salten met zijn gezin (Otti en hij hadden twee kinderen) in Berlijn, waar hij hoofdredacteur werd van de Berliner Morgenpost en de Berliner Zeitung, beide eigendom van de gebroeders Ullstein (de uitgeverij bestaat nog steeds). Waar Wenen als een oude zieke man wachtte op de ondergang, was Berlijn in die dagen een opkomende, bruisende metropool. Naast Ullstein was er ook contact gelegd met de uitgever Samuel Fischer, die een prachtig huis bezat waar de coterie van geletterd Berlijn een warm welkom vond. Geïnspireerd door al deze ontmoetingen overwoog Salten zelfs een cultureel weekblad uit te brengen, samen met Richard Strauss en Max Liebermann, maar de heimwee naar Wenen gooide hier roet in het eten; Berlijn was hem toch ‘te Pruisisch’.

Tot op de dag van vandaag is het onzeker of het scandaleuze, pornografische boek Josefine Mutzenbacher, dat rond die tijd verscheen, van Salten is of wellicht van Schnitzler of zelfs Beer-Hoffmann. Iedereen ontkende, maar het succes was ongemeen. De titel is al veelzeggend en dat zou dus op de hand van  Salten kunnen wijzen: Josefine Mutzenbacher oder die Geschichte einer Wiener Dirne von ihr selbst erzählt. De inhoud doet denken aan Franz Wedekinds geschiedenis van Lulu; de promiscuïteit druipt er vanaf…

Bij Saltens terugkeer in Wenen begonnen de eerste antisemitische tendensen merkbaar te worden. Dat Theodor Herzl van de kansel riep dat het tijd werd voor een eigen joodse staat, zal hierbij zeker een rol hebben gespeeld. Herzl was Salten zeer genegen, maar Salten wilde toch proberen een compromis te vinden tussen de verschillende geloven en heeft daar prachtige dingen over geschreven, die anno 2011 nog steeds steekhoudend zijn. Hij is ook als verslaggever in Palestina geweest en zag alleen in ‘samenleven’ een toekomst. Nauwelijks kon hij toen bevroeden dat enige jaren later de eerste uittocht van de joden uit Wenen zou beginnen.

Driver Eddy’s boek gaat ook in op een bijzonder aspect van Saltens Alle Menschen werden Brüder-ideaal: het oprichten van de divers PEN-clubs. Salten was inmiddels zo beroemd geworden dat hij voorzitter kon worden van de Weense PEN-club en zo internationale contacten kon onderhouden – steeds met het oogmerk de vrede te handhaven, ook onder de dreigende opkomst van het nationaalsocialisme. Hij had daarvoor een prachtige uitspraak, die men als zijn lijfspreuk zou kunnen definiëren: ‘Er zijn drie wegen om te ontsnappen: door naar klassieke muziek te luisteren, door goede boeken te lezen of door te dwalen door de velden en bossen.’ Met dat laatste onderdeel komen we dan bij Saltens bekendste literaire uitingen: zijn dierenfabels – als ik ze zo mag noemen. Hierin kon hij maatschappijkritiek kwijt: de dieren waren als personen herkenbaar, maar droegen geen herkenbare namen, waardoor hij buiten schot kon blijven. Dankzij zijn huis in Unterach am Attersee kon Salten op twee manieren zijn beide grote liefdes beoefenen: overdag ging hij jagen (wat hem overigens kwalijk werd genomen, want over dieren schrijven impliceert dat je ze niet omlegt, zo werd wel gezegd) en ’s avonds ging hij naar Salzburg, waar de Salzburger Festspiele waren gesticht door Hugo von Hoffmannsthal en Max Reinhardt. ‘Hier moeten de mensen vanuit de hele wereld naar toe komen,’ was het ideaalbeeld van Salten, ‘hier gelden niet ras of afkomst, hier geldt de cultuur.’

Het heeft allemaal niet mogen baten. Vanaf 1936 kwamen er steeds minder opdrachten van de krant en uiteindelijk moesten de Saltens de wijk nemen naar Zwitserland, waar hij in Zürich een nieuw leven opbouwde, vol theater. Zijn joodse vrienden, die naar Amerika waren getrokken, benijdden hem om zijn luxe bestaan aldaar en de mogelijkheid in de Duitse taal te kunnen communiceren. Toch was het juist Amerika dat hem de mogelijkheid van deze luxe bood, dankzij de Amerikaanse uitgave van Bambi, Bambi’s kinderen en nog vele andere verhalen. Toen de markt in Europa opdroogde vanwege de dreigende oorlog, besloot Salten zijn boeken via uitgeverij Paul Zsolnay, die in de jaren dertig in Wenen veel joodse auteurs onderdak had geboden, in Amerika aan de man te brengen. Wel moesten meteen voor de Amerikaanse markt de ‘wrede gedeelten’ uit de boeken worden geweerd. De kinderzielen aan de overkant van het grote water waren te kwetsbaar – en dat terwijl Salten zijn dierenfabels in eerste instantie niet voor kinderen had geschreven, maar veeleer als spiegel voor de volwassenen van zijn tijd.

In het laatste hoofdstuk laat Beverley Driver Eddy zien hoe Saltens meesterwerken steeds verder in verdrukking komen. Uiteindelijk zal Bambi de geschiedenis ingaan als Bambi van Disney (zoals het adagietto van Visconti, dat eigenlijk van Mahler is).

Een laatste interessante kant van Salten is zijn productie van operetteteksten en zijn aanleveren van filmlibretto’s. Een veelzijdig man, misschien te veelzijdig, want door zijn versnipperde productie is er eigenlijk niet één werk tot grote roem gekomen, afgezien dan van Bambi. Het boek Felix Salten: Man of Many Faces geeft een fascinerend beeld van Wenen met haar hoogte- en dieptepunten, die min of meer parallel lopen aan het leven van ‘de man met de vele namen’: Sigmund Salzmann.